ECLI:NL:RBGEL:2026:683

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
26/316
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.1.1 WlzArt. 3.2.1 WlzArt. 2.2 RlzArt. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening voor extra zorguren bij terminale ALS-patiënte

Verzoekster, lijdend aan de progressieve ziekte ALS en afhankelijk van 24-uurs non-invasieve beademing, had een aanvraag voor Meerzorg op grond van de Wlz ingediend. Het zorgkantoor kende deze gedeeltelijk toe, maar stelde een maximum van 40 uur per week per zorgverlener, wat verzoekster niet voldoende achtte.

Zij maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening, omdat haar euthanasie gepland stond op 4 februari 2026 en zij tot die tijd intensieve zorg nodig had. De voorzieningenrechter oordeelde dat het belang van verzoekster bij continuering van de zorg zwaarder woog dan het belang van het zorgkantoor, temeer daar geen alternatieve zorg op korte termijn beschikbaar was.

Daarom werd bepaald dat de huidige zorgverleners over de periode van 19 januari 2026 tot het overlijden van verzoekster op 4 februari 2026 de daadwerkelijk gemaakte uren mochten declareren, ook als dit meer was dan 40 uur per week. Andere verzoeken werden afgewezen. Tevens werd het griffierecht aan verzoekster vergoed.

Uitkomst: De voorzieningenrechter staat toe dat zorgverleners van verzoekster meer dan 40 uur per week mogen declareren tot haar overlijden op 4 februari 2026.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/316

uitspraak van de voorzieningenrechter van

in de zaak tussen

[verzoekster], uit [plaats], verzoekster

(gemachtigde: R.M. Wiebing),
en

Menzis Zorgkantoor

(gemachtigde: mr. M.M.H.M. Veldman).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van verweerder van 22 oktober 2025, waarin de aanvraag voor Meerzorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) gedeeltelijk is toegewezen. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij heeft bezwaar gemaakt en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Zij voert daartoe een aantal gronden aan.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek gedeeltelijk toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Verzoekster lijdt aan de progressieve zenuw- en spierziekte ALS en heeft veel zorg nodig. Zij maakt 24 uur per dag gebruik van non-invasieve beademing in de vorm van een mond-neusmasker. Op 10 juli 2025 heeft verzoekster een aanvraag ingediend voor Meerzorg op grond van de Wlz.
2.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 22 oktober 2025 gedeeltelijk toegewezen. Verzoekster komt in aanmerking voor Meerzorg voor de zorginzet die samenhangt met de non-invasieve beademing. Daarbij is het verzoek om een hoger uurtarief voor de zorgverleners afgewezen, wordt er aan de gemachtigde van verzoekster als zorgverlener en [persoon A] geen reiskostenvergoeding toegekend, mogen de zorgverleners ieder niet meer dan 40 uur per week werkzaamheden verrichten voor verzoekster en wordt het verantwoordingsvrij budget afgewezen. Het pgb-budget dat aan verzoekster door verweerder is toegekend bedraagt € 157.533,48 per jaar met ingang van 1 februari 2025 tot en met 31 januari 2028.
2.2.
Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 27 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben via beeldverbinding deelgenomen: de gemachtigde van verzoekster, de gemachtigde van verweerder, mr. M. van der Meer Moor, mr. E. Koopman en [persoon B].

