ECLI:NL:RBGEL:2026:6187

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
31 juli 2026
Publicatiedatum
31 juli 2026
Zaaknummer
ARN 26/3661
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:18 ApvArt. 4:84 ApvArt. 125 GemeentewetArt. 7:11 AwbArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging begunstigingstermijn last onder bestuursdwang stallen caravan op parkeerplaats

Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen een last onder bestuursdwang die het college van burgemeester en wethouders van Barneveld oplegde wegens het stallen van een caravan op een parkeerplaats in strijd met artikel 4:18 van Pro de Algemene plaatselijke verordening (Apv).

De voorzieningenrechter stelt vast dat de overtreding niet ter discussie staat en dat het college in beginsel verplicht is handhavend op te treden. Verzoekers voerden aan dat handhaving onevenredig is vanwege hun persoonlijke omstandigheden, het risico op dakloosheid en het ontbreken van passende opvang. De rechter constateert een motiveringsgebrek in het bestreden besluit, maar acht dit herstelbaar in bezwaar en ziet geen reden voor een voorlopige voorziening.

Het college heeft toegelicht dat verzoekers de caravan mogen verplaatsen naar een toegestane locatie en dat maatschappelijke opvang beschikbaar is, waarbij rekening wordt gehouden met hun situatie. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat geen toezeggingen zijn gedaan door het college. Ook is geen sprake van strijd met artikel 8 EVRM Pro. De begunstigingstermijn van vier dagen is niet onredelijk kort, maar wordt uit coulance verlengd tot vier dagen na de uitspraak. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen, het bezwaar afgewezen en het griffierecht wordt in rekening gebracht.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen door verlenging van de begunstigingstermijn tot vier dagen na de uitspraak, terwijl het bezwaar wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/3661

