ECLI:NL:RBGEL:2026:6056

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
27 juli 2026
Publicatiedatum
27 juli 2026
Zaaknummer
05/023118-26
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 245 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor gekwalificeerde verkrachting van minderjarig meisje met bijzondere voorwaarden

De rechtbank Gelderland heeft verdachte veroordeeld voor het plegen van gekwalificeerde verkrachting op een meisje van toen vijftien jaar. De feiten vonden plaats op 28 maart 2025 in Doetinchem, waarbij verdachte seksuele handelingen verrichtte die bestonden uit het betasten en binnendringen van de vagina van het slachtoffer. Verdachte maakte misbruik van zijn fysieke en leeftijdsgebonden overwicht en overrompelde het slachtoffer, wat leidde tot een beangstigende situatie.

De bewijsvoering bestond uit de gedetailleerde en consistente verklaringen van het slachtoffer, getuigenverklaringen, geluidsopnames en de eigen bekentenis van verdachte. De rechtbank verwierp het verweer van verdachte dat er geen dwang of bedreiging was en achtte de gekwalificeerde verkrachting wettig en overtuigend bewezen. Verdachte werd vrijgesproken van de strafverzwarende omstandigheid dat het slachtoffer in een bijzondere kwetsbare positie verkeerde, wegens gebrek aan wetenschap daarvan.

De rechtbank legde een gevangenisstraf op van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, inclusief bijzondere voorwaarden zoals reclasseringstoezicht en behandeling gericht op gedragsverandering. Daarnaast werd verdachte veroordeeld tot betaling van €3.500 aan smartengeld aan het slachtoffer, vermeerderd met wettelijke rente. De rechtbank nam ook de impact op het slachtoffer en de ernst van het delict mee in de strafoplegging.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, en betaling van €3.500 smartengeld aan het slachtoffer.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/023118-26
Datum uitspraak : 27 juli 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 1987 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] te [woonplaats] .
Raadsman: mr. M. Rasterhoff, advocaat in Amsterdam.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 28 maart 2025 te Doetinchem, althans in Nederland, met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [minderjarige] , een of meer seksuele handelingen, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht,
te weten
- het brengen en/of bewegen van een of meer vingers in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [minderjarige] en/of
- het betasten van de vagina en/of schaamstreek van die [minderjarige] en/of
- het betasten van de borsten van die [minderjarige] en/of
- het kussen en/of zoenen van die [minderjarige] ,
en welke verkrachting werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door
- voornoemde seksuele handelingen onverhoeds te verrichten en/of die [minderjarige] hiermee te overrompelen en/of
- een of meer lampen (in de woning) uit te doen/zetten en/of
- ( terwijl die [minderjarige] op de bank lag) de deken van die [minderjarige] af te trekken/halen en/of
- de broek van die [minderjarige] uit te trekken en/of
- de onderbroek van die [minderjarige] aan de kant te schuiven/doen en/of
- zijn, verdachtes, eigen broek en/of onderbroek uit en/of naar beneden te trekken/doen en/of
- voorbij te gaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van verzet/weerstand van die [minderjarige] en/of
- misbruik te maken van een uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en/of het uit zijn, verdachtes, leeftijd voortvloeiende fysieke en/of geestelijke overwicht en/of
- ( hierdoor) een zodanig bedreigende en/of beangstigende situatie te creëren dat die [minderjarige] zich niet aan bovengenoemde seksuele handelingen kon en/of durfde te onttrekken,
terwijl dit feit werd begaan onder de in artikel 245, eerste lid, onder a en/of b, omschreven omstandigheden, te weten
- jegens een anderszins aan de zorg, waakzaamheid en/of opleiding van verdachte toevertrouwd kind en/of
- jegens een kind in een bijzonder kwetsbare positie ten gevolge van een psychische stoornis, een verstandelijke en/of lichamelijke handicap, een situatie van afhankelijkheid en/of een staat van lichamelijke en/of geestelijke onmacht.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de verkrachting van [minderjarige] , voorafgegaan en vergezeld van dwang, terwijl [minderjarige] aan de zorg en waakzaamheid van verdachte was
toevertrouwd. Voor de overige delen van de tenlastelegging dient verdachte partieel te worden vrijgesproken.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat niet wordt betwist dat verdachte de handelingen heeft verricht zoals onder de eerste vier gedachtestreepjes ten laste zijn gelegd. De raadsman heeft verzocht verdachte vrij te spreken voor de gekwalificeerde variant, wegens het ontbreken van dwang, geweld of bedreiging, evenals voor de strafverzwarende omstandigheid dat het feit is begaan tegen een aan de zorg van verdachte toevertrouwd kind, een kind in een bijzonder kwetsbare positie of dat misbruik is gemaakt van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht.
