ECLI:NL:RBGEL:2026:6028

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
C/05/465707
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:81 BWArt. 1:84 BWArt. 1:397 lid 2 BWArt. 1:400 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorzieningen alimentatie en zorgregeling na echtscheiding

De rechtbank Gelderland behandelde een verzoek tot voorlopige voorzieningen in een echtscheidingsprocedure tussen een man en een vrouw met drie minderjarige kinderen. De vrouw vroeg onder meer om toewijzing van de kinderen, een zorgregeling, uitsluitend gebruik van de echtelijke woning en alimentatie.

De rechtbank wees de kinderen toe aan de vrouw en stelde een zorgregeling vast waarbij de kinderen twee weekenden achter elkaar bij de man verblijven in de weken dat hij op de wal is, met een verdeling van vakanties en feestdagen in onderling overleg. De vrouw kreeg het uitsluitend gebruik van de woning toegewezen, waarbij de man de woning moest verlaten.

De rechtbank berekende de alimentatiebijdrage van de man op €267 per kind per maand, rekening houdend met het netto besteedbaar inkomen en draagkracht van beide partijen. De rechtbank oordeelde dat onvoldoende concreet was gesteld dat de man een inkomen uit aanmerkelijk belang geniet bovenop zijn DGA-salaris, en dat de man in deze voorlopige voorziening geen draagkracht heeft voor partneralimentatie. Het verzoek van de vrouw tot bijdrage in haar levensonderhoud werd daarom afgewezen.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en er is geen hoger beroep mogelijk tegen deze voorlopige voorzieningen.

Uitkomst: De rechtbank wijst de voorlopige voorzieningen toe voor toewijzing kinderen, zorgregeling, uitsluitend gebruik woning en legt alimentatiebijdrage van €267 per kind per maand op aan de man; partneralimentatie wordt afgewezen.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK GELDERLAND
Familie- en jeugdrecht
Zittingsplaats Arnhem
Zaakgegevens: C/05/465707 / FA RK 26-1362
Datum uitspraak: 14 juli 2026
beschikking voorlopige voorzieningen
in de zaak van
[naam vrouw](nader te noemen: de vrouw),
wonend in [woonplaats] , gemeente [woongemeente] ,
advocaat mr. R.M. van Breemen uit Rijen, gemeente Gilze en Rijen,
tegen
[naam man](nader te noemen: de man),
wonend in [woonplaats] , gemeente [woongemeente] ,
advocaat mr. S. Hussl te Amersfoort.
De procedure
1.1. De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
- het verzoekschrift van de vrouw met producties, binnengekomen op 8 april 2026;
- het F9-formulier van de man met producties, binnengekomen op 18 juni 2026;
- het verweerschrift van de man met zelfstandige verzoeken en producties, binnengekomen op 24 juni 2026;
- het F9-formulier van de vrouw met productie, binnengekomen op 27 juni 2026;
- het F9-formulier van de vrouw met productie, binnengekomen op 28 juni 2026;
- het F9-formulier van de vrouw met producties, binnengekomen op 29 juni 2026;
- de nadere productie van de vrouw, overgelegd op de zitting.
1.2. Aan partijen is mediation aangeboden. De mediation heeft niet tot overeenstemming geleid.
1.3. De zaak is besproken op de zitting van 30 juni 2026 met gesloten deuren. Daarbij waren beide partijen aanwezig, bijgestaan door hun advocaten. Ook was een zittingsvertegenwoordigster van de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad) aanwezig.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn op [huwelijksdatum] in de gemeente [huwelijksgemeente] met elkaar gehuwd in gemeenschap van goederen.
2.2.
Partijen zijn de ouders van de minderjarige kinderen:
  • [naam kind 1], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ;
  • [naam kind 2], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ;
  • [naam kind 3], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] .
2.3.
De vrouw heeft op 20 januari 2026 een verzoekschrift tot echtscheiding ingediend (aanhangig onder procedurenummer C/05/462077 ES RK 26-19)

3.De beoordeling

Ordemaatregel
3.1.
De rechtbank stelt voorop dat de voorlopige voorzieningenprocedure is gericht op het verkrijgen van een ordemaatregel in een situatie waarin een beslissing in de hoofdzaak niet kan worden afgewacht en waarin een zekere mate van spoedeisendheid aan de orde is. Gelet hierop zal de rechtbank volstaan met een beknopte motivering.
De toevertrouwing van de kinderen
3.2.
De vrouw verzoekt te bepalen dat de kinderen aan haar worden toevertrouwd. De man heeft hiertegen geen verweer gevoerd, zodat de rechtbank het verzoek van de vrouw toewijst.
De zorgregeling
3.3.
De vrouw verzoekt om een zorgregeling vast te stellen waarbij de kinderen een keer per veertien dagen van vrijdagmiddag 15:00 uur tot zondagavond 19:30 uur bij de man verblijven, en waarbij de man de kinderen ophaalt en terugbrengt naar de vrouw. Zij verzoekt ook te bepalen dat de kinderen gedurende in onderling overleg nader overeen te komen dagen in de vakanties bij de man verblijven. De man voert verweer en verzoekt bij zelfstandig verzoek een voorlopige zorgregeling vast te stellen waarbij de kinderen in de weken dat de man op de wal is twee weekenden achter elkaar bij de man verblijven van vrijdag 15:00 uur tot zondag 19:00 uur, waarbij de vrouw de kinderen vrijdag om 15:00 uur op de parkeerplaats bij afrit Vuren op de A15 overdraagt aan de man, en de man de kinderen zondags om 19:00 uur daar weer overdraagt aan de vrouw. De man wil daarnaast de helft van alle vakanties en feestdagen met de kinderen doorbrengen, in onderling overleg nader overeen te komen, althans een zodanige voorlopige zorgregeling als de rechtbank in goede justitie juist acht.
