ECLI:NL:RBGEL:2026:6013

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
22 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
C/05/467261
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 438 RvArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering schorsing executie dwangsommen na niet-naleving rectificatieverplichting

In deze kortgedingprocedure vordert eiser schorsing van de executie van dwangsommen die zijn opgelegd wegens het niet naleven van een vonnis van 27 februari 2026. Dit vonnis verplichtte eiser tot het verwijderen van diverse berichten en het plaatsen van een rectificatie zonder commentaar op meerdere sociale mediakanalen.

Eiser verwijt gedaagde misbruik van executiebevoegdheid en stelt dat zij grotendeels aan het vonnis heeft voldaan, met slechts enkele berichten die per abuis zijn blijven staan. Gedaagde betwist dit en wijst op meerdere overtredingen, waaronder het niet plaatsen van de rectificatie op een verwijderd account, het voorzien van commentaar bij de rectificatie en het opnieuw plaatsen van berichten over het gezinsleven van gedaagde.

De rechtbank oordeelt dat eiser niet volledig aan haar verplichtingen heeft voldaan en dat de dwangsommen terecht zijn verbeurd. Er is geen sprake van een kennelijke misslag in het vonnis en ook geen misbruik van executiebevoegdheid door gedaagde. De vorderingen van eiser worden afgewezen en zij wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen af en veroordeelt eiser in de proceskosten wegens niet-naleving van het vonnis en terecht verbeurde dwangsommen.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/467261 / KZ ZA 26-68
Vonnis in kort geding van 22 juli 2026
in de zaak van
[naam eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [de eiser] ,
advocaat: mr. S. van der Eijk,
tegen
[naam gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [de gedaagde] ,
advocaat: mr. R.P. de Vries.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 18 van [de eiser]
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 17 van [de gedaagde]
- de aanvullende producties 19 tot en met 23 van [de eiser]
- de mondelinge behandeling van 9 juli 2026
- de pleitnota van [de eiser]
- de pleitnota van [de gedaagde] .

2.De feiten

2.1.
[de eiser] en [de gedaagde] hebben in het verleden over en weer op sociale media uitlatingen gedaan over elkaar. Daarvan hebben beide partijen bij de politie (meermaals) aangifte gedaan. Onder meer [de gedaagde] heeft ook een kort geding procedure gevoerd tegen [de eiser] .
2.2.
Die procedure heeft geleid tot een vonnis van de voorzieningenrechter van 27 februari 2026 (hierna: het vonnis). De voorzieningenrechter heeft daarin onder meer het volgende beslist:
“5.4. verbiedt [de eiser] om berichten (waaronder begrepen posts, foto's, video's,
reacties, comments en stories) op het internet te plaatsen waarin uitlatingen worden gedaan
over het gezinsleven van [de gedaagde] , zijn kinderen en de echtscheidingsprocedure,
5.5.
gebiedt [de eiser] om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis de
publicaties, zoals weergegeven in de producties D06. p. 4 en 6, D07. p. 2,3,5,9, 11. 14, 16-18.20.21 en 25, D08, D09, p. 1, 4,6 en 7, D12, D16, p. 1-11, D20, p. 15, 18-27 en D21, p. 1-3 en 6, volledig van al haar (sociale)mediakanalen, websites en overige platforms te verwijderen en verwijderd te houden,
5.6.
gebiedt [de eiser] om binnen vier dagen na betekening van dit vonnis op haar accounts op Instagram ( [instagram-account] ),
X ( [x-account 1] en [x-account 2] ), en LinkedIn
( [linked-in account] ), zonder commentaar,
duidelijk leesbaar, in een normaal lettertype en met zwarte letters op een witte achtergrond voor de duur van 72 uur en, indien mogelijk, gepinned de volgende rectificatie te plaatsen:
“RECTIFICATIE INZAKE [naam gedaagde]
In 2025 en 2026 heb ik de heer [naam gedaagde] herhaaldelijk beschuldigd van mishandeling, partnergeweld en stalking. Deze beschuldigingen hebben onvoldoende feitelijke basis. Ik had deze beschuldigingen daarom niet mogen doen. De voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam heeft mij onder oplegging van een dwangsom verplicht om deze rectificatie te publiceren.
[de eiser] .”