Beoordeling door de rechtbank
Op 29 maart 2025 heeft [minderjarige] (verder: [minderjarige] ), geboren op [geboortedag] 2010, in het informatieve gesprek zeden verklaard dat zij op 28 maart 2025 bij [verdachte] (verder: verdachte) en [getuige] (de rechtbank leest: [getuige] ) was. Verdachte en [getuige] zijn haar buren. [minderjarige] , verdachte en [getuige] waren in de woonkamer. Op enig moment is [getuige] naar boven gegaan en [minderjarige] bleef met verdachte beneden. [minderjarige] lag op de bank met een dekentje over haar heen. [minderjarige] heeft verklaard dat verdachte ineens het dekentje van haar aftrok en aan haar ging zitten ‘van onder’. [minderjarige] was bang op dat moment. Verdachte had de joggingbroek van [minderjarige] aan de onderzijde bij haar enkels vastgepakt en uitgetrokken, daarna had hij haar onderbroek aan de kant gedaan. Verdachte is vervolgens met zijn hand op de vagina en in de vagina van [minderjarige] geweest. Verdachte heeft op een gegeven moment zijn hand uit haar vagina gehaald en deed hierna zijn eigen joggingsbroek en boxershort uit. Op dat moment kwam [getuige] ineens naar beneden. [minderjarige] had aan [getuige] precies verteld wat er was gebeurd. [2]
Op 2 april 2025 heeft [aangever] (verder: [aangever] ), moeder van [minderjarige] , aangifte gedaan namens haar dochter. [aangever] heeft verklaard dat zij werd gebeld door [getuige] , dit was een soort broekzakgesprek. [aangever] hoorde [minderjarige] en [getuige] huilen op de achtergrond, zij leken allebei overstuur. [aangever] hoorde een vaag verhaal over of verdachte wel of geen onderbroek aan had. Later belde [getuige] [aangever] terug en zei dat zij naar de woning moest komen. Omdat verdachte buiten stond, ontzettend boos was en compleet van de wereld leek, heeft [aangever] 112 gebeld. [aangever] heeft [minderjarige] samen met de politie opgehaald uit de woning. Binnen heeft [minderjarige] verteld wat er was gebeurd. [aangever] heeft verklaard dat [minderjarige] bang is en niet langs de woning van verdachte durft. Ze slaapt slecht en wordt van ieder geluid wakker. [3]
Op 15 april 2025 is [minderjarige] gehoord bij de politie. Zij heeft verklaard dat verdachte de stad in was geweest, terugkwam en dronken was. Hij deed raar, anders. [getuige] ging naar boven en verdachte bleef bij [minderjarige] . Ze keek tv toen verdachte aan haar ging zitten in de woonkamer op de bank. Verdachte schoof over de bank naar haar toe en kuste haar op haar wang. Hierna zat hij aan haar borsten met zijn hand, dit was over de kleding. Vervolgens ging hij met zijn hand naar beneden naar haar vagina. Dit was eerst op haar broek op haar vagina, daarna deed hij haar broek uit. Verdachte stond voor haar en trok aan de onderkant van haar joggingbroek haar broek uit. Hij deed vervolgens haar onderbroek aan de kant. Via de zijkant ging verdachte met zijn vinger in de vagina van [minderjarige] , hij zat voor haar op zijn knieën. Het was op dat moment donker omdat verdachte de lampen had uitgedaan. Verdachte had zijn broek uitgedaan. [getuige] kwam beneden en deed het licht aan. Op dat moment zag [minderjarige] dat de onderbroek van verdachte uit was. [4]