3.4.
Partijen zijn het er op de zitting over eens geworden dat de kinderen in de weken dat de man op de wal is twee weekenden achter elkaar bij de man verblijven van vrijdag 14:30 uur tot zondag 19:00 uur, waarbij de vrouw de kinderen vrijdag om 14:30 uur op de parkeerplaats bij afrit Vuren op de A15 overdraagt aan de man, en de man de kinderen daar op zondag om 19:00 uur weer overdraagt aan de vrouw. De rechtbank zal zo beslissen.
3.5.
Partijen zijn het niet eens geworden over de verdeling van de vakanties en feestdagen. De vrouw verwacht dat het met het werk van de man niet haalbaar is om de vakanties en feestdagen bij helfte te verdelen. De man is namelijk schipper. Hij is twee weken op het schip en twee weken op de wal. Vooraf is volgens de vrouw niet goed in te schatten wanneer de man precies op het schip is. Daarbij is in het verleden volgens de vrouw gebleken dat het de man niet lukte om de kinderen in de helft van de vakanties te hebben, waardoor hij destijds een beroep op de vrouw heeft moeten doen. Volgens de man is het wel haalbaar om de vakanties en feestdagen bij helfte te verdelen. Hij is structureel twee weken achter elkaar aan wal, zodat de kinderen in ieder geval op die momenten bij de man kunnen verblijven. Als het zo uitkomt dat een vakantie van de kinderen voor een deel in de periode valt dat de man op het schip verblijft, dan kunnen de kinderen volgens de man mee op het schip. Dat hebben partijen in het verleden ook gedaan toen zij nog samen waren. Hoewel de vrouw er nu niet meer bij zal zijn om de zorg voor de kinderen op haar te nemen als de man moet werken, kan dat volgens de man goed opgevangen worden door zijn personeel. Zijn personeel kan zijn werk overnemen, of de zorg voor de kinderen. De man geeft aan dat partijen nog niet zo lang uit elkaar zijn, en dat zij nog een draai moeten vinden in de verdeling van de vakanties.
3.6.
Ondanks dat partijen verschillende gedachten hebben over de vakanties hebben zij op de zitting allebei aangegeven dat zij in staat zijn om te overleggen over de vakanties en feestdagen en dat dit in het verleden ook is gelukt. Omdat het vanwege het werk van de man voor de rechtbank niet mogelijk is om een vaste verdeling van de vakanties en feestdagen te maken, en zij er vertrouwen in heeft dat partijen dit in onderling overleg kunnen regelen, bepaalt zij dat partijen de vakanties en feestdagen in onderling overleg moeten verdelen, waarbij de vakanties en feestdagen in beginsel bij helfte worden verdeeld. Daarbij moet wel het uitgangspunt zijn dat de kinderen niet, of in ieder geval niet langer dan één week, op het schip van de man verblijven.
Het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning en de gebruiksvergoeding
3.7.
De vrouw verzoekt te bepalen dat zij bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de woning aan de [adres] in ( [postcode] ) [woonplaats] , met de daarbij behorende inboedel. De vrouw ziet daarnaast graag dat de rechtbank in de overwegingen opneemt dat de man alle lasten verbonden aan de echtelijke woning moet voldoen. De man voert verweer en verzoekt om afwijzing. De man verzoekt voorwaardelijk (bij toewijzing van het verzoek van de vrouw) bij zelfstandig verzoek te bepalen dat de vrouw alle lasten voor de woning moet voldoen, dan wel aan de vrouw een gebruiksvergoeding op te leggen van € 542,25 per maand plus de gebruikslasten aan de man te voldoen, althans dit in de overwegingen op te nemen.
3.8.
De rechtbank is van oordeel dat er zodanige spanningen tussen partijen bestaan, dat aan één van hen het recht moet worden toegekend de woning met uitsluiting van de ander te bewonen. De rechtbank kent het uitsluitend gebruik van de woning aan de vrouw toe. Zij heeft de meeste zorg voor de kinderen die ook in de woning wonen en heeft als enige om het uitsluitend gebruik verzocht.
3.9.
Het verzoek te bepalen dat de vrouw bij uitsluiting van de man het uitsluitend gebruik van de inboedelgoederen krijgt, wijst de rechtbank af. Onder het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning valt namelijk ook het gebruik van de inboedel uit de woning.
3.10.
Beide partijen willen dat de ander de lasten van de woning moet betalen. De vrouw wil dat de rechtbank hierover een bepaling opneemt in de overwegingen en de man doet een voorwaardelijk zelfstandig verzoek. De rechtbank verklaart de man ontvankelijk in zijn verzoek. Het is, anders dan de vrouw betoogt, namelijk wel mogelijk om bij voorlopige voorziening te bepalen dat aan de echtgenoot die bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning, dit gebruik slechts wordt toegekend tegen betaling van een bijdrage in de kosten. [1]
3.11.
