ECLI:NL:RBGEL:2026:6129

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
29 juli 2026
Zaaknummer
05/052328-26
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 WVWArt. 5 WVWArt. 19 Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990Art. 79 Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990Art. 9 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens aanmerkelijke schuld bij verkeersongeval met zwaar lichamelijk letsel

Op 18 augustus 2025 reed verdachte op een kruising met een 80 km/uur voorrangsweg zonder voldoende voorzichtigheid en oplettendheid, waardoor hij geen voorrang verleende aan het van links komende slachtoffer. Dit leidde tot een botsing waarbij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel opliep, waaronder buikletsel en een operatie waarbij een deel van de dunne darm werd verwijderd.

De rechtbank oordeelde dat verdachte, ongeacht of hij bij de stopstreep tot stilstand was gekomen, beter had moeten kijken en blijven kijken of de kruising vrij was. Het zicht was deels belemmerd, maar bij stilstand had verdachte een naderend voertuig op circa 75 meter kunnen zien. De rechtbank achtte bewezen dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gehandeld in strijd met artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994.

De verdediging stelde dat verdachte mogelijk wel was gestopt en slechts een lichte schuld had, maar de rechtbank verwierp dit en sprak verdachte vrij van het niet stoppen bij de stopstreep. De rechtbank legde een taakstraf van 120 uur op en een ontzegging van de rijbevoegdheid van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk vanwege het werk van verdachte. De straf is passend geacht gezien de ernst van het letsel en de eerdere snelheidsovertreding van verdachte.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 120 uur en een gedeeltelijke rijontzegging van zes maanden wegens aanmerkelijke schuld aan een verkeersongeval met zwaar lichamelijk letsel.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/052328-26
Datum uitspraak : 8 juli 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 1962 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] [woonplaats] .
Raadsman: mr. J. Veldhoven, advocaat in Tiel.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 18 augustus 2025 te Buren (GE) in de gemeente Buren (GE), als
verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (personenauto), komende uit de
richting van de Koornbroeksteeg daarmede rijdende over de weg de Blatensedijk,
zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,
terwijl verdachte de voorrangsweg de Tielseweg (N834) naderde en/of
zijn aandacht gedurende enige tijd niet, althans in onvoldoende mate, op het overige verkeer
en/of de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en/of zijn zicht ter plaatse belemmerd, beperkt of gehinderd werd en/of
terwijl voor voornoemde kruising op de door hem bereden rijbaan een voorrangsteken
((gevaren)driehoek), een fiets/bromfietspad, een pianoklavier, het woord “STOP” (in grote letters) en/of haaientanden en/of een stopstreep waren aangebracht en/of
terwijl voor voormelde kruising aan weerszijden van die weg (de Tielseweg (N834)) twee in zijn rijrichting gekeerde borden B7 van bijlage 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990, inhoudende: "Stop. Verleen voorrang aan de bestuurders op de kruisende weg", waren geplaatst,
- niet of in onvoldoende mate naar het verkeer op die kruisende weg(en heeft gekeken en/of is blijven kijken en/of zich niet of in onvoldoende mate heeft overtuigd of over die kruisende
weg(en) verkeer naderde en/of
- in strijd met het gestelde in artikel 79 van Pro voormeld reglement en/of voormelde borden B7 van voormeld reglement, niet aan zijn verplichting heeft voldaan om met dat door hem bestuurde motorrijtuig (personenauto) voor die op het wegdek van die die kruisende weg(en) aangebrachte stopstreep te stoppen en/of die kruising is op- en/of overgereden en/of
- in strijd met voormelde borden B7 geen voorrang heeft verleend aan een over die kruisende weg dicht genaderd, vanuit verdachte gezien links, zijnde bestuurder van een voertuig (personenauto) en/of
- zijn snelheid niet heeft aangepast aan de verkeerssituatie ter plaatse en/of in strijd met het
gestelde in artikel 19 van Pro voormeld reglement niet de snelheid van dat door hem bestuurde
motorrijtuig (personenauto) zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat motorrijtuig
(personenauto) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de door hem bereden weg en/of die kruisende weg(en) kon overzien en waarover deze vrij waren en/of