Verbalisant [verbalisant 1] (verder: verbalisant) is op 29 maart 2025 omstreeks 00:15 uur ter plaatse gekomen. Zij heeft verklaard dat zij met [aangever] sprak die zei dat haar dochter in de woning was. Op dat moment zag de verbalisant [minderjarige] naar buiten lopen. Zij zag dat [minderjarige] verdrietig was en snel op haar moeder afliep. Buiten voor de woning stond [getuige] . De verbalisant zag dat [getuige] emotioneel was. De verbalisant hoorde dat [getuige] verklaarde dat [minderjarige] bij hen logeerde, dit gebeurde vaker. Normaal bracht zij [minderjarige] naar bed, maar die avond had zij dit aan verdachte overgelaten. Toen [getuige] naar beneden was gekomen had ze verdachte met [minderjarige] op de bank aangetroffen. [getuige] had gezien dat verdachte geen broek en onderbroek aan had. [minderjarige] had alleen haar string en bovenkleding aan. [getuige] zag dat [minderjarige] compleet verstijfd op de bank lag en angstig uit haar ogen keek. [getuige] had gevraagd wat er gaande was, waarop verdachte zei dat zij hem een verkrachter had genoemd. [getuige] verklaarde dat zij filmpjes had opgenomen van wat zich had afgespeeld. Dit waren filmpjes met zwart beeld waar alleen geluid op te horen was. De verbalisant herkende op het ene filmpje de stem van [getuige] , ook hoorde zij de stem van een jonger meisje, die haar collega herkende als de stem van [minderjarige] . Op het andere filmpje herkende zij de stem van verdachte en [getuige] . [5]
Door de politie zijn een tweetal geluidsfragmenten uitgewerkt. Op het ene fragment zijn twee vrouwelijke stemmen te horen die het volgende bespreken:
“A: Heeft hij jou aangeraakt? Van onder.
Wat heeft ie gedaan?
B: Met zijn vinger in mijn ...
A: En je hebt hier niet zelf om gevraagd?
Nee, natuurlijk niet. Natuurlijk heb je er niet zelf om gevraagd.
Hoe is dit begonnen dan?
B: Sinds wanneer jij wegliep ging hij mij kussen en alles.
A: Waarom heb je mij niet geroepen?
B: Ik was bang. Ik was bang dat hij mij ging slaan. Waar is mama?”
Op het andere fragment is een mannelijke en een vrouwelijke stem te horen die onder andere het volgende bespreken:
“M: Ik moord jullie allemaal uit.
O: V slaat een kreet van schrik en huilt.
V: Doe normaal.
M: Kom maar, ik moord jullie allemaal uit. [onverstaanbaar]. Kom maar. Komen ze al aan. Ik ga wel mee, ja. Daar komt de politie aan. 't Is nou, schat, het is nou aan wat JIJ zegt. Ik heb niks gedaan. Wat jij wil, zegt maar. Zeg maar, kom, kom, kom, kom. Zeg dan: ik heb het gedaan. Kom. Zeg dan: ik heb haar verkracht. Kom, kom.
V: Ik heb echt niet gezegd datje haar hebt verkracht.
M: Kom, kom, kom, kom.
V: Ik vraag jou wat er gebeurt is!
M: Kom kom, kom, kom, kom. Vertel. Zeg dan: ik heb haar verkracht.
V: Ik heb niet gezegd datje haar verkracht hebt!. Ik vraag jou wat er gebeurt is. Ik vraag mij alleen af waarom jij aan je piemel zit.
M: LUISTER! Ja, ik zat met mijn broek op de enkels, waarom weet ik ook niet. Dat was stom. Dat slaat nergens op.
V: Maar zij heeft de broek ook naar beneden!
M: MAAR
V: Daarom vraag ik: hoe is dit gebeurd.
O: M. begint al te praten verwijl V. nog aan het woord is.
M; Ho, luister door alsjeblieft normaal. Er is niks aan de hand, oké? Alsjeblieft? Alsjeblieft? Of moet ik mee?
V: Kijk nou watje aan het doen bent? En dan vindt je het gek dat ik niet bang ben?
M: Ja. Schat, ik snap het, ik snap het.” [6]
In de nacht van 28 op 29 maart 2025 heeft [aangever] het volgende gesprek via WhatsApp met [getuige] :
“ [getuige] om 04:17 uur: Echt sorry [aangever] dat ik er niet eerder was beneden.. ik voel me echt zo ontzettend schuldig.
[aangever] om 04:18 uur: Je kunt er niks aan doen. De fout ligt bij [verdachte] .