De rechtbank ziet in deze zaak echter geen aanleiding om te bepalen dat de woonlasten volledig voor rekening van één partij komen, of om een gebruiksvergoeding toe te kennen. Partijen zijn gezamenlijk eigenaar van de echtelijke woning. Zolang de verdeling van de woning nog niet heeft plaatsgevonden, blijven partijen mede-eigenaar. Op grond van artikelen 1:81 BW en 1:84 BW geldt dat partijen elkaar tijdens het huwelijk het nodige moeten verschaffen. Daarbij past naar het oordeel van de rechtbank geen veroordeling in de volledige woonlasten of een vergoeding voor het gebruik van de echtelijke woning. De rechtbank wijst het verzoek van de man af.
De bijdrage in de kosten van de kinderen
3.12.
De vrouw verzoekt te bepalen dat de man aan haar een bedrag van € 506 per kind per maand betaalt als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, bij vooruitbetaling te voldoen, althans een zodanige bedrag als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren. De man voert verweer en verzoekt bij zelfstandig verzoek een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen vast te stellen van € 230 per kind per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van de datum van de beschikking, dan wel een zodanig voorlopig bedrag met ingang van een zodanige datum als de rechtbank in goede justitie juist acht.
Conclusie
3.13.
De rechtbank beslist dat de man met een bedrag van € 267 per kind per maand moet bijdragen in de kosten van de kinderen, vanaf de datum van deze beschikking. De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt. Daarbij gaat zij in op de standpunten van partijen, voor zover die voor de beoordeling van belang zijn. De berekeningen die de rechtbank heeft gemaakt, zijn als bijlagen aan deze beschikking toegevoegd. Bij de berekeningen rondt de rechtbank af op hele euro’s.
Ingangsdatum
3.14.
Tijdens de zitting bleek dat partijen het met elkaar eens zijn om de datum van deze beschikking als ingangsdatum te hanteren. De rechtbank zal zo beslissen.
Kinderen gaan voor op de partner
3.15.
De vrouw verzoekt ook om een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud. De behoefte van kinderen is belangrijker dan de behoefte van een partner. [2] De rechtbank bepaalt daarom eerst de hoogte van de bijdrage in de kosten van de kinderen, om daarna te beoordelen in hoeverre er nog ruimte is voor een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw.
Behoefte van de kinderen
3.16.
Bij de berekening van de bijdrage in de kosten van de kinderen wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind zijn. Dat wordt de ‘behoefte’ van het kind genoemd. De hoogte van de behoefte hangt af van de hoogte van het gezinsinkomen. Hoe meer ouders te besteden hebben, hoe meer zij uitgeven aan hun kinderen. Verder wordt rekening gehouden met het aantal kinderen dat tot het gezin behoort. Uit onderzoek blijkt namelijk dat naarmate er meer kinderen tot het huishouden behoren, de totale kosten van de kinderen weliswaar stijgen, maar dat de gemiddelde kosten per kind daartegenover dalen. De rechtbank moet daarom eerst vaststellen wat de ouders te besteden hadden toen zij nog bij elkaar waren. Partijen zijn het erover eens dat hiervoor gekeken moet worden naar de tweede helft van 2025. De man is namelijk in december 2025 uit de echtelijke woning vertrokken.
3.17.
De vrouw berekent het inkomen van de man op € 239.700 bruto, bestaande uit een DGA-salaris van € 77.700 en een inkomen uit aanmerkelijk belang van € 162.000. De man berekent zijn inkomen op € 77.705 bruto, bestaande uit een DGA-salaris. De man houdt daarbij rekening met een premie voor inkomensvoorzieningen van € 12.000 bruto. Volgens de man ontvangt hij geen inkomen uit aanmerkelijk belang.
3.18.
De rechtbank overweegt dat niet (voldoende concreet) is gesteld of gebleken dat de man tijdens het huwelijk van partijen een inkomen uit aanmerkelijk belang van € 162.000 heeft genoten, bovenop zijn DGA-salaris. Voor zover de vrouw zich op het standpunt stelt dat de man tijdens het huwelijk een inkomen uit aanmerkelijk belang van € 162.000 had kunnen verwerven, gaat de rechtbank daaraan voorbij. Voor de behoefte moet namelijk gekeken worden naar de feitelijke welstand van partijen tijdens het huwelijk.
3.19.
Voor zover de vrouw stelt dat het inkomen van de man uit 2025 gebaseerd moet worden op zijn inkomen uit 2023, gaat de rechtbank ook daaraan voorbij. De situatie van 2023 verschilt namelijk wezenlijk van die in 2025. In 2023 was de man samen met zijn vader mede-eigenaar van Firma [naam firma] (hierna: de Firma), allebei voor de helft. De activiteiten van de Firma bestonden voornamelijk uit (de deelname in) de exploitatie van meerdere binnenvaartschepen, zo volgt uit de jaarstukken uit 2023 van de Firma. De activiteiten van de Firma zijn inmiddels gestaakt en de schepen waarmee de omzet binnen de Firma werd gegenereerd zijn verkocht. In 2024 zijn de besloten vennootschappen [de holding] BV (hierna: de holding) en [de beheermaatschappij] BV (de beheermaatschappij) opgericht. De man is enig aandeelhouder van de holding en de holding is op haar beurt enig aandeelhouder van de beheermaatschappij. De activiteiten van de beheermaatschappij bestaan voornamelijk uit het exploiteren van binnenvaartschepen via deelnemingen en/of fiscaal transparante samenwerkingsverbanden, zo volgt uit haar jaarstukken 2025. De beheermaatschappij is vennoot van de [naam VOF] (hierna: de VOF) en heeft daarin een aandeel van 33%. In de VOF zit een schip, het motortankschip [het schip] (hierna: [het schip] ), waarmee de omzet wordt gegenereerd. De beheermaatschappij is ook nog vennoot (50%) van de Firma, maar die is niet meer actief. Gelet op de veranderingen die er tussen 2023 en 2025 hebben plaatsgevonden, is het inkomen van de man in 2023 uit de Firma naar het oordeel van de rechtbank niet representatief voor het inkomen van de man op het moment van het uiteengaan van partijen (eind 2025).
