ECLI:NL:RBGEL:2026:6180

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
31 juli 2026
Publicatiedatum
31 juli 2026
Zaaknummer
ARN 26/2656
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 8:69a AwbWet natuurbeschermingBesluit bouwwerken leefomgeving
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen omgevingsvergunning ophoging stortplaats en tunnelcompostering

Verzoeksters hebben beroep ingesteld tegen de aan vergunninghoudster verleende omgevingsvergunning voor het ophogen van de stortplaats en de aanleg van tunnelcompostering te Wilp. Zij verzochten de voorzieningenrechter om het besluit bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen.

De voorzieningenrechter beoordeelde de voornaamste beroepsgronden, waaronder geur, geluid en natuur (stikstof). Geuronderzoeken van vergunninghoudster werden niet concreet bestreden en de tunnelcompostering zou naar verwachting juist geurvermindering opleveren. Geluid in de bouwfase behoorde niet tot het bestreden besluit en cumulatie met omliggende bedrijven was niet vereist te onderzoeken. De stikstofberekeningen werden afgewezen vanwege het relativiteitsvereiste en de afstand tot Natura 2000-gebied.

De belangenafweging toonde dat verzoeksters geen zwaarwegend belang hadden dat schorsing rechtvaardigde, mede omdat het storten van asbesthoudend materiaal al was toegestaan en het nieuwe besluit juist strengere voorschriften bevat. De belangen van vergunninghoudster en het college bij het niet treffen van een voorlopige voorziening wogen zwaarder. Daarom werd het verzoek afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning wordt afgewezen wegens onvoldoende kans van slagen en ontbreken van zwaarwegende belangen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/2656

