In deze civiele procedure vordert eiser schadevergoeding en terugbetaling van onverschuldigde betalingen van de Ierse vennootschap Cumberland en twee Nederlandse medegedaagden. De rechtbank onderzoekt haar internationale en relatieve bevoegdheid op grond van de Brussel I-bis Verordening.
Hoewel de vorderingen verband houden met onroerende zaken in het rechtsgebied van de rechtbank, betreft de vordering van eiser een persoonlijk recht en niet een zakelijk recht op onroerend goed, waardoor de exclusieve bevoegdheid van de rechtbank niet geldt. De vordering is gebaseerd op onverschuldigde betaling, ongerechtvaardigde verrijking en onrechtmatige daad, maar er zijn onvoldoende aanknopingspunten voor de plaats van het schadebrengende feit binnen het rechtsgebied van de rechtbank.
De rechtbank oordeelt dat vanwege de nauwe samenhang tussen de vorderingen tegen Cumberland en de Nederlandse medegedaagden, en het risico op onverenigbare beslissingen, de zaak gezamenlijk moet worden behandeld. Daarom wordt de procedure tegen Cumberland niet onbevoegd verklaard, maar wordt de gehele zaak verwezen naar de relatief bevoegde rechtbank Amsterdam.
Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten van het incident en het meer of anders gevorderde in de hoofdzaak wordt afgewezen. De hoofdzaak wordt integraal verwezen naar rechtbank Amsterdam voor verdere behandeling.