ECLI:NL:RBGEL:2026:648

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
C/05/366125 / HZ ZA 20-73
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling schadeloosstelling en kostenvergoeding bij onteigening voor wegproject ViA15

De Staat der Nederlanden heeft een deel van het perceel van gedaagden onteigend voor de aanleg van een nieuwe weg in de gemeente Duiven (project ViA15). Partijen bereikten overeenstemming over de hoogte van de schadeloosstelling, die de rechtbank vaststelt op €193.000, bestaande uit werkelijke waarde, waardevermindering en bijkomende schade.

De rechtbank veroordeelt de Staat tot betaling van het resterende bedrag aan ING, de hypotheekhouder, en tot vergoeding van bijkomende schade en kosten van juridische en deskundige bijstand aan gedaagden. Tevens wordt rente toegekend over het verschil tussen voorschot en uiteindelijke schadeloosstelling.

Gedaagden vorderden een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn van de onteigeningsprocedure, maar de rechtbank wijst dit af omdat deze schade onvoldoende verband houdt met de onteigening en een aparte procedure vereist is.

De rechtbank wijst het dagblad De Gelderlander aan voor publicatie van het vonnis. De uitspraak is gedaan door drie rechters en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026.

Uitkomst: De rechtbank stelt de schadeloosstelling vast op €193.000 en veroordeelt de Staat tot betaling van kosten en rente aan gedaagden en ING, zonder immateriële schadevergoeding toe te kennen.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/366125 / HZ ZA 20-73
Vonnis van 28 januari 2026
in de zaak van
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat),
te 's Gravenhage,
eisende partij,
hierna te noemen: de Staat,
advocaat: mr. R.C.K. van Andel,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

te [woonplaats] ,
2.
[gedaagde 2],
te [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
advocaat: mr. C.F. van Helvoirt.
en
ING BANK N.V.,
te Amsterdam,
tussenkomende partij,
hierna te noemen: ING,
advocaat: mr. D.J. Posthuma.

1.De zaak in het kort

De Staat heeft een gedeelte van een perceel van [gedaagden] onteigend voor de aanleg van een nieuwe weg in onder meer de gemeente Duiven (project ViA15). De Staat en [gedaagden] hebben overeenstemming bereikt over de hoogte van de schadeloosstelling. In dit vonnis stelt de rechtbank de hoogte van de schadeloosstelling vast in lijn met wat partijen daarover zijn overeengekomen. Daarnaast stelt de rechtbank de kosten vast die de Staat aan [gedaagden] en ING (de hypotheekhouder) moet vergoeden. De Staat hoeft geen vergoeding te betalen voor immateriële schade die [gedaagden] stelt te hebben geleden door de lange duur van de procedure.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 18 juni 2025 waarbij pleidooi is bepaald
- de e-mail van mr. Van Andel van 3 november 2025, waarin zij aan de rechtbank laat weten dat het pleidooi niet hoeft door te gaan omdat partijen minnelijke overeenstemming hebben bereikt over de hoogte van de schadeloosstelling en alleen nog in overleg zijn over de kostenvergoedingen
- de akte van de Staat van 19 november 2025
- de antwoordakte van [gedaagden] van 26 november 2025
- de antwoordakte van ING van 26 november 2025
- de antwoordakte van de Staat van 10 december 2025.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De verdere beoordeling