uitspraak van de voorzieningenrechter van

in de zaak tussen

[verzoeker 1] en [verzoeker 2] , uit [woonplaats] , verzoekers

(gemachtigde: mr. Y. Kurt),
en

het college van burgemeester en wethouders van Barneveld

(gemachtigde: mr. L.P. Berg).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de aan verzoekers opgelegde last onder bestuursdwang in verband met het stallen van een caravan op de parkeerplaats aan de [adres] in Barneveld . Verzoekers zijn het niet eens met de opgelegde last onder bestuursdwang. Zij verzoeken daarom om een voorlopige voorziening en voeren daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoekers.
1.1.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de bezwaren van verzoekers geen redelijke kans van slagen hebben. Het college heeft de last onder bestuursdwang dus mogen opleggen. Niet in geschil is dat sprake is van een overtreding. Het college moet in beginsel handhavend optreden tegen overtredingen en er zijn geen andere redenen waarom het college in dit geval van handhaving had moeten afzien
.Handhavend optreden is naar voorlopig oordeel namelijk niet onevenredig en het vertrouwensbeginsel is ook niet geschonden. Wel ziet de voorzieningenrechter aanleiding om uit coulance de begunstigingstermijn te verlengen tot vier dagen na de verzenddatum van deze uitspraak.
1.2.
Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Dit oordeel heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 20 juli 2026 heeft het college de last onder bestuursdwang opgelegd
.Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 29 juli 2026 op zitting behandeld. Verzoekers, de gemachtigde van verzoekers en de gemachtigde van het college hebben deelgenomen aan de zitting.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Verzoekers zorgen volgens het college al geruime tijd voor overlast in de gemeente Barneveld. Zo is aan verzoekers, voor zover in deze zaak relevant, al eerder een gebiedsverbod voor de bebouwde kom van het dorp Barneveld opgelegd wegens het veroorzaken van overlast, onder andere door het onbevoegd aanwezig zijn op locaties waarvan verzoekers de toegang nadrukkelijk is verboden.
3.1.
Verzoekers verblijven op dit moment in een caravan op de parkeerplaats aan de [adres] in Barneveld. Volgens het college is dit niet toegestaan op grond van artikel 4:18 van Pro de Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Barneveld (de Apv). Volgens die bepaling is het – samengevat weergegeven – verboden om ten behoeve van recreatief nachtverblijf een kampeermiddel buiten een daartoe bestemd terrein te plaatsen en geplaatst te houden.
3.2.
Bij besluit van 20 juli 2026 heeft het college, nadat verzoekers eerst zijn gewaarschuwd bij brief van 13 januari 2026, een last onder bestuursdwang opgelegd. Verzoekers zijn gelast om de overtreding te beëindigen en beëindigd te houden vóór vrijdag 24 juli 2026. Bij besluit van 23 juli 2026 heeft het college de begunstigingstermijn verlengd tot en met 29 juli 2026. Als verzoekers niet vóór die tijd aan de last voldoen, zal het college bestuursdwang toepassen en de caravan zelf (laten) verwijderen.
3.3.
Verzoekers hebben tegen de opgelegde last onder bestuursdwang bezwaar gemaakt en hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
3.4.
Op zitting heeft het college de begunstigingstermijn verlengd tot één dag na de uitspraak van de voorzieningenrechter.
Toetsingskader
4. Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een overtreding van artikel 4:18 van Pro de Apv. Als sprake is van overtredingen, dan is het college bevoegd om daar handhavend tegen op te treden. Als uitgangspunt geldt dat het college ook gebruik moet maken van zijn bevoegdheid om handhavend op te treden. Dit wordt ook wel aangeduid als de beginselplicht tot handhaving.
4.1.
In bepaalde gevallen mag van het college toch worden verwacht dat het afziet van handhavend optreden. Dat is bijvoorbeeld het geval als handhavend optreden onevenredig is. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel zijn.
Is handhavend optreden onevenredig?
5. Verzoekers voeren aan dat handhavend optreden onevenredig is dan wel dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom handhavend optreden evenredig is. Het bestreden besluit leidt ertoe dat zij acuut dakloos worden en het college voorziet niet in een passende oplossing. Op zitting hebben verzoekers nog toegelicht dat verzoeker ziek is en dat daar in de maatschappelijke opvang onvoldoende rekening mee gehouden kan worden. Verzoekers menen dat pas tot ontruiming mag worden overgegaan nadat passende alternatieve opvang beschikbaar is. Daarnaast zijn de persoonlijke omstandigheden van verzoekers onvoldoende meegewogen. Zij wijzen expliciet op hun gezinssituatie, hun huisdieren, het feit dat ze al twee jaar dakloos zijn en eerdere pogingen tot het vinden van huisvesting nergens toe hebben geleid.
5.1.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat het bestreden besluit geen concrete beoordeling van de evenredigheid bevat. Er staat namelijk geen belangenafweging in het bestreden besluit, waarin de persoonlijke omstandigheden van verzoekers en de gevolgen van het handhavingsbesluit voor hen zijn afgewogen tegen het algemeen belang dat gediend is met handhaving. Er kleeft in zoverre dus een motiveringsgebrek aan het bestreden besluit. Zoals onder 1 is weergegeven, kan de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening treffen als het bezwaar van verzoekers een redelijke kans van slagen heeft. Het herstellen van (zoals in dit geval) een motiveringsgebrek in bezwaar leidt echter niet automatisch tot een gegrondverklaring van het bezwaar. Er vindt namelijk op de grondslag van het bezwaar een heroverweging van het primaire besluit plaats. Dat staat met zoveel woorden in artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Die heroverweging is juist bedoeld voor het herstellen van eventuele tekortkomingen in de motivering zonder dat dit tot een gegrond bezwaar leidt. In dit geval kan het gebrek in bezwaar nog worden hersteld en het is aannemelijk dat dit zal gebeuren. Hij ziet dus geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening vanwege dit motiveringsgebrek. Daarvoor is het volgende van belang.
5.1.1.
Op zitting en in het verweerschrift heeft het college toegelicht dat het voldoen aan de last niet per definitie tot gevolg heeft dat verzoekers dakloos worden. Om aan de last te voldoen moeten verzoekers de caravan weghalen van deze parkeerplaats. Zij mogen de caravan wel verplaatsen naar een locatie die als tijdelijke huisvesting kan functioneren, bijvoorbeeld op een kampeerterrein of op eigen terrein, aldus artikel 4:18 van Pro de Apv. Verzoekers worden dus niet inherent dakloos als gevolg van het bestreden besluit. Maar, zoals het college ook erkent, is dit niet uitgesloten en ligt het (gelet op het historie van verzoekers) voor de hand dat zij dakloos raken. Het college in het bestreden besluit daarom rekening gehouden met dit mogelijke gevolg. Anders dan verzoekers menen, heeft het college een alternatieve oplossing aangedragen om dakloosheid te voorkomen, namelijk de maatschappelijke opvang. Verzoekers kunnen hier per direct terecht.
5.1.2.
Verzoekers vinden dit weliswaar geen redelijk en passende oplossing, maar van het college hoeft niet verwacht te worden dat het voorziet in een woonruimte die aan alle wensen van verzoekers voldoet. Daar komt bij dat bij de maatschappelijke opvang rekening gehouden kan worden met de situatie van verzoekers. Het college heeft toegelicht dat verzoekers vanuit de maatschappelijke met verschillende instanties kunnen zoeken naar een huisvestingsalternatief dat langduriger of zelfs permanent tot oplossing van het probleem kan leiden. Ook is er ruimte om de huisdieren op te vangen en wordt rekening gehouden met de ziekte van verzoeker. Het college heeft de belangen van verzoekers, waaronder het risico op dakloosheid, dus afgewogen. Deze afweging is voldoende begrijpelijk.
5.2.
Ten slotte is handhavend optreden ook niet onevenredig vanwege concreet zicht op legalisatie. De gemachtigde van verzoekers heeft op zitting toegelicht dat zij geen ontheffing hebben aangevraagd van het verbod als bedoeld in artikel 4:18, eerste lid, van de Apv. [1] Er is dus geen concreet zicht op legalisatie.
5.3.
Concluderend: handhavend optreden is in dit geval niet onevenredig is. Deze bezwaargrond heeft dus geen redelijke kans van slagen.
Is sprake van strijd met artikel 8 van Pro het EVRM?
6. Verzoekers voeren aan dat de uitzetting uit hun caravan in strijd is met artikel 8 van Pro het EVRM. Omdat het college niet voorziet in passende opvang, is de inmenging in het privé- en gezinsleven niet proportioneel en noodzakelijk.
6.1.
Dit betoog slaagt niet. Het recht op privacy zoals beschermd door artikel 10 van Pro de Grondwet is ook beschermd door artikel 8 van Pro het EVRM, waarop verzoekers zich beroepen. De last onder bestuursdwang leidt niet tot schending van artikel 8 van Pro het EVRM. Voor zover er al sprake is van een inmenging in het privéleven, is dit volgens artikel 8, tweede lid, van het EVRM mogelijk als dit bij wet is voorzien en noodzakelijk is in het belang van (onder andere) de openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden, bescherming van de goede zeden of bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. De mogelijkheid van het college om handhavend op te treden is bij wet voorzien. [2] Daarnaast dient het tegengaan van overlast van het plaatsen van caravans buiten de daarvoor bestemde plaatsen in ieder geval het belang van het voorkomen van wanordelijkheden en het belang van bescherming van de rechten van anderen. De bezwaargrond heeft geen redelijke kans van slagen.
Is sprake van schending van het vertrouwensbeginsel?
7. Verzoekers zijn de afgelopen periode, volgens verzoekers mede op advies van mevrouw [naam] van de gemeente, telkens van parkeerplaats naar parkeerplaats verplaatst zolang zij geen andere huisvesting hadden. Aan deze handelwijze, die volgens verzoekers dus op aanwijzing van de gemeente tot stand is gekomen, mochten verzoekers een gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen. Zij mochten erop vertrouwen dat zij niet zonder passend alternatief door de gemeente gedwongen zouden worden hiermee te stoppen.
7.1.
Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel geldt volgens vaste rechtspraak een stappenplan. [3] Dat bestaat uit drie stappen. De eerste stap is de juridische kwalificatie van de uitlating waarop de betrokkene zich beroept, namelijk de vraag of die uitlating kan worden gekwalificeerd als een toezegging. Bij de tweede stap moet de vraag worden beantwoord of die toezegging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Indien beide vragen bevestigend worden beantwoord en er dus een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel kan worden gedaan, volgt de derde stap. Die betreft de belangenafweging. In het kader daarvan moet de vraag worden beantwoord of geen zwaarder wegende belangen aan het honoreren van de gewekte verwachtingen in de weg staan.
Is er sprake van een toezegging (stap 1) die aan het bestuursorgaan kan worden toegerekend (stap 2)?
7.2.
Om aan te nemen dat een toezegging is gedaan, dient degene die zich beroept op het vertrouwensbeginsel aannemelijk te maken dat sprake is van uitlatingen van ambtenaren die bij de betrokkene redelijkerwijs de indruk wekken van een welbewuste standpuntbepaling van het bestuur over de manier waarop in zijn geval een bevoegdheid al dan niet zal worden uitgeoefend. In dit geval hebben verzoekers niet onderbouwd en is ook anderszins niet aannemelijk geworden dat mevrouw [naam] toezeggingen heeft gedaan waaruit afgeleid zou worden dat het college niet van zijn handhavende bevoegdheid gebruik zou maken. Verzoekers hebben hier geen bewijsstuk van overgelegd. Daar komt bij dat mevrouw [naam] ontkent dat zij of andere gemeentelijke medewerkers verzoekers het gestelde advies hebben gegeven. Reeds daarom slaagt het beroep op het vertrouwensbeginsel niet. De bezwaargrond heeft daarom geen redelijke kans van slagen.
Is de begunstigingstermijn te kort?
8. Verzoekers wijzer erop, en hebben op zitting meermaals benadrukt, dat de geboden begunstigingstermijn van vier dagen onredelijk kort is. Op zitting heeft de gemachtigde nog toegelicht dat verzoekers betwisten dat sprake is van overlast, en dat die omstandigheid zou moeten leiden tot een langere begunstigingstermijn.
8.1.
Dit betoog slaagt niet. De begunstigingstermijn is niet onredelijk kort. Immers, volgens vaste rechtspraak geldt bij het bepalen van de lengte van de begunstigingstermijn als uitgangspunt dat deze termijn niet wezenlijk langer mag zijn dan nodig is om de overtreding te kunnen beëindigen. [4] Een begunstigingstermijn mag ook niet korter zijn dan nodig is om de overtreding te kunnen beëindigen.
8.1.1.
Verzoekers zijn – kort samengevat – gelast om de caravan van het parkeerterrein te verwijderen. Zij hebben niet aannemelijk gemaakt dat het niet binnen de gegeven termijn van vier dagen mogelijk is om deze overtreding te beëindigen. Anders dan verzoekers menen, hoeft de begunstigingstermijn niet zodanig lang te zijn dat verzoekers de mogelijkheid hebben om een voor hen passende woonruimte te vinden. Zoals onder 5.4 ook is benoemd, kunnen verzoekers zich per direct wenden tot de maatschappelijke opvang.
8.1.2.
Daar komt bij dat, zoals onder 3.2 is vermeld, verzoekers zijn gewaarschuwd dat plaatsing van de caravan op deze plek niet is toegestaan. Ondanks die waarschuwing hebben verzoekers de caravan geplaatst.
8.1.3.
Verder heeft het college voldoende onderbouwd waarom sprake is van overlast. Bij het verweerschrift is een tijdslijn bijgevoegd die is opgesteld door een procesregisseur Veiligheid en Zorg van de gemeente Barneveld. Die tijdlijn schets het beeld dat verzoekers sinds 2023 al de nodige overlast veroorzaken. De op die tijdlijn weergegeven feiten zijn ook niet concreet door verzoekers betwist. De bezwaargrond heeft daarom geen redelijke kans van slagen.
8.2.
Een begunstigingstermijn van vier dagen is in dit geval redelijk. Wel verstrijkt de begunstigingstermijn nu één dag na deze uitspraak. Een dergelijke termijn vindt de voorzieningenrechter te kort. Daarom ziet hij reden om uit coulance de begunstigingstermijn te verlengen tot vier dagen na de verzenddatum van deze uitspraak.