5.7
veroordeelt [de eiser] om aan [de gedaagde] een dwangsom te betalen van € 500.00 per dag of dagdeel dat zij niet aan een of meer veroordelingen in 5.2. tot en met 5.6. voldoet, tot een maximum van € 25.000,- is bereikt.
(…)”
2.3.
[de eiser] heeft direct na het vonnis diverse berichten verwijderd.
2.4.
Op 28 februari 2026 heeft [de eiser] op haar X-account “ [x-account 1] ” het volgende bericht geplaatst:
“Morgen ben ik door de rechtbank gedwongen een rectificatie te plaatsen, die 72 uur online moet blijven staan. Ik ben het hier echter uiterst oneens mee. Daarom heb ik besloten een YouTube-filmpje online te zetten, ondanks dat ik hier zeer slecht uitzie en het mij veel doet om mezelf op deze manier terug te zien. Sterker nog, ik ben blij als deze horror-film voorbij is.
(…)”
Daarbij heeft [de eiser] een link geplaatst naar een YouTube video met de titel “ [titel] ”, waarin zij verklaart het niet eens te zijn met de rectificatie.
2.5.
Op 1 maart 2026 heeft [de eiser] de rectificatietekst op haar X-account
“ [x-account 1] ” geplaatst, met daaronder onder meer de volgende tekst:
"Vandaag, op zondag 1 maart, heb ik gedwongen rectificatie inzake [naam gedaagde] online geplaatst, hoewel het vonnis nog niet officieel in mijn brievenbus ligt.
Ik wil hierbij het volgende benadrukken. Deze rectificatie heeft de slachtoffers in deze kwestie ernstig beschadigd. Voor mij blijft dit een zwarte dag, niet alleen omdat het raakt aan mijn gevoel voor rechtvaardigheid, maar ook omdat het strijdig lijkt met mijn enorme inzet tegen femicide, huiselijk geweld, zedendelicten en andere vormen van geweld waarvoor ik het afgelopen jaar hard heb gewerkt. Het is een ervaring die ik als het ergst beschouw dat er kan gebeuren in dit soort zaken.
(…)”
2.6.
[de eiser] heeft de advocaten van [de gedaagde] op 3 maart 2026 het volgende gemaild:
“Zoals u zelf ook zult begrijpen, zijn de overgelegde producties onvoldoende overzichtelijk. Enkele producties zijn zonder datum en slechts als screenshot aangeleverd. Ik ben niet in het bezit van productie D20 en D21, Graag ontvang ik duidelijkheid waar deze producties op zien met betrekking tot [naam gedaagde] , en in welk document deze zijn opgenomen. Ik verzoek u deze producties mij zo spoedig mogelijk extra toe te zenden. Voor zover mij bekend is, is alles verwijderd wat conform het vonnis verwijderd diende te worden. Gezien de omvang van het werk en het tijdsverloop is het niet uitgesloten dat berichten over het hoofd zijn gezien. Indien dat het geval is, ontvang ik dit tijdig.
(…)”
2.7.
Op 3 maart 2026 heeft [de eiser] het account [x-account 2] geheel verwijderd.
2.8.
Op 4 maart 2026 heeft [de gedaagde] het vonnis aan [de eiser] laten betekenen.
2.9.
In e-mailcorrespondentie van 13 maart 2026 tussen de advocaten van partijen worden over en weer verwijten geuit dat partijen het vonnis niet naleven.
2.10.
Op 29 april 2026 heeft [de eiser] op haar X-account een post van de ex-vrouw van [de gedaagde] - met de accountnaam [x-account 3] herplaatst en daarop gereageerd. De ex-vrouw van [de gedaagde] had kort daarvoor een bericht geplaatst met:
"Ik wordt ook vaak onaanzienlijk gebeld door mijn kinderen via vrienden heel triest".
[de eiser] heeft deze post geretweet en de volgende reactie daarboven geplaatst:
“Verschrikkelijk dat je dit moet meemaken. Heel triest inderdaad [icoon van hartje]”.
2.11.