is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met dat andere motorrijtuig (personenauto)
en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft
plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 18 augustus 2025 te Buren (GE) in de gemeente Buren (GE), als
verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (personenauto), komende uit de
richting van de Koornbroeksteeg daarmede rijdende over de weg de Blatensedijk,
terwijl verdachte de voorrangsweg de Tielseweg (N834) naderde en/of
zijn aandacht gedurende enige tijd niet, althans in onvoldoende mate, op het overige verkeer
en/of de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en/of zijn zicht ter plaatse belemmerd, beperkt of gehinderd werd en/of
terwijl voor voornoemde kruising op de door hem bereden rijbaan een voorrangsteken
((gevaren)driehoek), een fiets/bromfietspad, een pianoklavier, het woord “STOP” (in grote letters) en/of haaientanden en/of een stopstreep waren aangebracht en/of
terwijl voor voormelde kruising aan weerszijden van die weg (de Tielseweg (N834)) twee in zijn rijrichting gekeerde borden B7 van bijlage 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990, inhoudende: "Stop. Verleen voorrang aan de bestuurders op de kruisende weg", waren geplaatst,
- niet of in onvoldoende mate naar het verkeer op die kruisende weg(en heeft gekeken en/of is blijven kijken en/of zich niet of in onvoldoende mate heeft overtuigd of over die kruisende
weg(en) verkeer naderde en/of
- in strijd met het gestelde in artikel 79 van Pro voormeld reglement en/of voormelde borden B7 van voormeld reglement, niet aan zijn verplichting heeft voldaan om met dat door hem bestuurde motorrijtuig (personenauto) voor die op het wegdek van die die kruisende weg(en) aangebrachte stopstreep te stoppen en/of die kruising is op- en/of overgereden en/of
- in strijd met voormelde borden B7 geen voorrang heeft verleend aan een over die kruisende weg dicht genaderd, vanuit verdachte gezien links, zijnde bestuurder van een voertuig (personenauto) en/of
- zijn snelheid niet heeft aangepast aan de verkeerssituatie ter plaatse en/of in strijd met het
gestelde in artikel 19 van Pro voormeld reglement niet de snelheid van dat door hem bestuurde
motorrijtuig (personenauto) zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat motorrijtuig
(personenauto) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de door hem bereden weg en/of die kruisende weg(en) kon overzien en waarover deze vrij waren en/of
is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met dat andere motorrijtuig (personenauto)
en door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon
worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 18 augustus 2025 te Buren als bestuurder van een personenauto op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, Kruising Blatensedijk met de Tielseweg (N834), geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers niet is gestopt voor de voor hem bestemde stopstreep, terwijl hij daartoe - op grond van een bepaling van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, te weten artikel 79 en Pro bord B7 van bijlage 1, - verplicht was, waarbij letsel aan personen is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit. Hoewel niet op de camerabeelden te zien is dat verdachte niet is gestopt voor de stopstreep, kan het – gelet op hoe verdachte de kruising op komt rijden met 33 kilometer per uur – volgens de officier van justitie niet anders dan dat verdachte is doorgereden zonder te stoppen en dus geen voorrang heeft verleend. Immers, als verdachte wel was gestopt, dan had hij de auto van het slachtoffer en de auto die daarvoor reed gezien.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair bepleit dat niet vastgesteld kan worden of verdachte is gestopt voor de stopstreep, of dat hij is doorgereden. De verdediging gaat ervan uit dat verdachte wel degelijk is gestopt, dat hij de auto die voor het slachtoffer reed (een Volvo) heeft gezien, hij direct nadat die auto passeerde is opgetrokken en daarbij de auto van het slachtoffer over het hoofd heeft gezien omdat die dezelfde kleur had als de Volvo. In dat geval is sprake van een overtreding van artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW). De verdediging heeft verder bepleit dat als de rechtbank het primair ten laste gelegde wel bewezen acht, er dan sprake is van aanmerkelijke schuld (de lichtste schuldgradatie binnen artikel 6 WVW Pro) en zwaar lichamelijk letsel.
