ECLI:NL:RBGEL:2026:602

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
28 januari 2026
Zaaknummer
05/053940-25
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor jarenlang veelvuldig misbruik van kleinkinderen

In deze zaak heeft de Rechtbank Gelderland op 29 januari 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die jarenlang zijn kleinkinderen en een vriendinnetje van zijn kleinkind heeft misbruikt. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte, geboren in 1956, zich schuldig heeft gemaakt aan meerdere seksuele misdrijven tegen minderjarigen, waarbij de slachtoffers aan zijn zorg waren toevertrouwd. De feiten vonden plaats in de periode van 1 januari 2014 tot en met 1 april 2023. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van vijf jaar. De rechtbank heeft daarbij bijzondere voorwaarden opgelegd, waaronder een meldplicht en ambulante behandeling. De rechtbank heeft de ernst van de feiten benadrukt, waarbij de slachtoffers jarenlang in angst hebben geleefd. De verdachte heeft zijn daden bekend, maar de rechtbank heeft ook gewezen op de psychische schade die hij aan de slachtoffers heeft toegebracht. De rechtbank heeft de vorderingen van de benadeelde partijen, waaronder immateriële schade, gedeeltelijk toegewezen en de verdachte verplicht om deze schade te vergoeden. De rechtbank heeft de zaak behandeld in tegenspraak en heeft de uitspraak gedaan na een openbare terechtzitting op 15 januari 2026.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05/053940-25
Datum uitspraak : 29 januari 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 1956 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres 1] in Putten.
Raadsman: mr. M. Bakhuis, advocaat in [plaats] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van
15 januari 2026.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 1 april 2023 te Putten, althans in Nederland, en/of België, meermalen, althans eenmaal, met één of meer aan zijn zorg, opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarigen, te weten
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2006, in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 6 april 2014 en/of
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 3] 2011, in of omstreeks de periode van 16 februari 2019 tot en met 15 februari 2022 en/of
- [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 4] 2009, in of omstreeks de periode van 13 augustus 2015 tot en met 12 augustus 2022 en/of
- [minderjarige 5] , geboren op [geboortedatum 5] 2010, in of omstreeks de periode van 1 januari 2022 tot en met 1 april 2023,
die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet hadden bereikt,
(telkens) een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het
seksueel binnendringen van het lichaam van die [minderjarige 1] en/of [minderjarige 2] en/of [minderjarige 3]
en/of [minderjarige 5] , te weten
- het brengen en/of bewegen van zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina van die [minderjarige 3]
en/of
- het brengen en/of bewegen van zijn, verdachtes, vinger(s) tussen de schaamlippen van die
[minderjarige 1] en/of [minderjarige 2] en/of [minderjarige 3] en/of [minderjarige 5] ;
2.
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 13 augustus 2022 tot en met 4
augustus 2023 te Putten, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, met een aan zijn zorg, opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, te weten [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 4] 2009, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, (telkens) een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [minderjarige 3] , te weten
- het brengen en/of bewegen van zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina van die [minderjarige 3] en/of
- het brengen en/of bewegen van zijn, verdachtes, vinger(s) tussen de schaamlippen van die [minderjarige 3]
;
3.