3.20.
De rechtbank berekent het inkomen van de man daarom op basis van het inkomen dat hij in 2025 daadwerkelijk heeft verdiend. Daarvoor kijkt de rechtbank naar de jaaropgave 2025 van de man. Daaruit volgt een bruto jaarsalaris van € 77.705. De rechtbank houdt daarbij rekening met de gebruikelijke inhouding loonheffing, de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. Ook houdt de rechtbank rekening met een premie Zorgverzekeringswet van € 3.990, omdat de man directeur-grootaandeelhouder is. Het netto besteedbaar maandinkomen (NBI) van de man is dan € 4.039. [3]
3.21.
De rechtbank houdt daarbij geen rekening met de door de man opgevoerde premie voor inkomensvoorzieningen van € 12.000. De vrouw is het niet eens met deze premie omdat deze in het zicht van de scheiding zou zijn betaald. Volgens de man is een discussie over de premie niet nodig, omdat de premie enkel als aftrekpost dient. De premie zou het NBI van de man juist verhogen. De rechtbank volgt de man niet in deze stelling. Uit post 117 van de alimentatieberekening van de man volgt namelijk dat de premie ten laste komt van het NBI van de man. [4] Omdat de premie een negatief effect heeft op het NBI van de man, moet de rechtbank beoordelen of daarmee rekening gehouden moet worden bij de bepaling van het NBI. De rechtbank constateert in de aangifte inkomstenbelasting 2025 van de man dat de man zijn jaarruimte in 2022 tot en met 2024 niet heeft benut. Hierdoor heeft de man in 2025 een reserveringsruimte van € 11.636 opgebouwd. In 2025 benut de man zijn reserveringsruimte vervolgens volledig met een inleg van € 12.000. Naar het oordeel van de rechtbank is het onder deze omstandigheden niet redelijk om rekening te houden met een premie voor inkomensvoorzieningen van € 12.000. Daarbij weegt de rechtbank mee dat de man de premie naar eigen zeggen heeft opgevoerd vanuit de gedachte dat dit zijn NBI niet zou verlagen (maar verhogen).
3.22.
De rechtbank berekent het inkomen van de vrouw op basis van haar jaaropgave 2025. Partijen zijn het hiermee eens. Uit de jaaropgave 2025 van de vrouw volgt een Wajonguitkering van € 20.077. De rechtbank houdt daarbij rekening met de gebruikelijke inhouding loonheffing en de algemene heffingskorting. Het NBI van de vrouw is dan € 1.330. [5]
3.23.
Naast hun eigen inkomsten ontvingen partijen ook nog een kindgebonden budget van € 271 per maand. Nu de rechtbank weet wat partijen te besteden hadden, kan de rechtbank berekenen welk gedeelte daarvan ongeveer aan de kinderen werd uitgegeven en wat dus de behoefte van de kinderen is. Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de tabellen die het Nederlands Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) heeft ontwikkeld. Uit die tabellen volgt dat ouders bij een gezinsinkomen van € 5.640, gemiddeld € 1.386 per maand uitgaven voor hun kinderen in 2025, dus per kind € 462. Gecorrigeerd voor de inflatie (geïndexeerd) is dat nu in 2026 afgerond € 484 per kind per maand.
Draagkracht van partijen
3.24.
Bij de berekening van de bijdrage in de kosten van de kinderen moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van de ouders kan betalen. Dat wordt ook wel de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd. Volgens de wet moeten de ouders namelijk naar draagkracht in de behoefte van de kinderen voorzien. [6]
3.25.
Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de methode die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld. Bij die methode kijkt de rechtbank naar wat er van het inkomen van een ouder overblijft nadat de noodzakelijke lasten zijn betaald. Aan de inkomstenkant rekent de rechtbank met het netto besteedbaar maandinkomen (NBI) van een ouder. Aan de uitgavenkant rekent zij met een woonbudget van 30% van het NBI en een forfaitair bedrag voor vaste lasten. Dat forfaitaire bedrag is gebaseerd op de bijstandsnorm. Daarnaast kan de rechtbank ook rekening houden met eventuele overige lasten. Die lasten moeten dan niet verwijtbaar en niet vermijdbaar zijn. Alle uitgaven vormen met elkaar het ‘draagkrachtloos inkomen’. Het NBI verminderd met het draagkrachtloos inkomen leidt tot de ‘draagkrachtruimte’. Van de draagkrachtruimte is 70% beschikbaar voor de kinderen. In dit geval ziet die berekening er als volgt uit: 70% [NBI - (NBI X 0,3 + 1365)].
Draagkracht van de man
3.26.