uitspraak van de voorzieningenrechter van

in de zaak tussen

[Verzoekster 1] en [verzoekster 2] , uit [woonplaats] , verzoeksters

en

het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland

(gemachtigden: mr. A.M.J. van der Voort en mr. M.L. van Kalsbeek)
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Attero B.V. uit Zwolle (vergunninghoudster)
(gemachtigden: mr. R.J. de Heer en mr. N. Kusters).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de aan vergunninghoudster verleende omgevingsvergunning voor het ophogen van de stortplaats en de aanleg van tunnelcompostering aan de Sluinerweg 12 in Wilp (stortplaats ‘De Sluiner’).
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. De voorzieningenrechter is namelijk van oordeel dat de voornaamste beroepsgronden van verzoeksters geen redelijke kans van slagen hebben. Daarnaast is de voorzieningenrechter niet gebleken van zodanig zware belangen aan de zijde van verzoeksters dat die het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in het bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Bij besluit van 16 april 2026 (het bestreden besluit) heeft het college de omgevingsvergunning verleend. Dit besluit is voorbereid met toepassing van de uitgebreide voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het ontwerpbesluit heeft van 9 december 2025 tot 15 januari 2026 ter inzage gelegen. Tegen het ontwerpbesluit zijn drie zienswijze ingediend. Ten opzichte van het ontwerpbesluit is het (definitieve) besluit op de volgende onderdelen gewijzigd:
- voorschrift 5.3.10 is toegevoegd;
- er is getoetst aan het op 30 december 2025 inwerking getreden Circulair
Materialenplan (CMP);
- er zijn tekstuele wijzigingen zijn doorgevoerd.
2.1.
Verzoeksters hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter hangende beroep verzocht om het bestreden besluit bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen.
2.2.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghoudster heeft ook schriftelijk gereageerd.
2.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 22 juli 2026 op zitting behandeld. Verzoeksters hebben deelgenomen aan de zitting. Namens het college zijn [persoon 1] , [persoon 2] , [persoon 3] en de gemachtigden verschenen. Vergunninghoudster heeft zich op zitting laten vertegenwoordigen door [vertegenwoordiger 1] , [vertegenwoordiger 2] , [vertegenwoordiger 3] , [vertegenwoordiger 4] , [vertegenwoordiger 5] en haar gemachtigden.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. De voorzieningenrechter bespreekt hieronder eerst kort hoe het bestreden besluit tot stand is gekomen. Daarna beoordeelt de voorzieningenrechter of er aanleiding bestaat voor het treffen van een voorlopige voorziening.
Totstandkoming van het bestreden besluit
4. Vergunninghoudster is een afvalverwerker en verwerkt binnen haar bedrijf te Wilp ongeveer 900.000 ton afval per jaar. Het betreft hoofdzakelijk organisch afval, mineraal afval en bedrijfsafval.
4.1.
Op 15 december 2023 heeft vergunninghouders een omgevingsvergunning aangevraagd. De aanvraag omvat een uitbreiding van de maximale opslagcapaciteit van de stortplaats met 3.066.192 m3 door verhoging van de stortplaats. De maximale stortcapaciteit per jaar blijft gelijk. Daarnaast wordt de voorcompostering, die nu in de buitenlucht plaatsvindt, vervangen door voorcompostering in een gebouw (hierna: tunnelcompostering). De te verwerken capaciteit van de tunnelcompostering blijft 250.000 ton per jaar en wijzigt met deze aanvraag niet. De aanvraag heeft betrekking op de activiteiten bouwen [1] en het veranderen of veranderen van de werking van een inrichting en het in werking hebben van de inrichting na die verandering. [2] Ter verwezenlijking van dit project is ook bestemmingsplanwijziging doorgevoerd. [3]
4.2.
Het college heeft de milieuaspecten ten aanzien van het vergroten van de stortcapaciteit en aanleg en gebruik van tunnelcompostering beoordeeld en komt tot de conclusie dat wijzigingsaanvraag past binnen de bestaande vergunning met kenmerk [kenmerk] van 20 mei 2008. Voor een aantal onderdelen worden in deze wijzigingsvergunning aanvullende/nieuwe voorschriften opgenomen. Conclusie is dat de aangevraagde omgevingsvergunning op grond van de Wabo kan worden verleend. Bij besluit van 16 april 2026 (het bestreden besluit) heeft het college de omgevingsvergunning voor beide activiteiten dan ook verleend.
4.3.