Op 12 mei 2026 heeft de deurwaarder aan [de eiser] bevel gedaan om binnen twee dagen € 25.000,- te betalen aan verbeurde dwangsommen omdat zij niet zou hebben voldaan aan overwegingen 5.5. en 5.6. van het vonnis. Daaraan ligt volgens het exploot het volgende ten grondslag:
“dat rekwirant heeft moeten ervaren dat gerekwireerde niet volledig heeft voldaan aan de veroordeling in 5.5 van voormeld vonnis door tot op heden onderstaande publicaties volgens rekwirant niet te verwijderen en verwijderd te houden:
DO7, p. 9 : [x-post 1]
DO7, p. 16: [x-post 2]
D07,p. 17: [x-post 3]
D20, p. 20: [x-post 4]
zodat gerekwireerde deswege voor wat betreft de veroordeling in 5.5 aan rekwirant schuldig is geworden ter zake verbeurde dwangsommen over de periode 12 maart 2026 tot heden een bedrag ter hoogte van 60 x € 500 per dag = € 30.000,00, waardoor het maximum van € 25.000,00 is bereikt;
dat rekwirant heeft moeten ervaren dat gerekwireerde niet volledig aan de veroordeling in 5.6 van voormeld vonnis heeft voldaan door volgens rekwirant op X op het account [x-account 2] geen rectificatie te plaatsen, maar in plaats daarvan volgens rekwirant het account te verwijderen;
dat rekwirant heeft moeten ervaren dat gerekwireerde niet volledig aan de veroordeling in 5.6 van voormeld vonnis heeft voldaan door volgens rekwirant op X op het account
[x-account 1] wel een rectificatie te plaatsten, doch die volgens rekwirant voorzien van commentaar middels verwijzing naar een You-Tube-video met een eigen verklaring en/of opmerkingen omtrent onder meer de rectificatie;
zodat gerekwireerde deswege voor wat betreft de veroordeling in 5.6 aan rekwirant schuldig is geworden ter zake verbeurde dwangsommen over de periode 9 maart 2026 tot heden een bedrag ter hoogte van 63 x € 500 per dag =€ 31.500,00, waardoor ook het maximum van € 25.000,00 is bereikt;
dat gelet op het voorgaande thans het maximum aan verbeurde dwangsommen is bereikt, zodat gerekwireerde aan rekwirant schuldig is geworden het maximum aan de verbeurde dwangsommen ad € 25.000,-, welke rekwirant middels dit exploot opeist;”
2.12.
[de eiser] heeft de betreffende berichten hierna direct verwijderd.
2.13.
Op 5 juni 2026 heeft de deurwaarder een proces-verbaal van constateringen opgemaakt waarbij wordt verwezen naar een Instagrampagina van “ [instagram-account] ”, die volgens het vonnis had moeten worden verwijderd.
2.14.
Op 19 mei en 30 juni 2026 is beslag gelegd op de bankrekening van [de eiser] bij de ABN-AMRO bank.

3.Het geschil

3.1.
[de eiser] vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
3.1.1.
[de gedaagde] te verbieden om de in het vonnis van 27 februari 2026 opgelegde
dwangsommen te executeren, althans [de gedaagde] te gebieden om de verdere
executie van het vonnis van 27 februari 2026 te staken en gestaakt te houden,
zulks op straffe van een dwangsom van € 25.000,00 per handeling die in strijd is
met dit verbod;
3.1.2.
[de gedaagde] te veroordelen tot terugbetaling aan [de eiser] van het reeds op grond van het exploot van 12 mei 2026 geïncasseerde bedrag van € 2.643,53, zulks binnen
24 uur na betekening van dit vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van inning tot aan de dag der algehele voldoening door gedaagde;
3.1.3.
Subsidiair: de op grond van het vonnis van 27 februari 2026 verbeurde dwangsommen te matigen tot nihil, althans tot een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag, zulks met terugwerkende kracht tot de datum van opeising;
3.1.4.
[de gedaagde] te veroordelen in de proceskosten en de nakosten te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
[de eiser] legt aan haar vorderingen – kort weergegeven – het volgende ten grondslag.
