ECLI:NL:RBGEL:2026:608

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
28 januari 2026
Zaaknummer
05/017983-21
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Medeplegen van gewoontewitwassen met criminele herkomst van geld en voertuigen

Op 29 januari 2026 heeft de Rechtbank Gelderland uitspraak gedaan in de zaak tegen een verdachte die zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van gewoontewitwassen. De verdachte, geboren in 1975 en woonachtig in Beneden-Leeuwen, heeft samen met haar partner gedurende een periode van vier maanden geld ontvangen waarvan zij wist dat dit afkomstig was van criminele activiteiten. Dit geld werd gebruikt voor de aankoop van twee personenauto's, een Audi Q5 en een Audi Q2, met contante betalingen die niet te relateren zijn aan legale inkomsten. De rechtbank heeft vastgesteld dat er geen bewijs was voor een specifiek gronddelict, maar dat de verdachte en haar partner een economische eenheid vormden en dat de geldstromen niet konden worden verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het verwerven, voorhanden hebben en gebruik maken van de voertuigen, terwijl zij wist dat deze afkomstig waren van enig misdrijf. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden en een taakstraf van 120 uren, met inachtneming van de overschrijding van de redelijke termijn in de procedure.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05/017983-21
Datum uitspraak : 29 januari 2026
Tegenspraak (artikel 279 Wetboek van Strafvordering)
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1975 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres 1] in Beneden-Leeuwen.
Raadsman mr. L.M. van Spanjen, advocaat in [plaats] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van
27 februari 2025 en 15 januari 2026.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2018 tot en met 29 juni 2020, te Beneden-Leeuwen, gemeente West Maas en Waal en/of (elders) in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen meermalen, althans eenmaal, (van) een of meer door haar en/of haar medeverdachte ontvangen en/of betaalde geldbedragen en/of van een of meer personenauto('s), althans een of meer voorwerpen, te weten van:
- een of meer geldbedrag(en) (tot een totaal) van EURO 5.240, althans een geldbedrag, (uitbetaald op een rekening van verdachte onder de noemer loon aan mevr. [verdachte] ) en/of
- een van (ongeveer/afgerond) €9.303, althans een geldbedrag, (uitbetaald op een rekening van verdachte onder de noemer loon aan mevr. [verdachte] ) en/of
- een of meer auto('s):
o een Audi Q5 voorzien van kenteken [kenteken 1] en/of
o een Audi Q2, voorzien van kenteken [kenteken 2] en/of
Sub a
- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat /die voorwerp(en) was/waren, en/of
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden had(den)
Sub b
- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet en/of
- gebruik heeft gemaakt,
terwijl zij, verdachte, en/of haar mededader(s) wist(en) dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf en zij, verdachte en/of haar mededader(s), van het plegen van witwassen een gewoonte heeft/hebben gemaakt.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat het dossier onvoldoende basis biedt om te spreken van fictieve werkverbanden of schijnconstructies, noch om aan te nemen dat verdachte geld heeft ontvangen dat feitelijk afkomstig is uit criminele activiteiten. Daarnaast heeft de partner van verdachte een concrete en verifieerbare verklaring afgelegd die niet op voorhand onwaarschijnlijk is. Het Openbaar Ministerie heeft nagelaten om daar nader onderzoek te (laten) verrichten.
Beoordeling door de rechtbank
Voor de leesbaarheid van het vonnis zal de rechtbank eerst ingaan op de verdenking van witwassen van de twee geldbedragen (€ 5.240,00 en € 9.303,00) en vervolgens op de verdenking van het witwassen van de twee personenauto’s (Audi Q5 voorzien van kenteken [kenteken 1] en Audi Q2, voorzien van kenteken [kenteken 2] ).
Geldbedragen
Toetsingskader
Verdachte wordt verweten dat zij zich gedurende enkele jaren heeft schuldig gemaakt aan (gewoonte)witwassen. Met betrekking tot de tenlastegelegde geldbedragen is er geen bewijs voor een specifiek gronddelict.
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis en 420quater, eerste lid, aanhef en onder a en b, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) opgenomen bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf”, niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of kan worden vastgesteld dat de geldbedragen van € 5.240,00 en € 9.303,00 afkomstig zijn uit enig misdrijf en dat deze goederen zijn witgewassen. Als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, kan een voorwerp dat “afkomstig is uit enig misdrijf” niettemin bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Wanneer door het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Als de verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft, ligt het op de weg van politie en het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen. Indien op basis van dit onderzoek met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp waarop de verdenking betrekking heeft een legale herkomst heeft, kan worden vastgesteld dat er sprake is van “afkomstig uit enig misdrijf”.