Beoordeling door de rechtbank
Bewijsmiddelen
Op 18 augustus 2025 heeft een verkeersongeluk plaatsgevonden op de kruising van de Tielseweg N834, de Blatensedijk en de Hoge Kornseweg in Buren. Verdachte reed in zijn auto over de Blatensedijk, komende uit de richting van de Koornbroeksteeg en gaande in de richting van de Hoge Kornseweg. Het slachtoffer, [slachtoffer] , reed in zijn auto over de N834, gaande in de richting van de Oude Tielseweg. De maximumsnelheid op de N834 bedroeg 80 kilometer per uur. De N834 is een voorrangsweg, zoals (op die weg) aangeduid met bord B1. Voor bestuurders die de N834 over de Blatensedijk naderden, werd dit vóór het kruisende fiets/bromfietspad kenbaar gemaakt door middel van B7 borden (stopborden) en een stopstreep op het wegdek. Voorbij het kruisende fiets/bromfietspad werd dit kenbaar gemaakt door middel van haaientanden op het wegdek. Verdachte verleende op het kruispunt geen voorrang aan het van links komende slachtoffer, waardoor het slachtoffer op de rijstrook waarover hij reed tegen de auto van verdachte botste. Zowel verdachte als het slachtoffer zijn bij de aanrijding gewond geraakt. [2]
Er is onderzoek gedaan naar het zicht dat verdachte – vanuit een stilstaand voertuig – gehad zou kunnen hebben op het weggedeelte van het slachtoffer. In het proces-verbaal wordt het volgende beschreven.
Vlak voor de stopstreep werd het zicht naar links deels belemmerd door de begroeiing en was het wegverloop van de N834 niet helemaal te overzien. Verdachte had in die positie een naderend voertuig op een afstand van circa 75 meter kunnen opmerken, indien hij het voertuig voor de stopstreep tot stilstand had gebracht. In een tweede positie (iets verder doorgereden, halverwege het fiets/bromfietspad) was het zicht in de richting van de naderende Honda goed en had verdachte het naderende slachtoffer over een veel langere afstand dan de voornoemde 75 meter waar kunnen nemen, indien hij met de nodige voorzichtigheid het kruispunt was genaderd. [3]
Het slachtoffer heeft als gevolg van het ongeval buikletsel opgelopen waaraan hij is geopereerd. Tijdens de operatie is 60 centimeter van zijn dunne darm verwijderd omdat dit afstierf en zijn er gescheurde (slag)aders gehecht. Er was ook sprake van een scheurtje in de milt. Op een later moment is het slachtoffer opnieuw in het ziekenhuis opgenomen wegens een abces in zijn buik. [4] Het slachtoffer heeft vanwege het herstel van zijn letsel langdurig, in elk geval zes maanden, niet volledig kunnen werken. [5]
Het oordeel van de rechtbank
Aan verdachte is primair artikel 6 WVW Pro ten laste gelegd. Voor een bewezenverklaring is onder meer vereist dat het verkeersongeval aan de schuld van verdachte te wijten is. Voor schuld in de zin van artikel 6 WVW Pro moet in ieder geval sprake zijn van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid, onachtzaamheid en/of onoplettendheid van verdachte. Daarbij geldt dat in zijn algemeenheid niet valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor bewezenverklaring van schuld in vorenbedoelde zin. Gekeken moet worden naar het geheel van gedragingen van verdachte, naar de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding(en) en verder naar de omstandigheden waaronder die overtreding(en) is (of zijn) begaan.
De rechtbank overweegt allereerst dat op basis van het procesdossier niet met voldoende zekerheid vast te stellen is dat verdachte de stopborden heeft genegeerd en niet is gestopt bij de stopstreep. Verdachte kan zich het ongeval niet herinneren, het slachtoffer heeft hierover niets kunnen verklaren en van andere getuigen van het ongeval is niet gebleken. Op de camerabeelden waar de officier van justitie aan heeft gerefereerd, is de stopstreep niet zichtbaar. In het proces-verbaal ‘FO-verkeer Forensisch onderzoek plaats delict’ staat beschreven dat verdachte met een indicatieve snelheid van ongeveer 33 kilometer per uur zou hebben gereden rond het moment van het ongeval. Hoewel die camerabeelden en de indicatieve snelheid, in combinatie met de korte afstand tussen de stopstreep en de kruising, kunnen suggereren dat verdachte inderdaad niet is gestopt, is dat naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om daaruit die conclusie te trekken. Dit geldt ook omdat niet is onderzocht of een auto uit stilstand, startend achter de stopstreep, over voornoemde afstand die (indicatief bepaalde) snelheid kan hebben behaald. Van het onderdeel van de tenlastelegging dat ziet op het niet stoppen bij de stopborden/stopstreep, zal verdachte dus worden vrijgesproken.