Conclusie en gevolgen

9. De bezwaargronden van verzoekers hebben geen redelijke kans van slagen. Desondanks wijst de voorzieningenrechter het verzoek toe en treft uit coulance een voorlopige voorziening. De begunstigingstermijn wordt verlengd tot vier dagen na de verzenddatum van deze uitspraak.
9.1.
Omdat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft en uit coulance een voorlopige voorziening wordt getroffen, bestaat voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht geen aanleiding. Over het griffierecht nog het volgende.
9.2.
De gemachtigde van verzoekers heeft aangegeven dat zijn cliënten niet in staat zijn om het griffierecht te betalen. Op 22 juli 2026 heeft de rechtbank een brief toegezonden met het verzoek om het beroep op betalingsonmacht binnen één week nader te onderbouwen. De gemachtigde van verzoekers heeft niet binnen deze termijn een onderbouwing aangeleverd. De voorzieningenrechter wijst het beroep op betalingsonmacht daarom af. Dat betekent dat het griffierecht nog in rekening wordt gebracht en zal worden afgeschreven van de rekening-courant van de gemachtigde van verzoekers.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
- verlengt de begunstigingstermijn bij wijze van voorlopige voorziening tot vier dagen na de verzenddatum van deze uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Goldebeld, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.De mogelijkheid hiervoor is opgenomen is artikel 4:18, derde lid, van de Apv.
2.De bevoegdheid van het college tot het opleggen van een last onder bestuursdwang volgt uit artikel 125 van Pro de Gemeentewet, in samenhang met artikel 4:84 van Pro de Apv
3.ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694.
4.Zie bijvoorbeeld ABRvS 11 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1791.