[getuige] om 04:19 uur: Ik wou haar al eerder naar bed brengen.. maar ze was serie of iets kijken. Toen zei hij ach laat haar toch nog even. Ik rook een joint, zorg dat ze boven naar bed gaat en dan kom ik ook slapen.
[getuige] om 04:20 uur: Had heb later al paar x geappt. Want d8 duurt wel lang, mss is hij op de bank in slaap gevallen.. kreeg geen reactie dus d8 dan slaapt ie. Ga ik hem naar boven halen. Kom ik beneden alle lampen uit,. Dus ik doe de lampen aan en toen zag ik dat dus.
(…)
[getuige] om 04:40 uur: Heb hem meerdere x gevraagd hoe het heeft kunnen gebeuren. Hoe het zover heeft kunnen komen. Wat er in godsnaam in hem om ging om zo’n grote fout te begaan. Enige wat ie zegt is dat ie het niet weet.” [7]
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij [minderjarige] in de keuken een kus heeft gegeven. Toen zij terug was in de woonkamer is verdachte ook naar de woonkamer gelopen. Hij heeft de lichten uitgedaan en is naar [minderjarige] gegaan die op de bank lag. Het deken waar [minderjarige] onder lag, is van haar verwijderd. Verdachte is vervolgens met zijn vinger bij [minderjarige] naar binnen gegaan. Hij heeft daarna zijn broek en nderbroek naar beneden getrokken. [8]
Algemene overwegingen ten aanzien van bewijs in zedenzaken
Ten laste is gelegd dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een zedenfeit. De rechtbank stelt voorop dat in zedenzaken zich regelmatig de situatie voordoet dat er slechts twee personen aanwezig waren bij de ten laste gelegde seksuele handelingen: de aangever en de vermeende dader. In deze zaak is dit niet anders.
Bij een ontkennende verdachte brengt dit in veel gevallen met zich dat slechts de verklaringen van de aangever als wettig bewijsmiddel voorhanden zijn. Op grond van het bepaalde in artikel 342, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering (Sv) is de enkele verklaring van één getuige in beginsel onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Daar staat tegenover dat in zedenzaken een geringe mate aan steunbewijs in combinatie met de betrouwbare verklaringen van de aangever voldoende wettig bewijs kan opleveren. De rechtbank zal dan ook de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangever moeten beoordelen. Indien de rechtbank de verklaringen betrouwbaar acht, moet worden beoordeeld of deze verklaringen steun vinden in andere bewijsmiddelen.
Waardering van het bewijs
[minderjarige] heeft – kort gezegd – verklaard dat verdachte haar heeft gedwongen om seksuele handelingen te ondergaan die door hem werden verricht. De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van [minderjarige] op hoofdlijnen consistent en gedetailleerd zijn, zowel op het moment dat de politie ter plaatse komt, als tijdens het informatief gesprek zeden als in het latere verhoor op 15 april 2025. De inconsistenties die door de raadsman in zijn pleidooi zijn aangehaald zijn niet van dusdanig gewicht dat dit de betrouwbaarheid van haar verklaringen aantast. De rechtbank acht de verklaringen van [minderjarige] betrouwbaar en dus bruikbaar voor het bewijs.
De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen op meerdere belangrijke punten bevestiging vinden in andere stukken in het dossier. [getuige] heeft in het gesprek met verbalisant [verbalisant 1] verklaard dat zij beneden kwam en verdachte en [minderjarige] op de bank aantrof, de lichten aandeed en heeft gezien dat verdachte geen broek en onderbroek aan had en [minderjarige] alleen een string en shirt aan had. [minderjarige] lag op dat moment ‘volledig verstijfd’ op de bank en keek angstig uit haar ogen, aldus [getuige] . [getuige] heeft vervolgens twee geluidsopnames gemaakt, waarop te horen is dat [getuige] aan [minderjarige] vraagt of verdachte haar heeft aangeraakt, waarop [minderjarige] antwoordt ‘met zijn vinger in mij’ en ‘hij ging mij kussen en alles’. Vervolgens heeft [getuige] de moeder van [minderjarige] gebeld, [aangever] . Dit was een soort broekzak gesprek, waarbij [aangever] hoorde dat zij allebei huilden en overstuur leken. Ook hoorde zij een ‘vaag’ verhaal over of verdachte wel of geen onderbroek aan had. Tot slot heeft verdachte zelf verklaard dat hij [minderjarige] heeft gezoend op haar mond en zijn vinger in haar vagina heeft gebracht. De verklaring van verdachte dat hij in de keuken met [minderjarige] zou hebben besproken of zij al eens was klaargekomen en of zij dit nog eens wilde, doordat verdachte haar zou vingeren, acht de rechtbank volstrekt ongeloofwaardig en schuift deze ter zijde.