De man berekent zijn inkomen op € 6.476 bruto per maand uit DGA-salaris. De vrouw betwist dit salaris niet, maar stelt dat het inkomen van de man moet worden verhoogd met een inkomen uit aanmerkelijk belang. De vrouw noemt hiervoor wisselende bedragen, maar de rechtbank begrijpt de vrouw zo dat de man in ieder geval een inkomen uit aanmerkelijk belang van € 162.000 bruto zou moeten kunnen verwerven.
3.27.
De rechtbank overweegt dat niet (voldoende concreet) is gesteld of gebleken dat de man een inkomen uit aanmerkelijk belang van € 162.000 geniet, bovenop zijn DGA-salaris. De rechtbank moet daarom beoordelen of de man het gestelde inkomen uit aanmerkelijk belang redelijkerwijs kan verwerven.
3.28.
De man stelt dat de holding, de beheermaatschappij en de VOF in 2024 en 2025 verlies hebben geleden en verwijst daarvoor naar de betreffende jaarstukken van 2024 en 2025, en naar de geconsolideerde vereenvoudigde overzichten van de holding en de beheermaatschappij. Volgens de man is er gelet op het verlies geen ruimte voor dividenduitkeringen. De vrouw stelt dat de jaarstukken van 2025 van (zo begrijpt de rechtbank) de verschillende vennootschappen een vertekend beeld geven en dat aan de hand daarvan niet geconcludeerd kan worden dat er geen ruimte is voor dividenduitkeringen. Het schip waarmee de omzet wordt gegenereerd, [het schip] , is namelijk pas eind augustus 2025 te water gelaten nadat het schip in een deel van 2024 en 2025 is gebouwd. Daarvoor is er geen omzet gegenereerd. Om vast te kunnen stellen wat een realistisch resultaat is, moet de omzet in de jaarstukken van de VOF van 2025 daarom geëxtrapoleerd worden van vier naar twaalf maanden. De kosten kunnen volgens de vrouw gelijk blijven. De vrouw stelt dat de VOF in de situatie dat het schip het volledige jaar zou hebben gevaren geen verlies van € 216.227 zou hebben geleden, maar een winst zou hebben gerealiseerd van € 605.106. De vrouw merkt verder op dat de rekening-courant vordering van de beheermaatschappij op de holding in 2024 is toegenomen met € 162.625, ondanks dat in dat jaar aan het schip is gebouwd. In 2025 is die rekening-courant vordering verder toegenomen met bijna € 5.000. De rekening-courant vordering van de holding op de man bedroeg in 2025 € 19.332, ondanks dat in dat jaar acht maanden geen omzet is gegenereerd. Volgens de vrouw volgt uit deze rekening-courant verhoudingen dat er in 2026 een enorm nettoresultaat behaald moet kunnen worden. De vrouw verwijst tot slot naar een brief van Trendco B.V. aan de man van 3 januari 2024 met een omzetprognose in verband met de aankoop van het [het schip] . Trendco B.V. geeft in deze brief aan er vertrouwen in te hebben dat de omzet van € 1.650.000, welke over de laatste jaren is gerealiseerd, ook naar de toekomst toe behaald zal worden. Volgens de vrouw zijn de vennootschappen van de man gezond en is er in 2026 ruimte voor dividenduitkeringen.
3.29.
De man stelt dat er alleen vanuit de holding dividend kan worden uitgekeerd aan de man, en dat er binnen de holding geen ruimte is voor dividenduitkeringen. De man verwijst daarbij naar de balans van 2025 van de holding. Volgens de man bezit de holding over te weinig liquide middelen. De holding zou de uitkeringstoets niet doorstaan. Het is daarbij niet realistisch om de jaarrekening van 2025 van de VOF te extrapoleren zoals de vrouw heeft gedaan, omdat de vrouw alleen de omzet extrapoleert en niet ook de kosten. De kosten waren volgens de man in 2025 aanzienlijk lager dan in de situatie dat het schip het volledige jaar zou varen. De rekening-courant vorderingen waar de vrouw naar verwijst zijn volgens de man niet relevant voor de beoordeling of er dividend kan worden uitgekeerd. De enige rekening-courant verhouding die wel relevant is, is die tussen de man en de holding van € 19.332. Deze vordering van de holding op de man is ontstaan omdat de man geld moest lenen voor de huurlasten van zijn huidige woning. Dit is een lening die de man moet terugbetalen aan de holding. De rekening-courant vordering van de beheermaatschappij op de holding in 2024 van € 162.625 heeft niets te maken met de man. Dat is een rekening-courant verhouding tussen twee Bv’s. De door de vrouw aangehaalde omzetprognose is verder niet realistisch, omdat de feitelijke omstandigheden afwijken van de aannames in die prognose, zo stelt de man. Het schip is bijvoorbeeld enkele maanden later te water gegaan dan verwacht en de bouwkosten waren in de werkelijkheid hoger. Volgens de man moet van zijn huidige DGA-salaris worden uitgegaan. De man geeft daarbij aan dat zijn huidige salaris ook niet wezenlijk verschilt van het inkomen van de man toen hij nog mede-eigenaar was van de Firma. Het inkomen van de man bedroeg toen namelijk ongeveer € 62.000 netto, bestaande uit maandelijkse opnames van € 4.000 netto en een extra opname aan het einde van het jaar.
3.30.