Zelfs als de rechtbank echter uitgaat van het voor verdachte meest gunstige scenario zoals de verdediging dat heeft geschetst, namelijk dat verdachte wel zou zijn gestopt bij de stopstreep, acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
Elke verkeersdeelnemer moet continu anticiperen op verkeerssituaties die zich (mogelijk) voordoen en zich vergewissen van de eventuele aanwezigheid van ander verkeer. In de verkeerssituatie waarin verdachte zich bevond, is sprake van een kruising waar niet alleen voorrang moest worden verleend, maar waar bestuurders ook verplicht zijn hun voertuig tot stilstand te brengen. Extra voorzichtigheid en oplettendheid was dus geboden, en in dit geval des te meer omdat er tot kort voor de stopstreep beperkt zicht was, de kruisende weg een voorrangsweg was waar men 80 kilometer per uur mocht rijden en zich daarnaast een fietspad bevond waarop kwetsbare verkeersdeelnemers zoals (brom)fietsers (kunnen) rijden.
Aangekomen bij de kruising had verdachte, ongeacht of hij zijn voertuig nu wel of niet tot stilstand had gebracht bij de stopstreep, zich ervan moeten vergewissen dat er geen kruisend verkeer op de voorrangsweg van rechts dan wel van links naderde, alvorens zijn weg te vervolgen. Verdachte heeft kennelijk niet of in ieder geval onvoldoende gelet op het van links komende verkeer op de N834. Uit onderzoek is immers gebleken dat – als verdachte zijn voertuig voor de stopstreep tot stilstand had gebracht – verdachte een naderend voertuig op een afstand van ongeveer 75 meter had kunnen opmerken. Uit dat onderzoek volgt ook dat verdachte, als hij met de nodige voorzichtigheid het kruispunt was genaderd, halverwege het fietspad dat zich na de stopstreep bevindt (en dus nog vóór de haaientanden) goed zicht had en de auto van slachtoffer over een veel langere afstand had kunnen waarnemen. Door niet of onvoldoende op het verkeer te letten en te kijken of de kruising vrij was, daarbij de haaientanden te passeren, met een snelheid van ongeveer 33 kilometer per uur het kruispunt op te rijden en daarbij geen voorrang aan het slachtoffer te verlenen en ten gevolge daarvan in aanrijding te komen met het slachtoffer, heeft verdachte ernstige verkeersfouten gemaakt en gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid die van hem als bestuurder van een personenauto in de onderhavige situatie mocht worden verwacht. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden gesproken van een kort moment van onachtzaamheid, maar van aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam rijgedrag, zodat het verkeersongeval aan de schuld van verdachte te wijten is in de zin van artikel 6 WVW Pro.
De rechtbank is van oordeel dat op basis van het beschreven letsel van het slachtoffer voldoende vast is komen te staan dat sprake was van zwaar lichamelijk letsel.
De rechtbank acht het primair ten laste gelegde feit dan ook wettig en overtuigend bewezen.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op
of omstreeks18 augustus 2025 te Buren (GE) in de gemeente Buren (GE), als
verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (personenauto), komende uit de
richting van de Koornbroeksteeg daarmede rijdende over de weg de Blatensedijk,
zeer, althansaanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en
/ofonachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,
terwijl verdachte de voorrangsweg de Tielseweg (N834) naderde en
/of
zijn aandacht gedurende enige tijd niet, althans in onvoldoende mate, op het overige verkeer
en
/ofde (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en
/ofzijn zicht ter plaatse belemmerd, beperkt of gehinderd werd en
/ofterwijl voor voornoemde kruising op de door hem bereden rijbaan
een voorrangsteken((gevaren)driehoek), een fiets/bromfietspad,
een pianoklavier, het woord “STOP” (in grote letters) en/ofhaaientanden en
/ofeen stopstreep waren aangebracht en
/of
terwijl voor voormelde kruising aan weerszijden van die weg (de Tielseweg (N834)) twee in zijn rijrichting gekeerde borden B7 van bijlage 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990, inhoudende: "Stop. Verleen voorrang aan de bestuurders op de kruisende weg", waren geplaatst,
- niet of in onvoldoende mate naar het verkeer op die kruisende weg heeft gekeken en
/ofis blijven kijken en
/ofzich niet of in onvoldoende mate heeft overtuigd of over die kruisende
weg(en) verkeer naderde en
/of- in strijd met het gestelde in artikel 79 van Pro voormeld reglement en/of voormelde borden B7 van voormeld reglement, niet aan zijn verplichting heeft voldaan om met dat door hem bestuurde motorrijtuig (personenauto) voor die op het wegdek van die die kruisende weg(en) aangebrachte stopstreep te stoppen en/ofdie kruising is op- en/of overgereden en