Verkrachting
Op basis van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte [minderjarige] heeft gekust, haar schaamstreek/vagina en borsten heeft betast en zijn vinger in haar vagina heeft gebracht. Daarmee heeft verdachte seksuele handelingen verricht, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaar.
In zoverre is het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.
Gekwalificeerde verkrachting
Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan gekwalificeerde verkrachting. De rechtbank stelt vast dat verdachte de lampen heeft uitgedaan toen hij de woonkamer inliep, vervolgens de deken die over [minderjarige] heen lag van haar heeft afgetrokken, haar broek bij haar enkels naar beneden heeft getrokken en daarna onverhoeds zijn vinger in haar vagina heeft gebracht. Verdachte heeft met zijn handelen [minderjarige] overrompeld. Daar komt bij dat aan de zijde van verdachte niet alleen sprake was van fysiek overwicht, maar ook van overwicht gelet op zijn leeftijd. Hiermee heeft hij naar het oordeel van de rechtbank een zodanig beangstigende situatie voor [minderjarige] gecreëerd dat zij zich niet aan de seksuele handelingen kon en durfde te onttrekken.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat sprake was van dwang. Daarmee acht de rechtbank gekwalificeerde verkrachting in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren wettig en overtuigend bewezen.
Strafverzwarende omstandigheden
De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of de seksuele handelingen hebben plaatsgevonden onder omstandigheden waarbij [minderjarige] aan de zorg, waakzaamheid en/of opleiding van verdachte was toevertrouwd en of zij in een bijzondere kwetsbare positie verkeerde, gelet op haar geestelijke en/of lichamelijke gesteldheid. De rechtbank oordeelt hierover als volgt. [minderjarige] logeerde in de nacht van 27 op 28 maart 2025 bij [getuige] en verdachte. [minderjarige] logeerde vaker bij hen, waarbij [getuige] [minderjarige] normaal gesproken zelf naar bed bracht, maar dit keer had zij dit aan verdachte overgelaten omdat zij wegens buikpijn naar bed moest. [minderjarige] was nog een serie aan het kijken en verdachte heeft gezegd dat hij ervoor zou zorgen dat zij naar boven naar bed zou gaan. De rechtbank is van oordeel dat [getuige] op dit moment de zorg voor [minderjarige] aan verdachte heeft overgedragen.
De rechtbank spreekt verdachte partieel vrij van het deel van de tenlastelegging dat ziet op de kwetsbare positie gelet op de geestelijke en/of lichamelijke gesteldheid van [minderjarige] wegens het ontbreken van de wetenschap van verdachte daartoe. Alhoewel bij [minderjarige] een verstandelijke beperking is vastgesteld, en zij op een van de agenten jonger overkwam dan haar kalenderleeftijd, valt uit het dossier niet te herleiden dat verdachte hier ook daadwerkelijk de wetenschap van had.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op
of omstreeks28 maart 2025 te Doetinchem,
althans in Nederland,met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [minderjarige] ,
een of meerseksuele handelingen, die
bestonden uit ofmede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht,
te weten
- het brengen en
/ofbewegen van een
of meervinger
sin de vagina en
/oftussen de schaamlippen van die [minderjarige] en
/of
- het betasten van de vagina en
/ofschaamstreek van die [minderjarige] en
/of
- het betasten van de borsten van die [minderjarige] en
/of
- het kussen
en/of zoenen van die [minderjarige] ,
en welke verkrachting werd voorafgegaan
door,envergezeld
van en/of gevolgddoor dwang
, geweld en/of bedreiging,door
- voornoemde seksuele handelingen onverhoeds te verrichten en
/ofdie [minderjarige] hiermee te overrompelen en
/of
- een of meer lampen
(in de woning
)uit te doen
/zettenen
/of
-
(terwijl die [minderjarige] op de bank lag
)de deken van die [minderjarige] af te trekken
/halenen
/of
- de broek van die [minderjarige] uit te trekken en
/of
- de onderbroek van die [minderjarige] aan de kant te schuiven
/doenen
/of
- zijn, verdachtes, eigen broek en
/ofonderbroek
uit en/ofnaar beneden te trekken/doen en
/of
- voorbij te gaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van verzet/weerstand van die [minderjarige] en/of
- misbruik te maken van een uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en
/ofhet uit zijn, verdachtes, leeftijd voortvloeiende fysieke
en/of geestelijkeoverwicht en
/of
-
(hierdoor
)een zodanig
bedreigende en/ofbeangstigende situatie te creëren dat die [minderjarige] zich niet aan bovengenoemde seksuele handelingen kon en
/ofdurfde te onttrekken,
terwijl dit feit werd begaan onder de in artikel 245, eerste lid, onder a
en/of b, omschreven omstandigheden, te weten
- jegens een anderszins aan de zorg
en, waakzaamheid
en/of opleidingvan verdachte toevertrouwd kind.