De rechtbank stelt voorop dat de voorlopige voorzieningenprocedure zich niet leent voor een uitvoerig onderzoek naar de draagkracht van de man. Discussies over welk inkomen de man redelijkerwijs kan verwerven kunnen en moeten nader in de bodemprocedure worden gevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man in deze procedure voorlopige voorzieningen voldoende gemotiveerde betwist dat er binnen de ondernemingen ruimte is om dividend uit de keren, mede door het overleggen van recente financiële stukken. Uit de overgelegde jaarrekeningen van de diverse vennootschappen volgt dat alle vennootschappen in 2024 en 2025 verlies hebben geleden en dat zij allemaal over negatieve reserves beschikken. Hierdoor ziet de rechtbank in deze voorlopige voorzieningenprocedure geen aanleiding om het inkomen van de man te verhogen met dividenduitkeringen.
3.31.
Overigens kan op basis van de jaarstukken 2025 van de VOF naar het oordeel van de rechtbank niet geconcludeerd worden dat er in 2026 ruimte zal zijn voor dividenduitkeringen. Omdat het schip pas eind 2025 te water is gelaten, bieden de resultaten van deze eerste maanden dat het schip heeft gevaren onvoldoende basis om de prestaties voor heel 2026 te voorspellen. Daarnaast ontbreekt inzicht in de kosten bij de volledige inzet van het schip. In deze voorlopige voorzieningenprocedure is geen ruimte voor een verdergaand onderzoek op dit punt.
3.32.
Ook de rekening-courant verhoudingen bieden volgens de rechtbank geen basis voor de conclusie dat er ruimte is voor dividenduitkeringen. Vanwege de rekening-courant vordering van de beheermaatschappij op de holding heeft de holding, en daarmee indirect de man, een schuld bij de beheermaatschappij. Dit pleit eerder voor de onmogelijkheid van een dividenduitkering, dan voor de mogelijkheid daarvan. Niet gebleken is ook dat de opnamen uit rekening-courant door de holding bij de beheermaatschappij ten goede zijn gekomen van de man in privé. De rechtbank stelt vast dat er in de afgelopen jaren veel ontwikkelingen zijn geweest. De activiteiten in de Firma zijn gestaakt, er zijn drie schepen verkocht, er zijn twee besloten vennootschappen opgericht en er is een nieuw schip aangekocht. Het nieuwe schip is pas recent te water gelaten en er wordt sinds kort omzet gegenereerd. De nieuwe situatie is nog pril en de man is met zijn nieuwe ondernemingsstructuur in de opbouwfase. In de toekomst zal moeten blijken of er ruimte is voor dividenduitkeringen. De man heeft op de zitting aangegeven dat de alimentatie opnieuw berekend kan worden als blijkt dat er in de ruimte is voor dividenduitkeringen. Mogelijk is daarover meer bekend in de bodemprocedure.
3.33.
De vrouw verwijst nog naar de jaarstukken van de Firma van 2023 en stelt dat daaruit overboekingen naar privébetaalrekeningen van € 565.500 blijken. De rechtbank constateert met de man dat de overboekingen waar de vrouw op doelt betalingen zijn die zijn verricht aan de vader van de man. Dat daargelaten ziet de rechtbank geen aanleiding om de draagkracht van de man op de jaarrekening 2023 van de Firma te baseren. Voor de motivering daarvan verwijst de rechtbank verwijst naar de overweging die zij hierover bij de bepaling van de behoefte van de kinderen heeft gemaakt.
3.34.
De rechtbank berekent het NBI van de man op basis van het inkomen dat de man daadwerkelijk verdient. Daarvoor kijkt de rechtbank naar de meest recente overgelegde salarisstrook van juni 2026. Daaruit volgt een bruto maandsalaris van € 6.475,47. De rechtbank houdt daarbij rekening met de gebruikelijke inhouding loonheffing, de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. Ook houdt de rechtbank rekening met een premie Zorgverzekeringswet van € 3.769 per jaar, omdat de man directeur-grootaandeelhouder is. De rechtbank houdt geen rekening met de premie voor inkomensvoorzieningen van de man van € 12.000 en hanteert daarvoor dezelfde overweging als zij hiervoor bij de bepaling van de behoefte van de kinderen heeft gehanteerd. Het NBI van de man is dan € 4.091. [7]
3.35.
Op basis van de hiervoor genoemde formule heeft de man een draagkracht van € 1.049 per maand.
Draagkracht van de vrouw
3.36.
De rechtbank berekent het NBI van de vrouw op basis van de meest recente overgelegde uitkeringsspecificatie van januari 2026. Partijen zijn het hiermee eens. Uit de uitkeringsspecificatie van januari 2026 volgt een Wajonguitkering van € 1.606,02 bruto per maand. De vrouw heeft daarnaast recht op een vakantietoeslag van 8%. De rechtbank houdt daarbij rekening met de gebruikelijke inhouding loonheffing en de algemene heffingskorting. Ook rekent de rechtbank met een kindgebonden budget met alleenstaande ouderkop van € 11.156 in 2026. Het NBI van de vrouw is dan € 2.304 per maand. [8]
3.37.
Op basis van de hiervoor genoemde formule heeft de vrouw een draagkracht van € 174 per maand.
Verdeling van de kosten
3.38.
Als de ouders samen genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van hun kind, dan moet de rechter berekenen wie welk deel van de kosten voor zijn rekening moet nemen. Dat wordt de ‘draagkrachtvergelijking’ genoemd.
3.39.
Een vergelijking is hier niet nodig omdat de man en de vrouw samen niet genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van de kinderen. Hun gezamenlijke draagkracht is € 1.223 per maand, terwijl de kosten van de kinderen € 1.452 per maand zijn. Zij komen dus samen een bedrag van € 229 per maand tekort. Zij moeten daarom ieder hun volledige draagkracht gebruiken. Dat betekent dat de man met € 1.049 per maand moet bijdragen in de kosten van de kinderen.