Verzoekster 1 ( [Verzoekster 1] ) woont op ongeveer 580 meter afstand van de inrichtingsgrens van vergunninghoudster, 625 meter van de (tunnel)compostering en op 950
meter van de grens van de stortplaats. Verzoekster 2 ( [verzoekster 2] ) woont op zo’n 300 meter afstand van de inrichtingsgrens van vergunninghoudster, 350 meter van de (tunnel)compostering en 650 meter van de grens van de stortplaats. Zij vrezen beide – kort samengevat – milieugevolgen te ondervinden van het bestreden besluit en hebben beroep ingesteld bij de rechtbank en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Wijze van beoordelen
5. Bij de vraag of aanleiding bestaat voor het treffen van een voorlopige voorziening is van belang of het beroep een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan namelijk een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Of het beroep een redelijke kans van slagen heeft, beoordeelt de voorzieningenrechter aan de hand van de gronden van verzoeksters. Daar merkt de voorzieningenrechter op voorhand bij op dat een voorlopige voorzieningenprocedure een spoedprocedure is, waarin maar beperkte ruimte is voor een beoordeling van de (in dit geval) uitgebreide beroepsgronden die de rechtmatigheid van het bestreden besluit raken. Daar komt bij dat verzoeksters, zo hebben zij op zitting ook erkend, voor het opstellen van hun beroepschrift gebruik hebben gemaakt van generatieve AI, zoals ChatGPT. Zoals de gemachtigde van vergunninghoudster daarover heeft opgemerkt, zijn de beroepsgronden vanwege hun onduidelijke – deels tegenstrijdige – formulering daarom vaak moeilijk en soms überhaupt niet te volgen.
5.1.
De voorzieningenrechter zal zich, zoals ook op zitting besproken, in het kader van deze spoedprocedure daarom beperken tot de voornaamste beroepsgronden van verzoeksters en beoordelen of die een redelijke kans van slagen hebben. De voorzieningenrechter heeft daarvoor aangesloten bij wat op zitting is besproken en toegelicht door verzoeksters als de voornaamste bezwaren. De voorzieningenrechter gaat daarom in op de aspecten geur, geluid en natuur.
5.2.
Omdat de voorzieningenrechter niet alle beroepsgronden bespreekt, beoordeelt hij vervolgens, ook als de voornaamste beroepsgronden naar zijn oordeel geen redelijke kans van slagen hebben, of er nog andere zwaarwegende belangen aan de zijde van verzoeksters zijn die het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigen.
Geur
6. Verzoeksters vrezen voor geuroverlast en hebben op zitting toegelicht dat berekeningen op dat punt onjuist zijn, omdat is uitgegaan van onjuiste ruwheidslengste.
6.1.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat vergunninghoudster verschillende geuronderzoeken heeft laten verrichten. Verzoeksters hebben de uitkomsten daarvan niet met een tegenrapport bestreden. Zij hebben enkel in (zeer) algemene zin gesteld dat uit is gegaan van een onjuiste ruwheidslengte. Op basis van wat door partijen naar voren is gebracht, ziet de voorzieningenrechter daarvoor geen aanknopingspunten. Zoals namens vergunninghoudster is toegelicht op zitting betreft de ruwheidslengte een door een rekenmodel automatisch gegeneerde waarde, waarvan gemotiveerd kan worden afgeweken. Verzoeksters hebben dit niet betwist. In het ‘Rapport Geursituatie na tunnelcompostering’ van 8 mei 2025 van SGS is gemotiveerd waarom is uitgegaan van een ruwheidslengte van 0,5 m in plaats van de door het rekenmodel gegeven ruwheidslengte van 0,09 m. Ook deze motivering hebben verzoeksters niet concreet betwist. De voorzieningenrechter heeft daarom op dit moment geen redenen om aan te nemen dat uit is gegaan van een onjuiste ruwheidslengte en dat de geurberekeningen daarom niet zouden kloppen.
6.2.
Ten overvloede merkt de voorzieningenrechter nog dat het realiseren van tunnelcompostering naar voorlopig oordeel juist een positief effect heeft op de door verzoeksters te ervaren geur(overlast). Door de compostering, anders dan eerder het geval was, inpandig te laten plaatsvinden, zal dit (logischerwijs) tot geurvermindering leiden. Daarnaast is het de voorzieningenrechter ook niet gebleken dat de verhoging van de stortplaats directe gevolgen heeft op de geuremissie. Daarvoor is voornamelijk van belang dat de jaarlijks maximaal vergunde hoeveelheid die gestort mag worden gelijk blijft.
De beroepsgrond heeft daarom geen redelijke kans van slagen.
Geluid