3.1.
Bij tussenvonnis van 22 januari 2025 heeft de rechtbank ten name van de Staat en ten algemenen nutte de (vervroegde) onteigening uitgesproken van (grondplannummers 141.9 en 141.10) een gedeelte ter grootte van respectievelijk 544 m² en 227 m² van het aan [gedaagden] toebehorende perceel kadastraal bekend [kadastrale aanduiding] , zoals weergegeven op de kaart die aan dat vonnis is gehecht. Ook heeft de rechtbank het voorschot op de schadeloosstelling voor [gedaagden] vastgesteld op € 87.500,00 en bepaald dat dit bedrag rechtstreeks aan ING moest worden voldaan. Ten slotte heeft de rechtbank de al benoemde deskundigen opgedragen de schadeloosstelling van [gedaagden] te begroten.
3.2.
Op 30 april 2025 hebben de deskundigen hun definitieve deskundigenrapport gedeponeerd.
3.3.
Bij akte van 19 november 2025 heeft de Staat laten weten dat partijen op basis van het deskundigenrapport minnelijke overeenstemming hebben bereikt over de aan ING uit te keren schadeloosstelling en over de aan [gedaagden] en ING te betalen vergoeding in verband met de kosten van juridische en – in het geval van [gedaagden] – andere deskundige bijstand. [gedaagden] en ING hebben dit in hun antwoordaktes bevestigd. In navolging van het definitieve deskundigenadvies zijn partijen een schadeloosstelling overeengekomen van € 193.000,00.
Dit bedrag is als volgt opgebouwd:
  • werkelijke waarde onteigende € 21.877,50
  • waardevermindering overblijvende € 138.122,50
  • bijkomende schade
Totaal € 193.000,00
3.4.
De Staat heeft in zijn akte uiteengezet dat ING haar rechten kan uitoefenen ten aanzien van de werkelijke waarde van het onteigende en de waardevermindering van het overblijvende. De som hiervan bedraagt € 160.000,00. Partijen zijn overeengekomen dat de Staat aan ING, na aftrek van het aan ING betaalde voorschot, het resterende bedrag van € 72.500,00 zal betalen. Daarnaast is overeengekomen dat de Staat aan [gedaagden] de vergoeding voor bijkomende schade van € 33.000,00 zal betalen, te vermeerderen met een vergoeding voor het nadeel en de rente zoals hierna vermeld in 3.6.
3.5.
Gelet op de onder 3.3-3.4 bedoelde overeenstemming over de schadeloosstelling en omdat die overeenstemming de rechtbank niet onjuist voorkomt, zal de rechtbank de schadeloosstelling vaststellen op het overeengekomen bedrag van € 193.000,00. De rechtbank zal de Staat overeenkomstig het verzoek van partijen veroordelen tot betaling aan ING van het resterende bedrag van € 72.500,00. Verder zal zij de Staat overeenkomstig het verzoek van partijen veroordelen tot betaling aan [gedaagden] van de vergoeding voor bijkomende schade van € 33.000,00.
3.6.
De rechtbank zal verder bepalen dat de Staat aan [gedaagden] , zoals overeengekomen, over het verschil tussen de uiteindelijke schadeloosstelling en het voorschot een rentevergoeding van 1,5% (samengesteld per jaar) betaalt vanaf de datum van ontvangst van het voorschot tot aan de datum van dit eindvonnis. Daarnaast zal de rechtbank de Staat, overeenkomstig het verzoek van partijen, veroordelen tot vergoeding aan [gedaagden] van de wettelijke rente over de schadeloosstelling vanaf de datum van dit vonnis tot de dag van algehele betaling.
3.7.
De onder 3.3 bedoelde overeenstemming over de aan [gedaagden] en ING toekomende vergoedingen in verband met de kosten van juridische en – in daarnaast het geval van [gedaagden] – andere deskundige bijstand komt de rechtbank niet onjuist voor. De rechtbank zal de aan [gedaagden] toekomende vergoedingen voor juridische en andere deskundige bijstand dan ook vaststellen op de overeengekomen bedragen van € 35.994,73 (inclusief btw en € 914,00 griffierecht) respectievelijk € 28.874,95 (inclusief btw), dus in totaal € 64.869,68. De Staat heeft bij wijze van voorschot al een bedrag van € 20.331,36 (inclusief btw) aan [gedaagden] vergoed. Na aftrek van dit voorschot resteert een bedrag van € 44.538,32. De rechtbank zal de Staat veroordelen tot betaling van dat bedrag aan [gedaagden] Daarnaast zal de rechtbank de Staat veroordelen tot betaling aan ING van € 12.041,98 (exclusief btw omdat ING de btw kan verrekenen) voor de door ING gemaakte kosten van juridische bijstand.
3.8.
De Staat en [gedaagden] hebben de rechtbank verzocht te bepalen dat de Staat de kosten van de door de rechtbank benoemde deskundigen betaalt, na aftrek van de al betaalde voorschotten. De rechtbank zal overeenkomstig dit verzoek beslissen en de Staat veroordelen tot betaling van een bedrag van € 10.583,74 inclusief btw (€ 29.755,58 minus € 10.748,91 minus € 8.422,93).
Immateriële schade
3.9.
[gedaagden] betoogt dat de Staat in aanvulling op het bovenstaande ook de immateriële schade moet vergoeden die hij heeft geleden en lijdt door het overschrijden van de redelijke termijn in de zin van artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden waarbinnen de onteigeningsprocedure had moeten zijn afgewikkeld. De gerechtelijke onteigeningsprocedure – gerekend vanaf het verzoekschrift van 22 augustus 2019 tot het houden van een descente – duurt inmiddels meer dan zes jaar. De administratieve fase meegerekend – die is begonnen met het ter inzage leggen van het ontwerp KB per 8 november 2018 – duurt de onteigeningsprocedure inmiddels zelfs al meer dan zeven jaar, aldus [gedaagden] Volgens [gedaagden] is daarmee de redelijke termijn overschreden. Hij maakt aanspraak op een bedrag van € 5.000,00 bij wijze van vergoeding voor de immateriële schade die volgens hem het gevolg is van deze termijnoverschrijding.
3.10.
Voor toekenning van een vergoeding voor immateriële schade bestaat in deze procedure geen grond. De gestelde schade als gevolg van de lange duur van de behandeling van de zaak staat in onvoldoende verband tot de onteigening om te kunnen worden aangemerkt als gevolg van de onteigening [1] . De schade kan dan ook niet van de processuele wederpartij worden gevorderd. In geval van overschrijding van de redelijke termijn in een civiele procedure moet een daarop gerichte vordering tot schadevergoeding worden ingesteld in een afzonderlijke procedure uit onrechtmatige daad tegen het staatsonderdeel dat daarvoor aansprakelijk is. Dat is niet de eisende partij in deze procedure, te weten het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, maar het Ministerie van Justitie en Veiligheid.
Publicatie
3.11.
Tot slot zal de rechtbank een nieuws- en advertentieblad aanwijzen ter publicatie van dit vonnis.