Zorgkorting
3.40.
De man maakt op de dagen dat de kinderen bij hem verblijven kosten voor eten en drinken, energielasten en dergelijke: de verblijfskosten. Daarmee voldoet de man – deels – aan zijn onderhoudsverplichting. Voor zover daartegenover een besparing in die kosten van de kinderen staat, verlaagt de rechtbank in beginsel de bijdrage van de man met een percentage van de behoefte van de kinderen: de ‘zorgkorting’.
3.41.
De kinderen verblijven, inclusief vakanties en feestdagen, gemiddeld 2 dagen per week bij de man. Daarbij past een zorgkorting van 25% van de behoefte, dus € 363 per maand. Maar omdat er hier een tekort aan draagkracht is, zal de rechtbank deze korting niet volledig toepassen. Als de man namelijk alle kosten die hij maakt voor de kinderen in mindering mag brengen op de alimentatie, dan komt het hele tekort aan draagkracht op de schouders van de vrouw te rusten. De vrouw moet tenslotte ook kosten voor de kinderen maken, die zij eigenlijk niet kan dragen. In dat geval moet ieder de helft van het tekort dragen, dus een bedrag van afgerond € 115 per maand. Dit betekent dat de rechtbank slechts een zorgkorting van (363 -/- 115 =) € 248 per maand in mindering brengt. Er blijft dan een bedrag van (1.049 -/- 248 =) € 801 per maand over dat de man moet bijdragen in de kosten van de kinderen. Dat is € 267 per kind per maand.
Vooruitbetalen
3.42.
De man moet de bijdrage in de kosten van de kinderen steeds vóór de eerste dag van de maand vooraf betalen. Het gaat namelijk om een bijdrage in de kosten die in die maand gemaakt worden en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas later in die maand wordt betaald.
De bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw
3.43.
De vrouw verzoekt te bepalen dat de man aan haar een bedrag van € 2.200 per maand betaalt als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud, bij vooruitbetaling te voldoen, althans een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren. De man voert verweer en verzoekt om afwijzing.
Conclusie
3.44.
De rechtbank stelt vast dat de man geen draagkracht heeft om bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw. De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw daarom af. De rechtbank legt dat hierna uit. Daarbij gaat zij in op de standpunten van partijen, voor zover die voor de beoordeling van belang zijn. De berekeningen die de rechtbank heeft gemaakt, zijn als bijlagen aan deze beschikking toegevoegd. Bij de berekeningen rondt de rechtbank af op hele euro’s.
Huwelijksgerelateerde behoefte
3.45.
Bij de berekening van de bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw stelt de rechtbank eerst het bedrag vast dat de vrouw nodig heeft om haar kosten van te kunnen betalen. Dat wordt de ‘behoefte’ genoemd. Daarbij kijkt de rechtbank niet alleen naar de puur noodzakelijke kosten die de vrouw moet maken, maar ook naar de welstand waarin partijen hebben geleefd en naar wat de vrouw daardoor gewend was uit te geven. Daarom wordt dat de ‘huwelijksgerelateerde behoefte’ genoemd.
3.46.
Voor de vaststelling van die huwelijksgerelateerde behoefte is een vuistregel ontwikkeld, de ‘hofnorm’. Die hofnorm neemt het gezinsinkomen van toen partijen nog bij elkaar waren als uitgangspunt. De gedachte is dat partijen gewend waren om daar met zijn tweeën van te leven. Dat betekent dat ieder van hen de helft van dat inkomen nodig heeft om de uitgaven te blijven doen, zoals diegene gewend was tijdens het huwelijk. Maar beide partijen hebben na de scheiding meer geld nodig, omdat het leven voor alleenstaanden nu eenmaal duurder is dan voor gehuwden. Zij kunnen kosten niet meer met een ander delen en daarom gaat de hofnorm ervan uit dat de behoefte 60% van het gezinsinkomen is.
3.47.
De rechtbank stelt de huwelijksgerelateerde behoefte vast aan de hand van dezelfde gegevens als waar de kosten van de kinderen op zijn gebaseerd. De rechtbank heeft het netto gezinsinkomen hiervoor berekend op € 5.640 in 2025. Hiervan trekt de rechtbank de kosten van de kinderen af, omdat partijen door deze kosten minder te besteden hadden voor zichzelf. In 2025 bedroegen de kosten van de kinderen € 1.386 per maand. Na aftrek van de kosten van de kinderen resteerde een bedrag van € 4.254 per maand dat tijdens het huwelijk beschikbaar was voor partijen. Van dat inkomen heeft de vrouw volgens de hofnorm 60% nodig. Dat is € 2.552 netto per maand. Geïndexeerd naar 2026 is dat € 2.669 netto per maand.
Behoeftigheid
3.48.
Vervolgens onderzoekt de rechtbank of de vrouw redelijkerwijs in staat is om zelf dat bedrag (€ 2.669) te verdienen. Als de vrouw daar niet toe in staat is, dan is zij ‘behoeftig’.
3.49.