7. Ten aanzien van het aspect geluid hebben verzoeksters op zitting toegelicht dat geluid in de bouwfase ten onrechte niet is meegenomen. Zij vrezen voor geluidsoverlast van bouwverkeer. Verzoeksters hebben daarnaast toegelicht dat er twee bedrijven in de nabijheid van de stortplaats van vergunninghoudster zijn gevestigd en dat voor wat betreft geluid geen rekening is gehouden met cumulatie.
7.1.
De voorzieningenrechter volgt verzoeksters niet in hun stelling dat het geluid in de bouwfase meegenomen had moeten worden. Deze bouwwerkzaamheden zijn van tijdelijke aard en maken geen onderdeel uit van de aangevraagde omgevingsvergunning. Dat betekent niet dat er helemaal geen regels gelden. In het Besluit bouwwerken leefomgeving staan namelijk algemene regels over geluidhinder bij bedrijfsmatige bouwwerkzaamheden. Deze regels gaan over werktijden en het geluidsniveau. Vergunninghoudster moet bij de bouwwerkzaamheden aan deze algemene regels voldoen.
7.2.
Ten aanzien van de twee bedrijven en cumulatie van geluid overweegt de voorzieningenrechter nog als volgt. Zoals ook op zitting door de voorzieningenrechter is benoemd, omvat het bestreden besluit twee wijzigingen (veranderingen) van de al vergunde milieusituatie. Het college hoeft geen onderzoek te verrichten naar de vraag of het bestaande, al eerder vergunde gedeelte van de inrichting aan de wettelijke regels over geluid voldoet, maar enkel welke gevolgen de betreffende wijzigingen hebben voor het aspect geluid. Vast staat dat er een akoestisch onderzoek is verricht waarin is beoordeeld welke gevolgen het gebruik van de tunnelcompostering en de verhoogde stort hebben voor het aspect geluid. Uit het onderzoek volgt dat wordt voldaan aan de bestaande vigerende geluidvoorschriften voor vergunninghoudster. Het betreft hiermee een milieuneutrale wijziging voor het aspect geluid. Het geluidsonderzoek is niet concreet bestreden door verzoeksters. De voorzieningenrechter heeft ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat bij dit geluidsonderzoek rekening gehouden had moeten worden met cumulatie van geluid van omliggende bedrijven. Er dient namelijk alleen gekeken te worden naar de milieugevolgen van het gewijzigd in werking hebben van de inrichting.
De beroepsgrond heeft daarom geen redelijke kans van slagen.
Natuur
8. Het grootste deel van de beroepsgronden van verzoeksters hebben betrekking op het aspect stikstof en de stikstofberekeningen die vergunninghoudster heeft laten verrichten. Op zitting hebben verzoeksters toegelicht dat volgens hen is uitgegaan van een onjuiste referentiesituatie.
8.1.
Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin verzoeksters door het bestreden besluit dreigen te worden geschaad. [4] De voorzieningenrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in beroep komt. Dit wordt het relativiteitsvereiste genoemd.
8.2.
De wettelijke bepalingen in de Wet natuurbescherming over de bescherming van Natura 2000-gebieden beschermen in de kern het algemene belang. Verzoeksters kunnen op grond van vaste rechtspraak alleen opkomen voor de (algemene) belangen die gaan over het beschermen van Natura 2000-gebieden als deze belangen verweven zijn met het individuele belang van eisers bij behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving. [5] Als die verwevenheid er niet is, staat het relativiteitsvereiste aan een inhoudelijke beoordeling van de betreffende grond in de weg.
8.3.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de afstand tussen de woonpercelen van verzoeksters en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ongeveer 2,5 kilometer betreft. Deze afstand is zodanig dat het desbetreffende gebied niet kan worden geacht deel uit te maken van de leefomgeving van verzoeksters. De voorzieningenrechter neemt verder in aanmerking dat verzoeksters geen omstandigheden naar voren hebben gebracht op grond waarvan anders zou moeten worden geoordeeld. Gelet hierop staat artikel 8:69a van de Awb eraan in de weg om het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning te vernietigen vanwege de beroepsgrond over de gebiedsbescherming vanwege, onder meer, stikstofdispositie. Die beroepsgrond blijft daarom buiten beschouwing.
Tussenconclusie
9. De voornaamste beroepsgronden hebben naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen redelijke kans van slagen.
9.1.