[de eiser] heeft aan het vonnis voldaan en zij mocht erop vertrouwen dat [de gedaagde] dat ook vond. Nog voordat het vonnis aan haar was betekend heeft zij veel berichten verwijderd en rectificaties geplaatst op haar sociale media accounts. Daarbij heeft zij ook talloze aanvullende berichten verwijderd en uit eigen beweging extra rectificaties geplaatst op zowel Tiktok als facebook. Dat er nog een viertal berichten zijn blijven staan kan [de eiser] niet worden verweten. Het was op basis van het vonnis niet helder wat er precies moest worden verwijderd en [de eiser] heeft op 3 maart 2026 aan de advocaat van [de gedaagde] verzocht aan te geven als zij berichten over het hoofd heeft gezien. Daarop heeft zij geen reactie gehad, tot het exploot van 12 mei 2026. Subsidiair is slechts in zeer beperkte mate sprake van schending van het vonnis en maakt [de gedaagde] misbruik van zijn executiebevoegdheid door het vonnis ten uitvoer te leggen. [de gedaagde] heeft doelbewust stilgezeten tot het moment waarop in zijn ogen de maximale dwangsom was verbeurd.
3.3.
[de gedaagde] voert verweer. [de gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [de eiser] , dan wel tot afwijzing van haar vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [de eiser] in de kosten van deze procedure, inclusief nakosten en te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.4.
[de gedaagde] voert – kort weergegeven – het volgende aan.
[de gedaagde] mocht executiemaatregelen treffen nu [de eiser] het vonnis (bewust) op meerdere zelfstandige onderdelen niet is nagekomen. Zo heeft zij onder meer de rectificatie niet geplaatst op alle door de voorzieningenrechter aangewezen sociale media platforms nu op het X-account “ [x-account 2] ” in het geheel geen rectificatie is geplaatst, heeft zij de rectificatie niet “zonder commentaar” geplaatst, heeft zij rondom de rectificatie een afzonderlijke YouTube-video gepubliceerd, heeft zij meerdere publicaties die zij moest verwijderen online laten staan - ook na betekening van het vonnis - en heeft zij op 29 april 2026 opnieuw een bericht geplaatst waarin uitlatingen werden gedaan over het gezinsleven van [de gedaagde] . Al deze overtredingen leveren een zelfstandige schending van een of meer veroordelingen uit het vonnis op. [de gedaagde] heeft [de eiser] meerdere keren gewaarschuwd. Zo is het vonnis op 4 maart 2026 aan haar betekend waarbij is aangezegd dat bij niet naleving dwangsommen zouden verbeuren en heeft de advocaat van [de gedaagde] [de eiser] er op 13 maart 2026 op gewezen dat nog steeds niet aan meerdere onderdelen van het vonnis werd voldaan. Van het bewust laten oplopen van dwangsommen dan wel misbruik van executiebevoegdheid is dan ook geen sprake.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Spoedeisend belang
4.1.
Uit de aard van de vorderingen vloeit een spoedeisend belang voort. [de eiser] is dan ook ontvankelijk in dit kort geding.
Toetsingskader
4.2.
In dit geval gaat het om een executiegeschil in de zin van artikel 438 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De voorzieningenrechter kan de tenuitvoerlegging van een vonnis slechts schorsen, indien hij van oordeel is dat de executant geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging over te gaan. Daarbij moet ook gelet worden op de belangen van de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad. Dat zal onder meer het geval kunnen zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard. Het bestaan van een noodtoestand is door [de eiser] niet gesteld.
4.3.
Meer in het bijzonder gaat het hier om de vraag of [de eiser] dwangsommen heeft verbeurd en, zo ja, of [de gedaagde] misbruik maakt van zijn executiebevoegdheid door de verbeurde dwangsommen te innen. Bij de beoordeling van de vraag of [de eiser] de dwangsommen heeft verbeurd moet de voorzieningenrechter onderzoeken of de door de dwangsomrechter verlangde prestatie waaraan de dwangsom is verbonden, is verricht. Het is daarbij niet de taak van de executierechter om de door de dwangsomrechter besliste rechtsverhouding zelfstandig opnieuw te beoordelen. De executierechter moet zich ertoe beperken de ter uitvoering van het veroordelend vonnis verrichte handelingen te toetsen aan de inhoud van de veroordeling (zoals die door uitleg moet worden vastgesteld). Bij die uitleg dient de rechter het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer te nemen zodanig dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel. [1]
Heeft [de eiser] dwangsommen verbeurd?
4.4.