en/of
- jegens een kind in een bijzonder kwetsbare positie ten gevolge van een psychische stoornis, een verstandelijke en/of lichamelijke handicap, een situatie van afhankelijkheid en/of een staat van lichamelijke en/of geestelijke onmacht.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
gekwalificeerde verkrachting in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren, begaan jegens een anderszins aan de zorg, waakzaamheid of zorg van diegene toevertrouwd kind.

5.De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met daarbij de bijzondere voorwaarden, zoals door de reclassering in het rapport van 9 juli 2026 zijn geadviseerd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat in het voordeel van verdachte rekening moet worden gehouden met het feit dat geen sprake is geweest van geweld of bedreiging. Een langdurige gevangenisstraf zal een grote impact hebben op verdachte en zijn gezin. Verdachte staat open voor hulpverlening die hem in het kader van een voorwaardelijke straf kan worden geboden. Tot slot heeft de raadsman verzocht om rekening te houden met de VI-regeling, waarbij verdachte – indien aan hem een deels voorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd – het gehele onvoorwaardelijke strafdeel moet uitzitten.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het onverhoeds plegen van seksuele handelingen bij een destijds vijftienjarig meisje, door haar te zoenen, haar borsten te betasten en zijn vinger in haar vagina te brengen. Verdachte was haar buurman en kende haar al meerdere jaren. [minderjarige] sliep vaker bij hen, waardoor er ook sprake was van een zekere vertrouwensband. Verdachte heeft met zijn handelen dit vertrouwen beschaamd en op ernstige wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van [minderjarige] . De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij kennelijk zijn eigen lustgevoelens heeft laten prevaleren boven de belangen en gevoelens van [minderjarige] en daarbij geen enkel oog heeft gehad voor de gevolgen hiervan voor haar. Dat het nog steeds grote impact heeft op [minderjarige] is ook naar voren gekomen uit de, ter zitting voorgelezen, slachtofferverklaring. Ook ter zitting lijkt verdachte slechts beperkt verantwoordelijkheid te nemen voor wat er is gebeurd en lijkt zich meer zorgen te maken over de gevolgen die deze zaak voor hemzelf heeft gehad, onder andere omdat hij met zijn gezin Arnhem heeft moeten ontvluchten als gevolg van zijn handelen.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het justitiële documentatie van verdachte van 15 juni 2026, waaruit volgt dat hij niet eerder veroordeeld voor soortgelijke feiten.
Uit het door de reclassering opgestelde advies van 9 juli 2026 blijkt dat door de reclassering geen duidelijk objectief beeld kan worden geschetst van de criminogene factoren die hebben geleid tot het plegen van het delict, doordat verdachte het delict bij de reclassering heeft ontkend en zegt zich de situatie niet meer te kunnen herinneren. Het psychosociaal functioneren van verdachte wordt door de reclassering echter wel als risicofactor gezien. Daarnaast stellen zij dat er weinig stabiliteit is in het leven van betrokkene, zo staat hij nergens ingeschreven, is er geen structurele dagbesteding, heeft hij geen inkomen en zijn er bij de reclassering aanwijzingen voor psychische en/of persoonlijkheidsproblematiek en een licht verstandelijke beperking. De partnerrelatie van verdachte wordt als een beschermende factor gezien. Het risico op recidive wordt door de reclassering ingeschat als laag. Hierbij wordt betrokken dat er geen contact is met het slachtoffer en er geen sprake lijkt te zijn van een sociaal netwerk, waardoor verdachte voornamelijk tijd met zijn gezin doorbrengt. Echter, doordat verdachte op dit moment problemen heeft op diverse leefgebieden, in combinatie met zijn beperkte copingvaardigheden, heeft de reclassering wel zorgen over mogelijke recidive in het algemeen. Geadviseerd wordt om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met bijzondere voorwaarden.