/of
- in strijd met voormelde borden B7 geen voorrang heeft verleend aan een over die kruisende weg dicht genaderd, vanuit verdachte gezien links, zijnde bestuurder van een voertuig (personenauto) en
/of- zijn snelheid niet heeft aangepast aan de verkeerssituatie ter plaatse en/of in strijd met het
gestelde in artikel 19 van Pro voormeld reglement niet de snelheid van dat door hem bestuurde
motorrijtuig (personenauto) zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat motorrijtuig
(personenauto) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de door hem bereden weg en/of die kruisende weg(en) kon overzien en waarover deze vrij waren en
is gebotst tegen, althansin aanrijding is gekomen met dat andere motorrijtuig (personenauto)
en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft
plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel
of zodanig lichamelijk letselwerd toegebracht
, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1:
overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht

5.De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair bepleit dat, als de rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde feit, een geldboete van € 1.000,00 passend is. Als de rechtbank het primair ten laste gelegde feit bewezen acht, is een taakstraf van 80 uren en een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid passend.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich op 18 augustus 2025 als bestuurder van een personenauto zodanig gedragen, dat door zijn schuld een verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Verdachte is – zonder de benodigde voorzichtigheid en oplettendheid – een kruising met een voorrangsweg opgereden, waardoor het slachtoffer met zijn auto op de auto van verdachte is gebotst. Verdachte had, ongeacht of hij nu wel of niet tot stilstand is gekomen bij de stopstreep, beter moeten kijken en blijven kijken of hij de kruising op kon rijden. Het slachtoffer heeft door het ongeval zwaar lichamelijk letsel opgelopen. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij in de gegeven omstandigheden zo onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld. Daarnaast weegt de rechtbank mee dat verdachte enkele maanden voorafgaand aan dit verkeersongeval een forse snelheidsovertreding heeft begaan, als gevolg waarvan hij een hoge geldboete heeft moeten betalen en hij zijn rijbewijs gedurende 29 dagen kwijt is geweest. De rechtbank is van oordeel dat van verdachte met die recente straf nog in het achterhoofd verwacht mocht worden dat hij zich zeker op die plaats nauwgezet aan de verkeersregels zou houden.
De ‘Oriëntatiepunten voor de straftoemeting’ van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) nemen voor strafoplegging bij aanmerkelijke schuld aan een verkeersongeval waarbij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen als oriëntatiepunt een taakstraf van 120 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid van zes maanden. De rechtbank is van oordeel dat deze straf passend en geboden is. Nu verdachte voor zijn werk afhankelijk is van zijn rijbewijs, zal de rechtbank een deel van de ontzegging van de rijbevoegdheid, te weten drie maanden, voorwaardelijk opleggen.

8.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:
- 9, 14 a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht;
- 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

9.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 legt op een taakstraf van 120 (honderdtwintig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 (zestig) dagen;
 ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 (zes) maanden;
 bepaalt dat een gedeelte van deze ontzegging van de rijbevoegdheid, te weten 3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten in het geval verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. van Leeuwen (voorzitter), mr. M. Rietveld en mr. T.M.A. Arts, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Benbouazza, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 8 juli 2026.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door aspirant-verbalisant [verbalisant] van de politie Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025395448, gesloten op 16 februari 2026 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal FO-verkeer Forensisch onderzoek plaats delict d.d. 8 december 2025, p. 13-21.
3.Proces-verbaal FO-verkeer Forensisch onderzoek plaats delict d.d. 8 december 2025, p. 24-26.
4.Proces-verbaal van verhoor van slachtoffer [slachtoffer] op 18 september 2025, gesloten op 8 december 2025, p. 89-93; medische informatie, d.d. 22 september 2025, p. 102.
5.Proces-verbaal van verhoor van slachtoffer [slachtoffer] d.d. 3 december 2025, p. 95-96.