Niet in geschil is dat er tot 12 mei 2026 nog een viertal berichten zijn blijven staan die op grond van het vonnis hadden moeten worden verwijderd. Hoewel de voorzieningenrechter wil aannemen dat [de eiser] , zoals zij stelt, die berichten niet bewust heeft laten staan en die berichten weinig tot geen tractie meer hebben gehad – [de gedaagde] heeft immers zelf ter zitting gesteld de berichten pas in mei 2026 te hebben ontdekt na enig online zoekwerk –, is dat niet het enige punt waarop [de eiser] niet aan het vonnis heeft voldaan. Zo is ook niet in geschil dat [de eiser] in het geheel geen rectificatie heeft geplaatst op het X-account “ [x-account 2] ” omdat zij dat account nog voor betekening van het vonnis heeft verwijderd en daarmee dus zelf de onmogelijkheid van het plaatsen van de rectificatie op dat account heeft bewerkstelligd. Verder heeft [de eiser] op 1 maart 2026 de rectificatie op haar X-account “ [x-account 1] ” geplaatst voorzien van commentaar terwijl in het vonnis haar uitdrukkelijk was opgedragen om commentaar achterwege te laten. Hoewel deze rectificatie al voor betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, heeft [de eiser] dit commentaar onbetwist ook niet verwijderd na betekening van het vonnis. Dat het commentaar op 4 maart 2026 niet meer direct onder het bericht stond omdat het naar beneden was gezakt in de feed, maakt niet dat daarmee is voldaan aan de veroordeling in het vonnis om het zonder commentaar te plaatsen. Daarbij acht de voorzieningenrechter ook van belang dat het doel van een rectificatie is om een eerdere foute of onrechtmatige beschuldiging openbaar te herroepen. Door op het moment van plaatsing, tevens het moment waarop de meeste mensen de rectificatie lezen, direct daaronder te plaatsen dat je het er niet mee eens bent en deze rectificatie de slachtoffers in deze kwestie ernstig heeft beschadigd, ondermijnt [de eiser] dit doel. Daarbij laat de voorzieningenrechter de op 28 februari 2026 op YouTube geplaatste video, die wel direct na betekening van het vonnis is verwijderd, nog buiten beschouwing. Tot slot heeft [de eiser] op 29 april 2026 ook nog gereageerd op een post van de ex-vrouw van [de gedaagde] . Die post is gelet op de accountnaam van de ex-vrouw van [de gedaagde] direct tot hem te herleiden. Daarmee heeft [de eiser] niet voldaan aan het verbod om berichten (waaronder begrepen posts, foto's, video's, reacties, comments en stories) op het internet te plaatsen waarin uitlatingen worden gedaan over het gezinsleven van [de gedaagde] , zijn kinderen en de echtscheidingsprocedure.
4.5.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft [de eiser] op grond van het voorgaande dan ook niet voldaan aan de aan haar opgelegde verplichtingen uit het vonnis. Met al deze afzonderlijke overtredingen is de volledige dwangsom van € 25.000,- verbeurd.
Is sprake van een kennelijke misslag?
4.6.
[de eiser] stelt dat met betrekking tot het plaatsen van een rectificatie op het X-account “ [x-account 2] ” sprake is van een kennelijk misslag in het vonnis. Volgens [de eiser] kan en zal de voorzieningenrechter nooit bedoeld hebben dat het bewuste account langer dan nodig is in de lucht zou moeten blijven en dat op dat account, een account met als onderwerp de journalist [journalist] , een rectificatie geplaatst zou moeten worden over
een heel ander persoon.
4.7.
Deze stelling treft geen doel. [de gedaagde] heeft onbetwist gesteld en met screenshots onderbouwd dat dit account ook mede was gericht op [de gedaagde] . Zo stond in de profieltekst van het account vermeld:
“Al jaren zijn [journalist] en [naam gedaagde] , samen met hun achterban, bezig mensen online te treiteren. Heb jij ervaringen? [emailadres] .”. Verder heeft [de gedaagde] een selectie van berichten afkomstig van dit (inmiddels verwijderde) account overgelegd met schadelijke uitlatingen over hem. Dat in het vonnis is geoordeeld dat ook op dit account een rectificatie moet worden geplaatst kan dan ook niet worden aangemerkt als een kennelijke misslag. Dat het vonnis anderszins berust op een kennelijke misslag is door [de eiser] niet gesteld noch gebleken.
Heeft [de gedaagde] misbruik van executiebevoegdheid gemaakt?
4.8.