Verklaring van verdachte
Verdachte heeft verklaard dat zij werkte voor de bedrijven Handelsonderneming [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ) en [bedrijf 2] Kopieën van arbeidsovereenkomsten kan verdachte niet overleggen. In reactie op vragen over welke werkzaamheden verdachte uitvoerde, hoe haar werkadres eruit zag en of zij loonstroken ontving, beriep verdachte zich op haar zwijgrecht.
Onderzoek Openbaar Ministerie
Om inzicht (proberen) te krijgen in de legale geldstromen van verdachte is er financieel en tactisch onderzoek verricht. Om de verklaring van verdachte dat zij werkzaam was bij [bedrijf 1] te kunnen verifiëren is [verbalisant 1] verhoord en zijn de belastinggegevens van [bedrijf 1] gevorderd en geanalyseerd. Dat leidt tot de volgende bevindingen.
Economische eenheid verdachte en [partner]
Verdachte en [partner] hebben twee kinderen. Zij vormen samen een gezin en wonen allen op het adres [adres 1] in Beneden-Leeuwen. Er is sprake van een gezamenlijke huishouding. Uit gevorderde gegevens van de belastingdienst blijkt dat [partner] en verdachte als samenwonende/fiscaal partner geregistreerd staan. [2]
Op basis van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat verdachte en [partner] een economische eenheid vormden. De rechtbank is van oordeel dat hierdoor sprake is van een zodanige feitelijke financiële verwevenheid dat alle uitgaven aan zowel verdachte als [partner] kunnen worden toegerekend.
Legale inkomsten
Er waren in de onderzochte periode geen legale inkomsten uit arbeid of inkomsten binnen het gezin, behalve van verdachte die in 2019 € 12.845 aan loon (bruto) afkomstig van [bedrijf 2] heeft ontvangen. [3]
Deelvrijspraak [bedrijf 2]
De rechtbank stelt op basis van het onderzoek naar de legale inkomsten vast dat verdachte in 2019 via haar bankrekening € 12.845 aan loon (bruto) afkomstig van [bedrijf 2] heeft ontvangen. Verdachte heeft deze inkomsten ook opgegeven aan de belastingdienst. Over het bedrijf heeft de rechtbank geen informatie in het dossier aangetroffen. Het is daarom niet duidelijk om wat voor bedrijf het gaat, of verdachte in de administratie van dat bedrijf voorkomt en of dat bedrijf bijvoorbeeld werkgeverspremies afdraagt. De aanname dat dit gaat om een schijnconstructie gaat berust op enkel een tap-gesprek waarin gesproken wordt over het brengen van loon. Het is de rechtbank echter niet duidelijk wanneer dit gesprek is gevoerd en of dit gesprek in de ten laste gelegde periode is gevoerd. Nu er verder in het geheel niets over het bedrijf bekend is, acht de rechtbank dit gesprek onvoldoende om op basis daarvan te zeggen dat sprake is van een schijnconstructie. De rechtbank zal verdachte daarom ook vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.
Salaris [bedrijf 1]
Niet ter discussie staat dat verdachte viermaal (in een periode van 8 december 2018 tot en met 4 maart 2019) een bedrag van € 1.310,00 op haar rekening gestort heeft gekregen van Handelsonderneming [bedrijf 1] met de omschrijving “salaris periode (…)”. [4] De vraag is vervolgens of verdachte daadwerkelijk werkzaamheden heeft verricht voor dit bedrijf.
Uit bevraging bij de Kamer van Koophandel blijkt dat [bedrijf 3] honderdprocent
aandeelhouder is van de Handelsonderneming [bedrijf 1] Uit verdere bevraging bij de Kamer van Koophandel blijkt dat [verbalisant 1] aandeelhouder is van meerdere bedrijven waaronder [bedrijf 3] . [5] Uit de gevorderde financiële gegevens van de belastingdienst blijkt zowel vanuit de gegevens van [bedrijf 1] als vanuit de gegevens van verdachte van geen enkel dienstverband. Er is geen sprake van afdracht van premies en of loonbelastingen. Uit gevorderde afschriften van de handelsonderneming blijkt ook dat er aan andere personen salaris werd betaald. Ook hiervoor werden geen loonbelasting en of premies afgedragen. [6]
[verbalisant 1] verklaarde op 20 oktober 2020 dat verdachte voor hem heeft gewerkt. Zij heeft schoongemaakt op de [adres 2] , waar hij een bedrijfspand heeft. Zij werkte voor ongeveer drie maanden een volle werkweek. Hij hield daar geen registratie van bij. Er zijn geen premies voor verdachte afgedragen. [7]
Verbalisant was op 20 oktober 2020 aanwezig op het adres [adres 2] in Tiel. Op dit adres is [bedrijf 1] gevestigd. Verbalisant mocht met een aldaar aanwezige man in het pand kijken. In het pand stond een tankopslag. De opslagcapaciteit werd door verbalisant op 4000 liter geschat. Verder zag verbalisant een bedrijfshal met stellingen, dienende voor opslag voor dozen. In de kantoorruimte zag verbalisant een keukenblok, meerdere – naar schatting vier – bureaus en enkele kasten. Verbalisant bekeek daarnaast de informatiebrochure van de locatie [adres 2] in Tiel. Verbalisant zag de volgende oppervlakten en afmetingen staan: bruto vloeroppervlak totaal circa 215 m², vloeroppervlak kantoor en secundaire ruimte circa 30 m² en vloeroppervlak bedrijfsruimte circa 140 m². Het is volgens verbalisant zeer onwaarschijnlijk te noemen dat verdachte een volle werkweek nodig had om de bedrijfsruimte schoon te maken/houden. De kantoorruimte beslaat slechts 30 m², een keukenblok en een viertal bureaus. De bedrijfshal zag er zo uit dat deze door middel van stellingen geschikt is gemaakt voor opslag en zodoende hier geen wekelijkse schoonmaak noodzakelijk is. [8]
Er zijn geen arbeidsovereenkomsten, geen loonstroken of andere bewijsmiddelen waaruit blijkt dat verdachte daadwerkelijk werkzaamheden heeft verricht voor [bedrijf 1] en daarmee aanspraak kon maken op salaris. Volgens [verbalisant 1] heeft verdachte gedurende ongeveer drie maanden 40 uur per week schoongemaakt in het bedrijfspand aan de [adres 2] in Tiel. Gelet op het vloeroppervlak, de indeling van het bedrijfspand en het soort ruimten (opslag, een kantoorruimte met vier bureaus en een keukenblok), is het echter zeer onaannemelijk dat verdachte 40 uur per week nodig had om het pand schoon te maken. Verdachte verklaart dat zij daar heeft gewerkt, maar beroept zich op haar zwijgrecht als haar detailvragen worden gesteld over de locatie en de schoonmaakwerkzaamheden. Haar verklaring is aldus niet concreet, niet verifieerbaar en hoogst onwaarschijnlijk. Dat [verbalisant 1] in juli 2025 heeft verklaard dat verdachte naast schoonmaken meer werkzaamheden voor het bedrijf verrichtte, wordt nergens door ondersteund en is niet in lijn met de verklaring die hij eerder heeft afgelegd.
Daarnaast merkt de rechtbank ten overvloede op dat het verweer van de raadsman dat het Openbaar Ministerie geen onderzoek heeft gedaan naar de concrete, verifieerbare verklaring van partner [partner] niet slaagt. Van verdachte wordt een concrete en verifieerbare verklaring gevraagd, niet van haar partner.
Naar oordeel van de rechtbank doet zich hier de situatie voor dat het niet anders kan zijn dat sprake is geweest van een fictief dienstverband, gebruikt om crimineel geld wit te wassen. Er is dus sprake van een geldstroom die niet kan worden verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom geen andere conclusie mogelijk dan dat het door verdachte ontvangen en daarmee verworven en voorhanden hebbende bedrag van € 5.240,00 (viermaal € 1.310,00) onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is en dat verdachte dit wist. Zij en daarmee ook haar partner als economische eenheid konden hierdoor gebruik maken van de ontvangen geldbedragen.
Personenauto’s
Audi Q5
Op 19 augustus 20219 werd een personenauto, merk Audi, type Q5 voorzien van kenteken [kenteken 1] op naam gesteld van verdachte. Uit onderzoek Simca is gebleken dat deze auto vrijwel exclusief gebruikt werd door de partner van verdachte. Voordat voornoemde Audi Q5 op naam van verdachte werd gesteld, stond deze auto op naam van [verbalisant 2] . [9]
[verbalisant 2] verklaarde dat hij de auto aan een man en een vrouw had verkocht. De prijs van de auto was tussen de € 20.000,00 en € 21.000,00. Volgens [verbalisant 2] werd er een Seat Leon ingeruild en werd er contant betaald. [10]
De politie heeft de administratie van het autobedrijf waarvan [verbalisant 2] de eigenaar is in beslag genomen. Uit het onderzoek naar de inbeslaggenomen gegevens is geen administratie aangetroffen met betrekking tot de aan- of verkoop van de Audi Q5. Ook zijn er geen girale betalingen aan het bedrijf aangetroffen vanaf één van de rekeningen van het gezin van verdachte en [partner] . [11]
Audi Q2
Op 2 maart 2020 werd een personenauto merk Audi, type Q2, voorzien van kenteken [kenteken 2] op naam gesteld van verdachte. De vraagprijs bedroeg € 26.900,00. Er werd een onderzoek ingesteld bij [bedrijf 4] te Liempde. [12]
[verbalisant 3] verklaarde dat hij de auto heeft verkocht aan een vrouw. Er was een man bij haar. De vrouw en de man betaalden € 20.000,00 contant. Het geld van de verkoop stortte [verbalisant 3] op zijn bankrekening; deze bijschrijvingen zijn aan het dossier toegevoegd. [verbalisant 4] herkende [partner] als de man die bij de aankoop van de auto aanwezig was. [13]
De contante uitgaven van verdachte en partner [partner] zijn niet te relateren aan contante bankopnames binnen het gezin. Alle rekeningafschriften bij het gezin in gebruik zijn over de gehele onderzoeksperiode onderzocht. [14]
De rechtbank heeft kennisgenomen van het arrest dat is gewezen tegen de partner van verdachte, de heer [partner] . Hij is veroordeeld voor onder andere de productie en voorbereidingshandelingen van productie van (meth)amfetamine in 2019. [15] Het is een feit van algemene bekendheid dat er veel geld wordt verdiend met drugslabs en dat dit een contante geldstroom oplevert.
De rechtbank stelt vast dat verdachte en haar man samen twee personenauto’s, te weten: een Audi Q5 voorzien van kenteken [kenteken 1] en een Audi Q2, voorzien van kenteken [kenteken 2] , hebben gekocht. Zij betaalden voor de Audi Q5 tot ongeveer € 15.000,00 en voor de Audi Q2 € 20.000,00. Het ging om contante betalingen, die niet te relateren zijn aan contante bankopnames. Zoals hierboven vastgesteld hadden verdachte en haar gezin geen tot minimale legale inkomsten.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte en haar partner een contante geldstroom hadden uit de criminele activiteiten waarvoor de partner van verdachte is veroordeeld. Zij hebben samen de auto’s aangeschaft en in het geval van de aankoop van de Audi Q2 ieder een deel van het bedrag contant voldaan. Verdachte beriep zich tijdens het verhoor bij de politie op haar zwijgrecht. Een andere concrete en verifieerbare verklaring van de herkomst van het geld is dan ook niet door verdachte gegeven.
De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het verwerven, voorhanden hebben en gebruik maken van de twee personenauto’s, terwijl verdachte wist dat die voorwerpen onmiddellijk of middellijk afkomstig waren van enig misdrijf.
Gewoontewitwassen
Gelet op de periode van vier maanden waarbinnen verdachte en daarmee ook haar partner (als economische eenheid) maandelijks een geldbedrag heeft ontvangen en op het meermalen verwerven, voorhanden hebben en gebruik maken van personenauto’s is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van gewoontewitwassen.
Conclusie
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich in de periode van 8 december 2018 tot en met 2 maart 2020 schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een gewoonte maken van witwassen.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
zij op
één ofmeer
deretijdstippen in
of omstreeksde periode van
1 januari8 december2018 tot en met
29 juni2 maart2020, te Beneden-Leeuwen, gemeente West Maas en Waal en
/of (elders
)in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen,
althans alleenmeermalen,
althans eenmaal, (van
) een ofmeer
deredoor haar
en/of haar medeverdachteontvangen en
/ofbetaalde geldbedragen en
/of van een ofmeer
derepersonenauto
('s
),
althans een of meer voorwerpen,te weten van:
-
een ofmeer
deregeldbedrag
(en
) (tot een totaal
)van EURO 5.240
,00,
althans een geldbedrag, (uitbetaald op een rekening van verdachte onder de noemer loon aan mevr. [verdachte]
)en
/of- een van (ongeveer/afgerond) €9.303, althans een geldbedrag, (uitbetaald op een rekening van verdachte onder de noemer loon aan mevr. [verdachte] ) en/of-
een ofmeer
dereauto
('s
):
o een Audi Q5 voorzien van kenteken [kenteken 1] en
/ofo een Audi Q2, voorzien van kenteken [kenteken 2] en
/ofSub a- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat /die voorwerp(en) was/waren, en/of- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden had(den)
Sub b- heeft verworven, voorhanden heeft gehad
, heeft overgedragen, heeft omgezeten/of
- gebruik heeft gemaakt,
terwijl zij, verdachte, en
/ofhaar mededader(s) wist
(en
)dat
dat/die voorwerp
(en
)- onmiddellijk of middellijk - afkomstig
was/waren uit enig misdrijf en zij, verdachte en
/ofhaar mededader(s), van het plegen van witwassen een gewoonte
heeft/hebben gemaakt.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van een gewoonte maken van het plegen van witwassen.

5.De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft een volledig voorwaardelijke straf bepleit. De raadsman heeft daartoe gewezen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het overschrijden van de redelijke termijn.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een gewoonte maken van witwassen. Zij heeft samen met in ieder geval haar partner over een periode van vier maanden geld ontvangen waarvan zij wist dat dit afkomstig was van criminele activiteiten. Daarnaast hebben verdachte en haar partner met contant geld afkomstig uit de drugslabs van de partner van verdachte twee personenauto’s gekocht. Witwassen is een ernstig strafbaar feit omdat daarmee het (vertrouwen in het) economische verkeer wordt geschaad en omdat het bijdraagt aan de instandhouding van criminaliteit. Witwassen dekt de onderliggende strafbare feiten af en maakt dat de crimineel verkregen inkomsten besteedbaar worden. Verdachte heeft door te handelen zoals bewezen hier een bijdrage aan geleverd.
Uit de justitiële documentatie van 5 december 2025 volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit.
De rechtbank heeft kennis genomen van de (medische) informatie van verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte in de maanden voorafgaand aan de zitting meerdere ziekenhuisbezoeken heeft gehad. De rechtbank heeft geen informatie ontvangen dat verdachte niet in staat zou zijn tot het uitvoeren van een taakstraf.
Gelet op het ondermijnende karakter van het feit vindt de rechtbank als uitgangspunt een gevangenisstraf passend. De rechtbank constateert echter dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. Verdachte is op 1 december 2020 voor het eerst als verdachte verhoord. Vanaf dat moment had verdachte redelijkerwijs mogen verwachten dat tegen haar in deze zaak vervolging ingesteld zou worden. De redelijke termijn is derhalve op die datum gaan lopen en verstreek op 1 december 2022. Er is dus sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van ruim drie jaren. De rechtbank is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die deze overschrijding rechtvaardigen. De rechtbank zal deze overschrijding verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat de op te leggen gevangenisstraf gematigd en geheel voorwaardelijk wordt opgelegd. Daarnaast zal de rechtbank in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf een taakstraf aan verdachte opleggen.
Alles afwegende acht de rechtbank een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden passend. Aan de voorwaardelijke gevangenisstraf wordt een proeftijd van 2 jaren verbonden. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een taakstraf opleggen voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis.

8.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

9.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
3 (drie) maanden;
 bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;
 legt op een taakstraf van
120 (honderdtwintig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van
60 (zestig) dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.C.A.M. Janssen (voorzitter), mr. R.M. Schoo en mr. I.S. Termaat, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Wisseborn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 januari 2026.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 5] van de politie Oost-Nederland, district Twente, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer Simca (ONRAA19110) ZD09, gesloten op 9 december 2020 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 090007-090008.
3.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 090009-090010.
4.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 090063-090064.
5.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 090293.
6.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 090063-090064.
7.Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verbalisant 1] , p. 090301.
8.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 090313-90341.
9.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 090389.
10.Het proces-verbaal van verhoor getuige [verbalisant 2] , p.
11.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 090389-090390.
12.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 090514.
13.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 090527-090528 en 090540-090542.
14.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 090514.
15.Uitspraak van het gerechtshof van 25 oktober 2023 in de zaak met parketnummer 05/880705-19 tegen de verdachte [partner] , parketnummer 21/001363-22.