Omdat de voorzieningenrechter niet alle beroepsgronden heeft beoordeeld en zich in zijn rechtmatigheidsoordeel beperkt heeft tot de voornaamste beroepsgronden, beziet de voorzieningenrechter hieronder nog of er op grond van een belangenafweging aanleiding bestaat om een voorlopige voorziening te treffen.
Belangenafweging
10. In deze belangenafweging weegt de voorzieningenrechter de belangen van verzoeksters die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen van het college en vergunningshoudster die pleiten tegen het treffen daarvan tegen elkaar af. Gelet op het voorlopig rechtmatigheidsoordeel van de voornaamste beroepsgronden is er in deze belangenafweging minder ruimte voor de belangen van verzoeksters bij het schorsen van de omgevingsvergunning. Als een besluit naar voorlopig oordeel rechtmatig is, dan bestaat er in beginsel namelijk geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Dat is slechts anders als verzoeksters een heel zwaar belang hebben bij het schorsen van de omgevingsvergunning.
10.1.
Verzoeksters hebben in hun aanvullend schrijven van 16 juli 2026 – kort samengevat – toegelicht dat hun belang is gelegen in de bescherming van hun woon- en leefomgeving, het voorkomen van gezondheidsrisico's en het voorkomen van feitelijke gevolgen die mogelijk niet of slechts tegen zeer ingrijpende maatregelen kunnen worden hersteld. Op zitting is daarover toegelicht dat de zorgen in de kern zijn gelegen in verspreiding van asbest als gevolg van het opslaan van asbesthoudend materiaal. Verzoeksters stellen in dat kader dat zij vrezen dat het achteraf technisch niet mogelijk is om het asbesthoudend materiaal verantwoord weg te halen.
10.2.
De belangen van het college en met name van vergunninghoudster bij het niet treffen van een voorlopige voorziening zijn allereerst gelegen in de noodzakelijke uitbreiding van stortcapaciteit. In de regio Apeldoorn is namelijk stortcapaciteit nodig. De stortplaats van vergunninghoudster is één van de weinige locaties in Nederland waar gestort mag worden. Daarnaast dient het bestreden besluit juist de belangen van omwonenden, nu (de voorschriften van) dat besluit zo zijn vormgegeven dat mogelijk door verzoeksters te ervaren milieueffecten juist zullen afnemen. Het treffen van een voorlopige voorziening zou juist nadelig zijn voor verzoeksters. Verder heeft vergunninghoudster (uiteraard) ook een financieel belang bij tijdige inwerkingtreding van de omgevingsvergunning.
10.3.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeksters geen zwaarwegend belang hebben die het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigt. Daarvoor is allereerst van belang dat het storten van asbesthoudend materiaal al is toegestaan op basis van de vigerende milieuvergunning. Het bestreden besluit brengt daarin op zichzelf geen verandering, met dien verstande dat in de nieuwe vergunning is voorgeschreven dat asbest apart wordt gestort. De (gestelde) gevolgen voor de gezondheid van het opslaan van asbesthoudend materiaal zouden zich dus nu ook al voor kunnen doen en zijn geen gevolg van het bestreden besluit. Bovendien brengt het ten opzichte van andere afvalstromen gescheiden storten minder risico’s met zich. Ten overvloede merkt de voorzieningenrechter nog op dat dat hij de vrees dat het technisch niet mogelijk is om als de vergunning geen stand houdt asbest veilig te saneren op voorhand ook niet deelt. Het verwijderen van asbest is aan strikte regelgeving gebonden en er zijn bedrijven die gecertificeerd zijn om asbest volgens deze regels te verwijderen.
10.4.
De voorzieningenrechter kent gelet op het voorgaande in dit geval dus een groter belang toe aan de onder 10.2 weergegeven belangen van vergunninghoudster en het college dan aan het belang van verzoeksters.

Conclusie en gevolgen

11. De voornaamste beroepsgronden van verzoeksters hebben geen redelijke kans van slagen. Daarnaast is de voorzieningenrechter niet gebleken van zodanig zware belangen aan de zijde van verzoeksters dat die het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom af.
11.1.
Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht bestaat dan ook geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Harten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Goldebeld, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
2.Als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo.
3.Het bestemmingsplan "Attero 2023", vastgesteld bij besluit van 23 februari 2026.
5.Zie bijvoorbeeld ABRvS 20 oktober 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2335.