ECLI:NL:RBGEL:2026:6081
Rechtbank Gelderland
- Bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verzet tegen verstekvonnis wegens te late indiening
De zaak betreft een verzetprocedure tegen een verstekvonnis van 22 januari 2025, waarbij de opposant (eiser in deze procedure) niet tijdig verzet heeft ingesteld. Het verstekvonnis was uitgesproken tegen de opposant, die veroordeeld werd tot betaling van een geldbedrag aan ASN.
De deurwaarder heeft het exploot van overbetekening van het derdenbeslag op 1 september 2025 persoonlijk betekend aan de opposant. Dit exploot bevatte de inhoud van het verstekvonnis, waardoor de opposant voldoende kennis kon nemen van het vonnis en de inhoud daarvan. De opposant betwistte de betekening, maar de kantonrechter achtte het exploot dwingend bewijs en verwierp het verweer wegens onvoldoende tegenbewijs en stelplicht.
De verzettermijn van vier weken ging in op 2 september 2025, waardoor de opposant uiterlijk op 29 september 2025 verzet had moeten instellen. De verzetdagvaarding werd echter pas op 30 september 2025 betekend, waardoor de opposant niet tijdig in verzet kwam. De kantonrechter verklaarde de opposant daarom niet-ontvankelijk in zijn verzet en bekrachtigde het verstekvonnis. Tevens werd de opposant veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De opposant is niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzet tegen het verstekvonnis wegens te late indiening.