De rechtbank rekent voor het inkomen van de vrouw met dezelfde gegevens als hiervoor bij de bijdrage in de kosten van de kinderen is gedaan, met uitzondering van het kindgebonden budget. Het kindgebonden budget is namelijk bedoeld voor de kinderen. Het NBI van de vrouw is dan € 1.374 per maand. [9] Daarop moet het aandeel van de vrouw in de kosten van de kinderen van € 174 per maand in mindering worden gebracht. Deze kosten worden echter volledig gedekt door het kindgebonden budget dat de vrouw ontvangt. Hiervoor is berekend dat de vrouw in 2026 een kindgebonden budget van € 11.156 ontvangt. Dat is afgerond € 930 per maand. Op het NBI brengt de rechtbank daarom niet de kosten van de kinderen in mindering. De vrouw kan hierdoor met een bedrag van € 1.374 netto per maand in haar eigen behoefte voorzien.
3.50.
Als het inkomen van de vrouw in mindering wordt gebracht op de huwelijksgerelateerde behoefte van € 2.669 netto per maand, resteert een aanvullende behoefte van € 1.295 netto per maand. Als de vrouw een bijdrage in haar levensonderhoud ontvangt, dan moet zij daarover nog inkomstenbelasting en een bijdrage voor de Zorgverzekeringswet betalen. Daarom bruteert de rechtbank voormeld nettobedrag tot € 2.384 per maand. [10]
Draagkracht van de man
3.51.
Vervolgens onderzoekt de rechtbank in hoeverre de man die bijdrage kan betalen. Dat wordt de ‘draagkracht’ genoemd.
3.52.
Daarvoor hanteert de rechtbank dezelfde methode en dezelfde gegevens als bij de bijdrage in de kosten van de kinderen, alleen wordt een draagkrachtpercentage van 60% gebruikt in plaats van 70%. De formule wordt dan: 60% [NBI – (NBI X 0,3 + 1365)].
3.53.
Er is dan een bedrag beschikbaar van € 899 per maand. Omdat de bijdrage in de kosten van de kinderen voorgaat op de bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw [11] , komt het hiervoor berekende aandeel van de man in de kosten van de kinderen van € 1.049 per maand hierop nog in mindering. Er blijft dan geen draagkracht voor partneralimentatie.
Redelijkheid en billijkheid
3.54.
De vrouw heeft op de zitting nog een beroep gedaan op de redelijkheid en de billijkheid. Volgens de vrouw zou het namelijk onredelijk zijn als de man geen bijdrage in haar levensonderhoud hoeft te betalen. De rechtbank passeert deze stelling, wegens een gebrek aan (voldoende concrete) onderbouwing.
Uitvoerbaar bij voorraad
3.55.
Tegen voorlopige voorzieningen is geen hoger beroep mogelijk. Met het geven van deze beschikking tot het treffen van een voorlopige voorziening is de onmiddellijke uitvoerbaarheid ervan gegeven. Er is dus geen belang bij het verzoek om de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren en daarom wijst de rechtbank het verzoek af.
De proceskosten
3.56.
Voorlopige voorzieningen maken formeel deel uit van de echtscheidingsprocedure. Een proceskostenveroordeling in voorlopige voorzieningen is om die reden niet mogelijk. De rechtbank verklaart de vrouw daarom niet-ontvankelijk in haar verzoek.

4.De beslissing

De rechtbank beslist als voorlopige voorziening(en) het volgende:
4.1.
bepaalt dat de minderjarige kinderen:
  • [naam kind 1], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ;
  • [naam kind 2], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ;
  • [naam kind 3], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ;
aan de vrouw worden toevertrouwd;
4.2.
stelt vast als regeling ter verdeling van zorg- en opvoedingstaken dat kinderen bij de man verblijven:
  • twee weekenden achter elkaar in de weken dat de man op de wal is van vrijdag 14:30 uur tot zondag 19:00 uur, waarbij de vrouw de kinderen vrijdag om 14:30 uur op de parkeerplaats bij afrit Vuren op de A15 overdraagt aan de man, en de man de kinderen daar op zondag om 19:00 uur weer overdraagt aan de vrouw;
  • in beginsel voor de helft van de vakanties en feestdagen, waarbij het uitgangspunt is dat de kinderen niet, of in ieder geval niet langer dan één week, op het schip van de man verblijven.
4.3.
bepaalt dat de vrouw met ingang van de datum van deze beschikking bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning gelegen aan de [adres] in ( [postcode] ) [woonplaats] , met bevel dat de man die woning dient te verlaten en deze verder niet mag betreden;
4.4.
bepaalt dat de man met ingang van de datum van deze beschikking als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen aan de vrouw moet betalen € 267 per kind per maand, vanaf nu telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
4.5.
verklaart de vrouw niet-ontvankelijk ten aanzien van haar verzoek over de proceskosten;
4.6.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.P. Mesman, rechter, in tegenwoordigheid van mr. D. van Klinken als griffier en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026.
[ Alimentatieberekening verwijderd ter anonimisatie.]

Voetnoten

1.Hoge Raad 15 oktober 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1099.
2.Artikel 1:400 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek.
3.Bijlage 1: NBI van de man tijdens het huwelijk.
4.Door de man overgelegd als productie 20.
5.Bijlage 2: NBI van de vrouw tijdens het huwelijk.
6.Artikel 1:397 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek.
7.Bijlage 3: NBI van de man.
8.Bijlage 4: NBI van de vrouw.
9.Zie bijlage 4 voor het NBI van de vrouw.
10.Zie bijlage 4 voor de brutering van de behoefte.
11.Artikel 1:400 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek.