ECLI:NL:RBGEL:2026:623

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
28 januari 2026
Zaaknummer
C/05/456995 / HA ZA 25-387
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 Brussel I-bisArt. 24 Brussel I-bisArt. 25 Brussel I-bisArt. 7 Brussel I-bisArt. 30 Brussel I-bis
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Relatieve onbevoegdheid rechtbank Gelderland in civiele zaak met Ierse gedaagde

In deze civiele procedure vordert eiser schadevergoeding en terugbetaling van onverschuldigde betalingen van de Ierse vennootschap Cumberland en twee Nederlandse medegedaagden. De rechtbank onderzoekt haar internationale en relatieve bevoegdheid op grond van de Brussel I-bis Verordening.

Hoewel de vorderingen verband houden met onroerende zaken in het rechtsgebied van de rechtbank, betreft de vordering van eiser een persoonlijk recht en niet een zakelijk recht op onroerend goed, waardoor de exclusieve bevoegdheid van de rechtbank niet geldt. De vordering is gebaseerd op onverschuldigde betaling, ongerechtvaardigde verrijking en onrechtmatige daad, maar er zijn onvoldoende aanknopingspunten voor de plaats van het schadebrengende feit binnen het rechtsgebied van de rechtbank.

De rechtbank oordeelt dat vanwege de nauwe samenhang tussen de vorderingen tegen Cumberland en de Nederlandse medegedaagden, en het risico op onverenigbare beslissingen, de zaak gezamenlijk moet worden behandeld. Daarom wordt de procedure tegen Cumberland niet onbevoegd verklaard, maar wordt de gehele zaak verwezen naar de relatief bevoegde rechtbank Amsterdam.

Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten van het incident en het meer of anders gevorderde in de hoofdzaak wordt afgewezen. De hoofdzaak wordt integraal verwezen naar rechtbank Amsterdam voor verdere behandeling.

Uitkomst: De rechtbank Gelderland verklaart zich relatief onbevoegd en verwijst de zaak naar rechtbank Amsterdam.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/456995 / HA ZA 25-387
Vonnis in incident van 14 januari 2026
in de zaak van
[eiser],
ten tijde van dagvaarding wonende te [woonplaats] ,
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. S.N. Peijnenburg,
tegen
de vennootschap naar Iers recht
1.
CUMBERLAND INVESTMENT DESIGNATED ACTIVITY COMPANY,
gevestigd te Dublin, Ierland,
advocaat: mr. J. Meuleman,
2.
STACK NEWCO B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
advocaat: mr. J. Meuleman,
eisende partijen in het incident,
3.
[gedaagde 3],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
advocaat: mr. L.H. Rammeloo,
allen gedaagde partijen in de hoofdzaak,
hierna afzonderlijk te noemen: Cumberland, NewCo en [gedaagde 3] .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding
  • de conclusie van antwoord van [gedaagde 3]
  • de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring van Cumberland en NewCo
  • de incidentele conclusie van antwoord.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2.De beoordeling in het incident

2.1.
Volgens Cumberland heeft deze rechtbank geen internationale bevoegdheid in de procedure tegen haar. [eiser] betwist dat. Dit geschil over rechtsmacht moet worden beoordeeld aan de hand van de Brussel I-bis Verordening (nr. 1215/2012, verder: de Verordening). Cumberland heeft geen woonplaats in Nederland. De vraag is of zij toch voor de Nederlandse rechter kon worden opgeroepen. In dat verband is het volgende van belang.
2.2.
De vorderingen in de hoofdzaak tegen Cumberland houden verband met onroerende zaken in Heumen, die zijn gelegen in het rechtsgebied van deze rechtbank. In art. 24 aanhef Pro en onder 1 van de Verordening is, voor zover hier relevant, bepaald dat voor zakelijke rechten op onroerende goederen bij uitsluiting de gerechten van de lidstaat waar het onroerend goed gelegen is bevoegd zijn, ongeacht de woonplaats van partijen.
2.3.
Voor het aannemen van deze exclusieve bevoegdheid is niet voldoende dat de rechtsvordering een zakelijk recht op een onroerend goed betreft of dat zij in verband staat met een onroerend goed. De rechtsvordering moet op een zakelijk recht zijn gebaseerd en niet op een persoonlijk recht, dus op een recht dat jegens iedereen en niet alleen tegenover de debiteur geldend gemaakt kan worden. Vergelijk HvJ EG 9 juni 1994, ECLI:EU:C:1994:241, r.o. 13 en 14.
2.4.
In de hoofdzaak stelt [eiser] kort gezegd dat onder dreiging van executie van een hypotheekrecht op een horecapand in Heumen door Cumberland en NewCo, de eigenaar dit pand heeft verkocht en Cumberland heeft voldaan, terwijl Cumberland niet de hypotheekhouder was. Er is dus onverschuldigd aan Cumberland betaald en Cumberland is ongerechtvaardigd verrijkt. De voormalig eigenaar heeft recht op terugbetaling van de onverschuldigd betaalde bedragen, vermeerderd met rente, kosten en op vergoeding van gevolgschade. Deze vorderingen zijn aan [eiser] gecedeerd, aldus [eiser] .
2.5.
[eiser] vordert, concreet en kort gezegd, dat de rechtbank
- voor recht zal verklaren dat de vorderingen en de accessoire rechten van de oorspronkelijke hypotheekhouder bij afsplitsing op 5 september 2010 niet zijn overgegaan op een rechtsvoorgangster van Cumberland, en voorts,
- Cumberland (hoofdelijk tezamen met de medegedaagden) zal veroordelen,
a. a) tot vergoeding van de schade die [eiser] lijdt als gevolg van de onbevoegd gegeven opdracht tot veiling en de onbevoegde ontvangst van de betaalde bedragen, op te maken bij staat, en
b) tot betaling, al dan niet als voorschot, van € 1.092.000,00, bestaande uit het onverschuldigd betaalde bedrag van € 910.000,00 vermeerderd met geraamde overdrachtskosten, te vermeerderen met wettelijke rente,
met veroordeling van gedaagden in de proceskosten en beslagkosten.
2.6.
[eiser] beoogt aldus een persoonlijk recht jegens Cumberland te gelde te maken. Hij legt daaraan weliswaar ten grondslag dat het zakelijk recht van hypotheek niet is overgegaan, maar zijn vordering is niet op dat recht gebaseerd. Bovendien heeft [eiser] geen zelfstandig belang bij de gevorderde verklaring voor recht. Zijn belang daarbij is klaarblijkelijk slechts daarin gelegen dat de vorderingen tot schadevergoeding en terugbetaling toewijsbaar zijn. Deze rechtbank is dus niet op deze grond (exclusief) bevoegd.
2.7.
In zijn conclusie van antwoord in het incident beroept [eiser] zich nog op een forumkeuze voor de Nederlandse rechter in de overeenkomst van geldlening tussen de eigenaar en de geldgever. Nu zijn vorderingen echter juist erop zijn gebaseerd dat die contractuele band niet met Cumberland bestaat, kan de rechtbank niet op deze grond rechtsmacht aannemen, op de voet van art. 25 van Pro de Verordening.
2.8.
[eiser] legt aan zijn vordering tegen Cumberland in de eerste plaats onverschuldigde betaling, althans ongerechtvaardigde verrijking ten grondslag. Een vordering op deze grondslagen heeft geen betrekking op een verbintenis uit overeenkomst in de zin van art. 7 aanhef Pro en onder lid 1 van de Verordening, tenzij deze vordering nauw samenhangt met een contractuele band tussen de partijen, bijvoorbeeld bij een contractuele verplichting die beweerdelijk ongeldig is, door de wederpartij niet is uitgevoerd, of bij de uitvoering waarvan de eiser meent te hebben ‘overgepresteerd’. Vergelijk HvJ EU 9 december 2021, ECLI:EU:C:2021:985, r.o. 44-51. Een dergelijke nauwe samenhang ziet de rechtbank hier niet. Zoals gezegd stelt [eiser] nu juist dat een contractuele band met Cumberland nooit heeft bestaan. Uit voornoemd arrest van het HvJ EU, r.o. 52-57, volgt verder dat een vordering uit onverschuldigde betaling of ongerechtvaardigde verrijking ook geen betrekking heeft op een verbintenis uit onrechtmatige daad. Op deze gronden kan daarom geen rechtsmacht worden aangenomen.
2.9.
Anders dan Cumberland opwerpt heeft [eiser] zijn vordering klaarblijkelijk ook op een verplichting tot schadevergoeding uit onrechtmatige daad gegrond. Dit komt in de dagvaarding niet heel duidelijk naar voren. Daar worden de juridische grondslagen onverschuldigde betaling en ongerechtvaardigde verrijking enerzijds en schadevergoeding wegens onrechtmatige daad anderzijds, door elkaar c.q. cumulatief gebruikt. In het bijzonder gelet op randnummers 7, 43 en 64 van de dagvaarding moet deze echter zo worden begrepen dat (ook) schadevergoeding wegens onrechtmatige daad wordt gevorderd, welke daad daarin bestaat dat Cumberland (en NewCo) onder dreiging met de executie van een hypotheekrecht [eiser] tot betaling hebben bewogen terwijl zij dat recht niet hadden.
2.10.
De vraag is dan wat de plaats is waar dit schadebrengende feit zich heeft voorgedaan in de zin van art. 7 aanhef Pro en onder lid 2 van de Verordening. Voldoende duidelijke aanknopingspunten om deze plaats te bepalen heeft [eiser] echter niet verschaft. In het bijzonder is gesteld noch gebleken dat Cumberland of de toenmalige eigenaar destijds in het arrondissement van deze rechtbank was gevestigd. Wie destijds eigenaar was van de onroerende zaken in Heumen heeft [eiser] niet duidelijk gesteld. Uit de afrekening van [naam 1] van 18 april 2019 te [vestigingsplaats] (productie 3 bij dagvaarding) blijkt dat deze is verzonden aan [naam 2] op een adres in [vestigingsplaats] . Als die vennootschap inderdaad de eigenaar was en daar woonplaats had (zoals ook lijkt te volgen uit producties 1, 6 en 7 bij de incidentele conclusie), dan was zij ten tijde van de onrechtmatige daad niet in het rechtsgebied van deze rechtbank gevestigd. Uit de veilingvoorwaarden, productie 2 bij dagvaarding, volgt dat ook de tot executie aangezochte notaris, [gedaagde 3] , destijds niet in dat rechtsgebied was gevestigd. Dan kan niet worden aangenomen dat de plaats van handeling in het rechtsgebied van deze rechtbank is gelegen. Over de plaats waar dit handelen goederen van de eigenaar heeft aangetast heeft [eiser] zich niet uitgelaten. De transporterend notaris was destijds niet gevestigd in het rechtsgebied van deze rechtbank. Waar het zou gaan om vermindering van het vermogen van de eigenaar door de betaling aan Cumberland, geldt om de hiervoor genoemde redenen dat dit vermogen niet in het rechtsgebed van deze rechtbank kan worden gelokaliseerd.
2.11.
Bij dit alles neemt de rechtbank in aanmerking dat overdracht van de vordering uit onrechtmatige daad door de oorspronkelijke schuldeiser aan een ander, niet van invloed is op de bepaling van de plaats waar die daad heeft plaatsgevonden. Zie HvJ EU 21 mei 2015, ECLI:EU:C:2015:335, r.o. 35. Een cessie van de vordering van de eigenaar aan [eiser] , die ten tijde van dagvaarding in deze zaak in het rechtsgebied van deze rechtbank woonde, is dus niet van belang.
2.12.
Er zijn echter wel aanwijzingen dat een rechter in Nederland rechtsmacht heeft. Die aanwijzingen zijn sterk vanwege de twee in Nederland gevestigde medegedaagden van Cumberland. Anders dan Cumberland opwerpt, bestaat tussen de vorderingen tegen de verschillende gedaagden namelijk een zo nauwe band dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven. [eiser] vordert gedaagden hoofdelijk te veroordelen en de aangedragen feitelijke grondslag is voor de vorderingen tegen de verschillende gedaagden sterk verweven in die zin dat het handelen van Cumberland volgens [eiser] niet los kan worden gezien van het handelen van de andere gedaagden. De gestelde onvolkomen overgang van de vordering met nevenrechten op 5 september 2010 is bovendien, naar het voorlopig oordeel van de rechtbank, voor toewijzing van de vorderingen tegen alle gedaagden een cruciale schakel. Het risico op onverenigbare beslissingen is dus reëel. Volgens art. 8 aanhef Pro en onder lid 1 van de Verordening kan Cumberland dan ook worden opgeroepen voor het gerecht van de woonplaats van NewCo of van [gedaagde 3] .
2.13.
NewCo noch [gedaagde 3] is gevestigd in het rechtsgebied van deze rechtbank. Volgens Cumberland heeft deze rechtbank dan geen rechtsmacht. Dat klopt op zich, nu art. 8 aanhef Pro en onder lid 1 van de Verordening ook de relatief bevoegde nationale rechter aanwijst. Vergelijk HvJ EG 3 mei 2007, ECLI:EU:C:2007:262 r.o. 30 en HvJ EU 15 juli 2021, ECLI:EU:C:2021:604 r.o. 33. Rechtbank Amsterdam of rechtbank Rotterdam zou echter wel op deze grond rechtsmacht hebben in de procedure tegen Cumberland.
2.14.
NewCo vordert in het incident dat de procedure tegen haar op de voet van art. 110 lid 2 Rv Pro zal worden verwezen naar de relatief bevoegde rechtbank Amsterdam. Mocht de rechtbank rechtsmacht aannemen in de procedure tegen Cumberland, dan moet ook die procedure naar rechtbank Amsterdam worden verwezen, aldus Cumberland.
Als de rechtbank zich in de procedure tegen Cumberland onbevoegd zou verklaren op de voet van art. 27 van Pro de Verordening, zou dat ertoe leiden dat die procedure voor de Ierse rechter gevoerd zou moeten gaan worden, terwijl de verknochte procedures tegen de medegedaagden zullen worden vervolgd voor een Nederlandse rechter die wel rechtsmacht zou hebben in de procedure tegen Cumberland. Bovendien zal de Ierse rechter zich, vanwege deze samenhang, gesteld zien voor de vraag of aanhouding van zijn uitspraak op de voet van art. 30 lid 1 van Pro de Verordening of verwijzing naar de Nederlandse rechter krachtens het tweede lid van deze bepaling geboden is. Ook dergelijke samenhang moet worden beoordeeld aan de hand van de in 2.12. gehanteerde maatstaf, zoals volgt uit lid 3 van art. 30 van Pro de Verordening.
2.15.
Bij deze stand van zaken is de rechtbank van oordeel dat de eisen van een goede procesorde zich ertegen verzetten dat zij zich in de procedure tegen Cumberland daadwerkelijk onbevoegd verklaart. Die procedure zal tezamen met de procedures tegen NewCo en [gedaagde 3] worden verwezen naar de internationaal en relatief bevoegde rechtbank Amsterdam, zodat onverenigbare beslissingen zo veel mogelijk voorkomen kunnen worden.
2.16.
Daarbij wordt in aanmerking genomen dat [eiser] op ontoereikende gronden opwerpt dat deze rechtbank relatief bevoegd is. Hij heeft verwezen naar art. 102 en Pro art. 103 Rv Pro, waarin is bepaald dat in zaken betreffende verbintenissen uit onrechtmatige daad, respectievelijk onroerende zaken, ook de rechter bevoegd is van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan, respectievelijk waar de zaak is gelegen. Daarin kan [eiser] niet worden gevolgd, op de hiervoor in 2.10. en 2.6. genoemde gronden, die ook naar Nederlands procesrecht in de weg staan aan relatieve competentie.
2.17.
Verder is van belang dat [gedaagde 3] zich niet over verwijzing heeft kunnen uitlaten. Zij heeft zich ter zake van de bevoegdheid echter gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, zodat aangenomen kan worden dat zij zich niet tegen verwijzing verzet. Zij werpt wel op dat zij bij eventuele verwijzing, verwijzing naar rechtbank Rotterdam wenst, omdat zij in Rotterdam is gevestigd, dus om puur praktische redenen. Omdat zij zich niet heeft verzet tegen procederen in Arnhem en haar advocaat kantoor houdt in Amsterdam gaat de rechtbank daarin niet mee. Waarom [eiser] liever heeft dat de zaak naar rechtbank Rotterdam wordt verwezen heeft hij niet toegelicht. Daarom wordt ook aan die wens geen gehoor gegeven.
2.18.
Voor het vervolg van de procedure geldt nog het volgende.
Volgens [eiser] hebben Cumberland en NewCo in hun incidentele conclusie tevens voor antwoord ten gronde geconcludeerd en moeten zij daarvoor niet nogmaals de gelegenheid krijgen. Evident is echter dat de randnummers waarop [eiser] in dit verband heeft gewezen er slechts toe strekken de gronden van de vorderingen in het incident uiteen te zetten en niet al het verweer ten gronde bevatten. Voorshands ligt dan in de rede dat Cumberland en NewCo nog gelegenheid zullen krijgen om ten principale te antwoorden.
Ingevolgde art. 110 lid 2 en Pro art. 74 lid 1 Rv Pro zal de procedure worden vervolgd door oproeping van de wederpartijen bij exploot tegen een roldag naar keuze. Er zij op gewezen dat bij het opnieuw aanbrengen het verwijzingsvonnis en de tot aan de verwijzing genomen stukken, waaronder dus ook de conclusie van antwoord van [gedaagde 3] , moeten worden overgelegd, zo volgt uit art. 3.1 aanhef en onder i van het procesreglement.
2.19.
[eiser] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.

3.De beoordeling in de hoofdzaak

3.1.
Gelet op het voorgaande zal de hoofdzaak, in de stand waarin deze verkeert, integraal worden verwezen naar Rechtbank Amsterdam.

4.De beslissing

De rechtbank
in het incident
4.1.
verklaart zich relatief onbevoegd van de vorderingen in de hoofdzaak kennis te nemen,
4.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van het incident, aan de zijde van Cumberland en NewCo tot op heden begroot op € 792,00 (€ 614,00 aan salaris advocaat (1 punt, tarief II) + € 178,00 aan nakosten), te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
4.4.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in de hoofdzaak
4.5.
verwijst de hele zaak in de stand waarin zij zich bevindt, naar rechtbank Amsterdam, kamer voor andere zaken dan kantonzaken.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Boerwinkel en in het openbaar uitgesproken op
14 januari 2026.
512/943