[de eiser] stelt dat [de gedaagde] misbruik maakt van zijn executiebevoegdheid omdat zij niet zou hebben gehandeld in strijd met haar rectificatieplicht en omdat [de gedaagde] volgens haar volledig voorbijgaat aan de aard en het karakter van de door de voorzieningenrechter opgelegde dwangsommen. Het gaat om een prikkel tot nakoming en uit al haar gedragingen blijkt dat [de eiser] aan het vonnis heeft willen voldoen. Zo heeft zij gerectificeerd, heeft zij enorm veel berichten verwijderd en heeft zij zich niet meer uitgelaten over het gezinsleven van [de gedaagde] . Het kan niet zo zijn dat zij € 25.000,- moet betalen enkel omdat zij wat berichten over het hoofd heeft gezien. Toen zij van die achtergebleven berichten op de hoogte werd gesteld heeft zij die ook direct verwijderd. [de eiser] verwijst in dit verband naar een vonnis van de rechtbank Amsterdam. [2] Ook de online gedragingen van [de gedaagde] geven er volgens [de eiser] blijk van dat hij misbruik maakt van zijn executiebevoegdheid en dat hij klaarblijkelijk doelbewust heeft gewacht tot het moment waarop de maximale dwangsom zou zijn verbeurd.
4.9.
Voorop gesteld moet worden dat de rechter in een executiegeschil een bijzondere terughoudendheid past voor wat betreft de vraag of de (onverkorte) executie van de verbeurde dwangsommen misbruik van bevoegdheid oplevert. Voor de tenuitvoerlegging van iedere executoriale titel (zoals een onaantastbaar geworden vonnis) geldt dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zich ertegen verzet dat misbruik van bevoegdheid wordt aangenomen, anders dan in sprekende gevallen, in welk verband met name valt te denken aan de omstandigheid dat de verlening van de titel klaarblijkelijk op een feitelijke of juridische misslag berust, dan wel tenuitvoerlegging van die titel klaarblijkelijk een onaanvaardbare noodtoestand zal doen ontstaan aan de zijde van de geëxecuteerde. [3] Zoals hiervoor overwogen is van een kennelijke misslag of noodtoestand niet gebleken. Ook staat vast, zoals hiervoor is overwogen, dat [de eiser] in ieder geval niet aan haar rectificatieplicht heeft voldaan. Het ligt op de weg van [de eiser] om ervoor te zorgen dat zij volledig aan het vonnis zou voldoen. [de gedaagde] was gelet op die overtredingen dan ook gerechtigd om executiemaatregelen te treffen. Daarbij heeft de advocaat van [de gedaagde] [de eiser] er in zijn e-mail van 13 maart 2026 ook op gewezen dat niet aan het vonnis wordt voldaan. Indien het [de eiser] niet duidelijk was op welke wijze zij het vonnis nog overtrad, had het op haar weg gelegen daar naar te vragen.
4.10.
Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter heeft [de gedaagde] dan ook geen misbruik gemaakt van executiebevoegdheid.
Is er reden voor matiging?
4.11.
[de eiser] vordert subsidiair, indien de executie niet zou worden geschorst, matiging van het totaal aan verbeurde dwangsommen tot nihil of tot een door de voorzieningenrechter te bepalen bedrag. Nog daargelaten of het beperkte toetsingskader zoals hiervoor weergegeven (bij de randnummers 4.2 en 4.3) de voorzieningenrechter ruimte laat voor matiging van verbeurde dwangsommen, geldt dat voor matiging slechts plaats zal zijn indien toekenning van het totaal aan verbeurde dwangsommen in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. Dat heeft [de eiser] niet aangetoond terwijl bovendien door [de gedaagde] onweersproken is gesteld dat hij een veel hogere dwangsom had gevorderd en dat het maximale dwangsombedrag in het vonnis reeds aanzienlijk is beperkt.
Conclusie
4.12.
Uit het voorgaande volgt dat de vorderingen zullen worden afgewezen.
4.13.
[de eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [de gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht
341,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.707,00
4.14.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [de eiser] af,
5.2.
veroordeelt [de eiser] in de proceskosten van € 1.707,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [de eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [de eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.A. Bierbooms en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.

Voetnoten

1.Zie Hoge Raad, 15 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE9400
2.Rechtbank Amsterdam 18 september 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:5792.
3.Gerechtshof Arnhem 25 september 2007, ECLI:NL:GHARN:2007:BB6229