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 4 augustus 2023 te Putten, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, met één of meer aan zijn zorg, opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarigen, te weten
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2006, in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2020 en/of
- [minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum 6] 2004, in of omstreeks de periode van 1 november 2016 tot en met 30 november 2016 en/of
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 3] 2011, in of omstreeks de periode van 16 februari 2019 tot en met 15 februari 2022 en/of
- [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 4] 2009, in of omstreeks de periode van 13 augustus 2015 tot en met 4 augustus 2023 en/of
- [minderjarige 5] , geboren op [geboortedatum 5] 2010, in of omstreeks de periode van 1 januari 2022 tot en met 1 april 2023,
die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet hadden bereikt, buiten echt, (telkens) een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten
- het over en/of onder de kleding betasten van en/of knijpen in de borsten en/of billen van die
[minderjarige 1] en/of [minderjarige 4] en/of [minderjarige 2] en/of [minderjarige 3] en/of [minderjarige 5] en/of
- het over en/of onder de kleding betasten van de vagina en/of schaamlippen van die [minderjarige 1]
en/of [minderjarige 4] en/of [minderjarige 2] en/of [minderjarige 3] en/of [minderjarige 5] en/of
- het over de kleding betasten van de (boven)benen van die [minderjarige 1] en/of [minderjarige 4] en/of
- het op schoot trekken/nemen van die [minderjarige 1] en/of (daarbij) te zeggen/fluisteren tegen
die [minderjarige 1] ‘oh nu zit je lekker op mijn piemel’, althans woorden van gelijke aard en/of
strekking en/of
- ( tijdens die ontuchtige handelingen) tegen die [minderjarige 5] te zeggen ‘oh je hebt ook al haartjes
gekregen’ en/of dat ze (de borsten van die [minderjarige 5] ) steeds meer groeiden, althans woorden van
gelijke aard en/of strekking.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde met uitzonder van het onder feit 3 tenlastegelegde “het op schoot trekken/nemen van die [minderjarige 1] en/of (daarbij) te zeggen/fluisteren tegen die [minderjarige 1] ‘oh nu zit je lekker op mijn piemel’, althans woorden van gelijke aard en/of strekking”.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gelijk aan het standpunt van de officier van justitie bepleit dat vrijspraak dient te volgen voor het onder feit 3 tenlastegelegde “het op schoot trekken/nemen van die [minderjarige 1] en/of (daarbij) te zeggen/fluisteren tegen die [minderjarige 1] ‘oh nu zit je lekker op mijn piemel’, althans woorden van gelijke aard en/of strekking”. Voor het overige heeft de raadsman geen verweer gevoerd ten aan zien van het bewijs.
Beoordeling door de rechtbank
Feit 1
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte van [minderjarige 1] , p. 122-126;
- het proces-verbaal van aangifte van [minderjarige 2] , p. 193-196;
- het proces-verbaal van aangifte van [minderjarige 3] , p. 246-251;
- het proces-verbaal van aangifte van [minderjarige 5] , p. 300-303;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 15 januari 2026.
Feit 2
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte van [minderjarige 3] , p. 246-251;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 15 januari 2026.
Feit 3
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte van [minderjarige 1] , p. 122-126;
- het proces-verbaal van aangifte van [minderjarige 4] , p. 57-59;
- het proces-verbaal van aangifte van [minderjarige 2] , p. 193-196;
- het proces-verbaal van aangifte van [minderjarige 3] , p. 246-251;
- het proces-verbaal van aangifte van [minderjarige 5] , p. 300-303;
- het proces-verbaal van verhoor van [vader] , p. 65;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 15 januari 2026.
De officier van justitie en de raadsman hebben zich op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het één na laatste gedachtestreepje in de tenlastelegging, te weten: “het op schoot trekken/nemen van die [minderjarige 1] en/of (daarbij) te zeggen/fluisteren tegen die [minderjarige 1] ‘oh nu zit je lekker op mijn piemel’, althans woorden van gelijke aard en/of strekking” omdat alleen [minderjarige 1] daarover heeft verklaard.
De rechtbank ziet geen redenen om te twijfelen aan de verklaring van [minderjarige 1] . [minderjarige 1] heeft, net als de andere aangeefsters, vanaf het begin gedetailleerd verklaard en consequent hetzelfde verhaal verteld, tegenover de politie maar ook bijvoorbeeld tegenover haar vader ( [vader] ). Tegenover die verklaring staat de verklaring van verdachte, die weliswaar uiteindelijk grotendeels heeft bekend maar welke bekenning veelal naar lang doorvragen en confronteren met verklaring van aangeefsters volgde en waarbij verdachte zeker niet altijd het achterste van zijn tong heeft laten zien. De rechtbank heeft geen reden om te denken [minderjarige 1] enkel alleen op dit punt niet de waarheid zou spreken. Dat er ten aanzien van dit punt geen steunbewijs in het dossier zit, maakt weliswaar dat behoedzaamheid moet worden betracht, maar maakt nog niet dat daarom vrijspraak zou moeten volgen. De rechtbank acht dit onderdeel van de tenlastelegging dan ook wettig en overtuigend bewezen.
Aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarigen
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat de slachtoffers [minderjarige 1] , [minderjarige 4] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] de kleinkinderen van verdachte zijn. Tijdens het misbruik verbleven zij bij hun opa of waren zij samen op een andere plek met hem. Daarnaast is [minderjarige 5] een vriendinnetje van de kleindochter van verdachte die bij verdachte kwam paardrijden. De rechtbank stelt vast dat deze minderjarigen aan de zorg en/of waakzaamheid van verdachte waren toevertrouwd.
Conclusie
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
  • zich op meerdere tijdstippen in de periode van 1 januari 2014 tot en met 1 april 2023 in Putten en België meermalen heeft schuldig gemaakt aan het plegen van handelingen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam tegen aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarigen (beneden de leeftijd van twaalf jaren);
  • zich op meerdere tijdstippen in de periode van 13 augustus 2022 tot en met 4 augustus 2023 in Putten schuldig heeft gemaakt aan het buiten echt plegen van ontuchtige handelingen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam tegen een aan zijn zorg toevertrouwede minderjarige (iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren bereikt heeft);
  • zich op meerdere tijdstippen in de periode van 1 januari 2014 tot en met 4 augustus 2023 in Putten schuldig heeft gemaakt aan het buiten echt plegen van ontuchtige handelingen tegen een aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarigen (leeftijd beneden de zestien jaren).

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feiten 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.
hij op
één ofmeer
deretijdstippen in
of omstreeksde periode van 1 januari 2014 tot en met 1 april 2023 te Putten
, althans in Nederland,en
/ofBelgië, meermalen,
althans eenmaal,met
één ofmeer
dereaan zijn zorg
, opleidingen
/ofwaakzaamheid toevertrouwde minderjarigen, te weten
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2006, in
of omstreeksde periode van 1 januari 2014 tot en met 6 april 2014 en
/of
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 3] 2011, in
of omstreeksde periode van 16 februari 2019 tot en met 15 februari 2022 en
/of
- [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 4] 2009, in
of omstreeksde periode van 13 augustus 2015 tot en met 12 augustus 2022 en
/of
- [minderjarige 5] , geboren op [geboortedatum 5] 2010, in
of omstreeksde periode van 1 januari 2022 tot en met 1 april 2023,
die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet hadden bereikt,
(telkens
) een ofmeer
derehandelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [minderjarige 1] en
/of[minderjarige 2] en
/of[minderjarige 3] en
/of[minderjarige 5] , te weten
- het brengen en
/ofbewegen van zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina van die [minderjarige 3]
en
/of
- het brengen en
/ofbewegen van zijn, verdachtes, vinger(s) tussen de schaamlippen van die
[minderjarige 1] en
/of[minderjarige 2] en
/of[minderjarige 3] en
/of[minderjarige 5] ;
2.
hij op
één ofmeer
deretijdstippen in
of omstreeksde periode van 13 augustus 2022 tot en met 4
augustus 2023 te Putten,
althans in Nederland,meermalen,
althans eenmaal,met een aan zijn zorg
, opleiding en/of waakzaamheidtoevertrouwde minderjarige, te weten [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 4] 2009, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt,
(telkens
) een ofmeer
derehandelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [minderjarige 3] , te weten
- het brengen en
/ofbewegen van zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina van die [minderjarige 3] en
/of
- het brengen en
/ofbewegen van zijn, verdachtes, vinger(s) tussen de schaamlippen van die [minderjarige 3]
;
3.