De rechtbank heeft ten aanzien van het bepalen van de straf aansluiting gezocht bij straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd, waardoor de rechtbank tot een lagere straf komt dan door de officier van justitie is geëist. De rechtbank is van oordeel dat een gevangenisstraf van 12 maanden passend en geboden is. De rechtbank zal bepalen dat 6 maanden daarvan voorwaardelijk zullen worden opgelegd en zal daaraan een proeftijd van 3 jaren verbinden. De rechtbank is van oordeel dat met deze straf enerzijds recht wordt gedaan aan de ernst van het feit en anderzijds ontstaat hierdoor ook de mogelijkheid om uitvoering te geven aan de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, waarbij verdachte een flinke stok achter de deur heeft om zich te committeren aan het reclasseringstoezicht.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.

8.De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [minderjarige] heeft in verband met het ten laste gelegde een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 6.500,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard, gelet op het bepleitte verweer. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden gematigd. De Rotterdamse schaal gaat uit van de oude bepalingen in de zedentitel. Gelet daarop is het passend om aan te sluiten bij paragraaf 15.2, categorie c en niet bij paragraaf 15.1.
Overweging van de rechtbank
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door de bewezen gekwalificeerde opzetverkrachting schade heeft geleden die binnen één van de categorieën van artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek valt. Door de verkrachting en de omstandigheden waaronder deze plaatsvond is de benadeelde op andere wijze in de persoon aangetast. De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan die conclusie rechtvaardigen. De nadelige gevolgen van de bewezen verklaarde verkrachting liggen zo voor de hand dat daarvan aangenomen kan worden dat sprake is van aantasting in de persoon op andere wijze. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen en met de Rotterdamse schaal. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 3.500,- vaststellen.
De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Verdachte is vanaf 28 maart 2025 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 248 en 254 van het Wetboek van Strafrecht.

10.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden;
  • bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten
  • stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
 stelt als bijzondere voorwaarden dat:
- veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;
- veroordeelde zich gedurende de proeftijd laat behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op het aanleren van coping vaardigheden, sociale vaardigheden en seksueel grensoverschrijdend gedrag;
- veroordeelde zich laat begeleiden op het gebied van praktische zaken, door een instantie;
- veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2010 te [geboorteplaats] ;
- veroordeelde zich inspant voor het vinden en behouden van werk of een andere vorm van dagbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
 geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de hierboven genoemde voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
 Hierbij gelden als voorwaarden dat verdachte:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
- meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
  • veroordeelt verdachte in verband met het feit tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [minderjarige] van € 3.500,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 maart 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
  • veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
 verklaart de benadeelde partij [minderjarige] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot smartengeld;
  • legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [minderjarige] , een bedrag te betalen van € 3.500,- aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 maart 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 35 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
  • bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.M. Stratenus (voorzitter), mr. Y.H.M. Marijs en mr. R.M.H. Pennings, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L. Willems en mr. S.C. Lakkas, griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 juli 2026.
mr. H.M. Stratenus is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 2] van de politie Oost-Nederland, Dienst Regionale Recherche, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer DAKAR/ONRBC25424, gesloten op 3 november 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden, p. 17-19.
3.Proces-verbaal van aangifte, p. 22-26.
4.Proces-verbaal van bevindingen, p. 52-56.
5.Proces-verbaal van bevindingen, p. 12-14.
6.Proces-verbaal van bevindingen, p. 70-71.
7.Bijlage bij proces-verbaal van aangifte, p. 27-44.
8.Verklaring van verdachte ter terechtzitting, d.d. 13 juli 2026.