4.De beslissing

4.1.
stelt de door de Staat aan [gedaagden] verschuldigde schadeloosstelling voor de bij het vonnis van 22 januari 2025 uitgesproken onteigening vast op een bedrag van € 193.000,00,
4.2.
veroordeelt de Staat om aan ING te betalen een bedrag van € 72.500,00 voor het deel van de resterende schadeloosstelling dat ING toekomt,
4.3.
veroordeelt de Staat om aan [gedaagden] te betalen een bedrag van € 33.000,00 voor het deel van de schadeloosstelling dat [gedaagden] toekomt, te vermeerderen met een rente van 1,5% (samengesteld per jaar) over het verschil tussen de uiteindelijke schadeloosstelling en het voorschot vanaf 12 februari 2025 tot aan de datum van dit vonnis, de som daarvan te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf vandaag tot aan de dag van de algehele voldoening,
4.4.
veroordeelt de Staat om aan ING te betalen een bedrag van € 12.041,98 (exclusief btw en inclusief griffierecht) voor de kosten van juridische bijstand,
4.5.
veroordeelt de Staat om aan [gedaagden] een bedrag van € 44.538,32 (inclusief btw en griffierecht en na aftrek van het al betaalde voorschot) voor de kosten van juridische en overige deskundige bijstand,
4.6.
veroordeelt de Staat in de kosten van de door de rechtbank benoemde deskundigen, vastgesteld op een bedrag van € 10.583,74 (inclusief btw en na aftrek van de al betaalde voorschotten),
4.7.
wijst het te Duiven verschijnende dagblad De Gelderlander aan als nieuwsblad waarin dit vonnis door de griffier bij uittreksel zal worden geplaatst.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. Vergunst, mr. K.H.A. Heenk en mr. M. Stempher en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026.
JE/Vg/KH/Ma

Voetnoten

1.Vgl. Hoge Raad 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:736