hij op
één ofmeer
deretijdstippen in
of omstreeksde periode van 1 januari 2014 tot en met 4 augustus 2023 te Putten,
althans in Nederland,meermalen,
althans eenmaal,met
één ofmeer
dereaan zijn zorg
, opleidingen
/ofwaakzaamheid toevertrouwde minderjarigen, te weten
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2006, in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2020 en
/of
- [minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum 6] 2004, in of omstreeks de periode van 1 november 2016 tot en met 30 november 2016 en
/of
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 3] 2011, in of omstreeks de periode van 16 februari 2019 tot en met 15 februari 2022 en
/of
- [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 4] 2009, in of omstreeks de periode van 13 augustus 2015 tot en met 4 augustus 2023 en
/of
- [minderjarige 5] , geboren op [geboortedatum 5] 2010, in of omstreeks de periode van 1 januari 2022 tot en met 1 april 2023,
die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet hadden bereikt, buiten echt,
(telkens
) een ofmeer
dereontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten
- het over en/of onder de kleding betasten van en/of knijpen in de borsten en/of billen van die
[minderjarige 1] en
/of[minderjarige 4] en
/of[minderjarige 2] en
/of[minderjarige 3] en
/of[minderjarige 5] en
/of
- het over en/of onder de kleding betasten van de vagina en/of schaamlippen van die [minderjarige 1]
en
/of[minderjarige 4] en
/of[minderjarige 2] en
/of[minderjarige 3] en
/of[minderjarige 5] en
/of
- het over de kleding betasten van de (boven)benen van die [minderjarige 1] en
/of[minderjarige 4] en/of
- het op schoot trekken
/nemenvan die [minderjarige 1] en
/of (daarbij
)te zeggen
/fluisterentegen
die [minderjarige 1] ‘oh nu zit je lekker op mijn piemel’
, althans woorden van gelijke aard en/of
strekkingen
/of
-
(tijdens die ontuchtige handelingen
)tegen die [minderjarige 5] te zeggen ‘oh je hebt ook al haartjes
gekregen’ en
/ofdat ze (de borsten van die [minderjarige 5] ) steeds meer groeiden
, althans woorden van
gelijke aard en/of strekking.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1:
met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd;
feit 2:
met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd;
feit 3:
met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd.

5.De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van vijf jaren. De officier van justitie heeft daarbij de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering gevorderd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft oplegging van een kortere onvoorwaardelijke gevangenisstraf en een proeftijd van drie jaren bepleit. De raadsman heeft daartoe verwezen naar de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich jarenlang en veelvuldig schuldig gemaakt aan het seksueel misbruik van zijn vier kleinkinderen en een vriendinnetje van zijn kleinkind (die verdachte ook “opa” noemde). Het bewezenverklaarde misbruik begon toen de kinderen de leeftijd van twaalf jaar nog niet bereikt hadden. De seksuele handelingen bestonden mede uit het seksueel binnendringen van hun lichamen. Het misbruik vond bovendien veelal plaats op de boerderij waar de kinderen op bezoek waren bij hun opa en oma, een plek waar zij zich bij uitstek veilig hadden moeten voelen.
Verdachte heeft hierdoor op zeer ernstige wijze misbruik gemaakt van zijn morele en fysieke overmacht als opa. Verdachte heeft bevrediging gezocht van zijn eigen seksuele verlangens en is daarbij volledig voorbijgegaan aan onder meer de psychische schade die hierdoor aan de kinderen kon worden toegebracht. Hij heeft geen oog gehad voor hun lichamelijke integriteit en heeft een gezonde seksuele ontwikkeling doorkruist. De slachtoffers leefden maanden en soms jaren in angst dat verdachte weer aan hen zou zitten. Zij deden pas aangifte toen aan het licht kwam dat verdachte meerdere kleinkinderen had misbruikt. De rechtbank benadrukt dat slachtoffers van seksueel geweld in géén geval verantwoordelijk zijn voor wat hen en (mogelijke) latere slachtoffers is aangedaan. De volledige verantwoordelijkheid daarvoor ligt bij verdachte.
Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting de feiten bekend en heeft inmiddels zelf hulp gezocht bij de Waag. Sinds het misbruik bekend werd, heeft verdachte geen contact meer met zijn kleinkinderen.
Uit de justitiële documentatie van verdachte blijkt dat hij niet eerder voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 18 juli 2025. Daaruit volgt dat niet kan worden gesproken van een patroon van strafbaar gedrag, omdat verdachte niet eerder in aanraking kwam met justitie. Het seksueel misbruik vond over meerdere jaren plaats, wat wel wijst op een langdurig en structureel patroon van grensoverschrijdend gedrag ten opzichte van minderjarigen. De belangrijkste risicofactor is dat verdachte seksuele interesse heeft in minderjarige meisjes, zoals ook blijkt uit het feit dat hij in het verleden naar plaatjes van kinderen keek. Verder lijkt er sprake te zijn van een beperkte intelligentie en gebrekkige probleemoplossende vaardigheden. Verdachte vertoont vaker stiekem gedrag.
Beschermende factoren zijn dat verdachte het contact met de familie heeft behouden. Zij zijn op de hoogte van de verdenking en zien er op toe dat hij niet meer alleen is met minderjarigen. Verdachte heeft – wellicht onder druk van de omstandigheden - hulp gezocht bij een forensische polikliniek. Daarnaast gebruikt verdachte lust-remmende medicatie. De reclassering zien mogelijkheden om met interventies het recidiverisico te verlagen. Voortzetting van de behandeling is daarvoor noodzakelijk. Verder richt het reclasseringscontact zich op
risicomanagement, waarbij valt te denken aan toezien op de continuering van de behandeling en zicht houden op zijn contacten met minderjarigen en de slachtoffers. Bij een veroordeling wordt een (deels) voorwaardelijke straf geadviseerd met de volgende bijzondere voorwaarden: meldplicht, ambulante behandeling en vermijden contact met minderjarigen.
Gelet op het voorgaande en op de ernst van de feiten acht de rechtbank enkel een gevangenisstraf passend. Anders dan de verdediging vindt de rechtbank een gevangenisstraf van korte duur niet passend. Het gaat om een langere periode en meerdere slachtoffers. Een kortdurende gevangenisstraf zou daarom onvoldoende recht doen aan de ernst van de feiten en de gevolgen daarvan voor de slachtoffers.
Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van
4 jaren, waarvan 1 jaar voorwaardelijk, passend en geboden is. De rechtbank zal aan het voorwaardelijke gedeelte van de straf de door de reclassering geadviseerde voorwaarden koppelen en een proeftijd van vijf jaren verbinden.

8.De beoordeling van de civiele vorderingen

[minderjarige 4]
De benadeelde partij [minderjarige 4] heeft in verband met het onder feit 3 tenlastegelegde een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 17.500,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 10.000,00, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Voor het overige deel aan immateriële schade heeft de officier van justitie verzocht de
benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering te verklaren.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden gematigd. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat er mogelijk nog andere (civiele) vorderingen van andere slachtoffers worden ingediend.
Overweging van de rechtbank
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde immateriële schade heeft geleden die binnen een van de categorieën van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt. Met het bewezenverklaarde handelen heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op het recht op eerbiediging van de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij en is de benadeelde op andere wijze in de persoon aangetast. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit - waarbij sprake is van het eenmaal betasten van het lichaam - en de jonge leeftijd van het slachtoffer - en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op de Rotterdamse Schaal. Naar maatstaven van billijkheid zal zij immateriële schade vaststellen op € 5.000,00. Voor het meerdere is de vordering onvoldoende onderbouwd. Voor het overige verklaart de rechtbank de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk in de vordering tot immateriële schade.
Het enkele feit dat er mogelijk meer slachtoffers recht hebben op een schadevergoeding dan zich in deze procedure hebben gemeld, is geen reden om de hoogte van de schadevergoeding van [minderjarige 4] te matigen.
Verdachte is vanaf 30 november 2016 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht de aan de benadeelde partijen toegewezen bedragen aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
[minderjarige 1]
De benadeelde partij [minderjarige 1] heeft in verband met het onder feiten 1 en 3 tenlastegelegde een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 17.500,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden gematigd tot een bedrag van € 10.000,00. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat er mogelijk nog andere (civiele) vorderingen van andere slachtoffers worden ingediend.
Overweging van de rechtbank
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde immateriële schade heeft geleden die binnen een van de categorieën van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt. Met het bewezenverklaarde handelen heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op het recht op eerbiediging van de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij en is de benadeelde op andere wijze in de persoon aangetast. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van de feiten - waarbij sprake is van het meermalen binnendringen in het lichaam en het meermalen betasten van het lichaam - en de jonge leeftijd van het slachtoffer - en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op de Rotterdamse Schaal. Naar maatstaven van billijkheid zal zij immateriële schade vaststellen op € 10.000,00. Voor het meerdere is de vordering onvoldoende onderbouwd. Voor het overige verklaart de rechtbank de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk in de vordering tot immateriële schade.
Het enkele feit dat er mogelijk meer slachtoffers recht hebben op een schadevergoeding dan zich in deze procedure hebben gemeld, is geen reden om de hoogte van de schadevergoeding van [minderjarige 1] te matigen.
Verdachte is vanaf 31 december 2020 wettelijke rente over de toegewezen bedragen verschuldigd.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht de aan de benadeelde partijen toegewezen bedragen aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 245 (oud), 247 (oud) en 248 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

10.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
4 (vier) jaren;
  • bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten
  • stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
 stelt als bijzondere voorwaarden dat:
  • veroordeelde zich binnen drie dagen na het ingaan meldt bij de Reclassering Nederland aan [adres 2] in Zutphen. Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
  • veroordeelde zich laat behandelen door de forensische polikliniek de Waag in Amersfoort of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt;
  • Veroordeelde zoekt op geen enkele wijze contact met minderjarigen. Hij vermijdt deze contacten zoveel mogelijk. Als contacten onvermijdelijk zijn, zorgt veroordeelde dat zijn echtgenote of ander belangrijke personen uit zijn netwerk die weet hebben van de veroordeling hierbij aanwezig zijn;
 geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de genoemde voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Hierbij gelden als voorwaarden dat verdachte:
  • meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
  • meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
De beslissing op de vorderingen van de benadeelde partijen
 veroordeelt verdachte in verband met het feit onder feiten 1, 2 en 3 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partijen [minderjarige 4] en [minderjarige 1] van de volgende bedragen aan immateriële schade, telkens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de genoemde datum tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
Benadeelde partij Bedrag Wettelijke rente

1. [minderjarige 4] € 5.000,00 30 november 2016

2. [minderjarige 1] € 10.000,00 31 december 2020
 veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en de kosten die de benadeelde partijen mogelijk nog moeten maken om de te noemen bedragen betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
 verklaart de benadeelde partijen [minderjarige 4] en [minderjarige 1] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot immateriële schade;
 legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de volgende benadeelde partijen de hier na te noemen bedragen aan immateriële schade te betalen. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf genoemde datum tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als het bedrag niet wordt betaald, kan gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
Benadeelde partij Bedrag Gijzeling
1. [minderjarige 4] € 5.000,00 50 dagen;
2. [minderjarige 1] € 10.000,00 75 dagen.
 bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partijen in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Schoo (voorzitter), mr. S.C.A.M. Janssen en mr. I.S. Termaat, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Wisseborn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 januari 2026.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024525017, gesloten op 11 februari 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.