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Spoedeisend belang
3. Indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. [1]
3.1.
Niet in geschil is dat er sprake is van een spoedeisend belang nu de euthanasie van verzoekster staat gepland voor 4 februari 2026 en zij tot die tijd nog intensieve zorg nodig heeft.
Toetsingskader
4. In artikel 3.1.1. van de Wlz is geregeld welke vormen van zorg het verzekerde pakket omvat. Daaronder vallen onder meer persoonlijke verzorging, begeleiding, verpleging, behandeling, geneeskundige zorg en gebruik van hulpmiddelen.
4.1.
Op grond van artikel 3.2.1., eerste lid, onder b, onder 1, van de Wlz, heeft een verzekerde recht op zorg die op zijn behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden is afgestemd voor zover hij naar aard, inhoud en omvang en uit een oogpunt van doelmatige zorgverlening redelijkerwijs op die zorg is aangewezen omdat hij, vanwege een somatische of psychogeriatrische aandoening of beperking, een psychische stoornis of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap, een blijvende behoefte heeft aan 24 uur per dag zorg in de nabijheid, omdat hij zelf niet in staat is om op relevante momenten hulp in te roepen en hij, om ernstig nadeel voor hem zelf te voorkomen, door fysieke problemen voortdurend begeleiding, verpleging of overname van zelfzorg nodig heeft.
4.2.
Op grond van artikel 3.1.1., eerste lid en het tweede lid, van het Besluit langdurige zorg (Blz) heeft de verzekerde die is aangewezen op zorg, recht op samenhangende zorg behorende bij het bij de verzekerde best passende zorgprofiel. Bij ministeriële regeling worden zorgprofielen vastgesteld. De verzekerde heeft recht op meer zorg dan waarop hij op grond van het eerste lid recht heeft, voor zover meer zorg nodig is om te voorzien in zijn behoefte aan zorg.
4.3.
In artikel 2.2, eerste lid, onder c, van de Regeling langdurige zorg (Rlz) worden
specifieke zorgbehoeften genoemd die Meerzorg mogelijk maken. Daar valt onder meer non-invasieve beademing onder.
Aantal uren zorgverleners
5. Verzoekster stelt dat haar zorgverleners meer dan 40 uur per week werkzaamheden voor haar verrichten, maar dat verweerder weigert om meer dan 40 uur per week aan hen te vergoeden. Dit levert bij de zorgverleners grote financiële problemen op en brengt de continuïteit van de aan haar geleverde zorg in gevaar. Verzoekster was niet op de hoogte van de mogelijkheden voor zorg in natura, anders had zij daar zeker eerder gebruik van gemaakt. Verder stelt verzoekster dat de trage besluitvorming aan de zijde van verweerder heeft geleid tot de huidige penibele situatie van verzoekster en haar zorgverleners.
6. Verweerder voert aan dat de zorgverleners niet vallen onder het Arbeidstijdenbesluit, waardoor zij niet meer dan 40 uur per week werkzaamheden voor haar mogen verrichten. Met verzoekster is tijdens het huisbezoek ook besproken dat zij daar als pgb-beheerder zorg voor moet dragen. Indien de uren van de zorgverleners de behoefte aan zorg niet kunnen dekken, dan kan zorg in natura worden ingeschakeld. Bovendien is inherent aan thuis verzorgd worden dat een deel van de zorg neerkomt op mantelzorgers en dat deze uren niet worden vergoed.
7. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Als niet weersproken is komen vast te staan dat de gemachtigde van verzoekster als zorgverlener van verzoekster per week 47,5 uur aan werkzaamheden verricht en mevrouw [persoon A] 45,3 uur per week, maar dat zij maximaal 40 uur per week vergoed krijgen. Het systeem van verweerder staat zorgovereenkomsten c.q. declaraties van meer dan 40 uur per week niet toe. Verweerder heeft op zitting toegelicht dat zij zich, gelet op de regelgeving, moet houden aan die maximaal 40 uur per week per zorgverlener. Voor de overige uren kan volgens verweerder mantelzorg of zorg in natura worden ingezet.
Op zitting heeft verzoekster toegelicht dat zij, gelet op de zwaarte van de werkzaamheden (tillen), een beroep kan doen op een klein netwerk en dus vooral aangewezen is op de huidige zorgverleners. Zonder overuren van deze zorgverleners is de zorg voor verzoekster niet sluitend aanwezig. Verweerder heeft de voorzieningenrechter desgevraagd op zitting laten weten dat er niet per direct zorg in natura kan worden geregeld, zodat naar het oordeel van de voorzieningenrechter die oplossing van verweerder op dit moment niet meer als een reële oplossing kan worden gezien. Dat betekent dat verzoekster in de situatie verkeert dat zij 24-uurs hulp nodig heeft, maar dat die maar beperkt vergoed wordt als verweerder vast houdt aan de 40 uurs norm.
Gelet op de situatie dat verzoekster terminaal is, intensieve hulp nodig heeft en op korte termijn (4 februari 2026) zal komen te overlijden, geeft de voorzieningenrechter thans geen rechtmatigheidsoordeel maar beperkt hij zich tot een belangenafweging. De voorzieningenrechter acht het belang van verzoekster bij continuering van de zorg van een groter belang dan het belang van verweerder, temeer er geen andere adequate oplossing op korte termijn voorhanden is. Om die reden zal de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening treffen dat de huidige zorgverleners van verzoekster over de periode van 19 januari 2026 tot en met het overlijden van verzoekster op 4 februari 2026 die uren mogen declareren die zij daadwerkelijk hebben gemaakt, ook als dat meer is dan 40 uur per week.
Daarbij merkt de voorzieningenrechter ter verduidelijking op dat het in de gaten houden van verzoekster door slechts één persoon hoeft te geschieden.
Op momenten dat er ingegrepen dient te worden en er transfers van verzoekster nodig zijn, is de hulp van een tweede persoon nodig. Diegene die helpt op de momenten dat extra handen nodig zijn (bijvoorbeeld bij tillen of verschoning) mag enkel die uren declareren.
Er kan derhalve maximaal 168 uur per week aan zorg in de vorm van toezicht worden gedeclareerd.
7.1.
De voorzieningenrechter wijst alle overige verzoeken af. Deze kunnen in een eventuele bodemprocedure aan de orde komen.
7.2.
Wellicht ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat verweerder op zitting heeft aangegeven dat ook na het overlijden van verzoekster de vergoeding voor geleverde werkzaamheden zal worden gestort op de bankrekening van de desbetreffende zorgverlener.

Conclusie en gevolgen

8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek gedeeltelijk toe en schorst het besluit van 22 oktober 2025 tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar ten aanzien van het aantal te declareren uren per zorgverlener. De voorzieningenrechter treft de voorlopige voorziening dat de zorgverleners over de periode 19 januari 2026 tot aan het overlijden van verzoekster (4 februari 2026) die uren mogen declareren die zij daadwerkelijk hebben gemaakt, ook als dat meer dan 40 uur per persoon per week is.
9. De voorzieningenrechter ziet aanleiding te bepalen dat verweerder het griffierecht aan verzoekster moet vergoeden. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek gedeeltelijk toe en schorst het besluit van 22 oktober 2025 met betrekking tot het aantal te declareren uren per zorgverlener, tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
- treft de voorlopige voorziening dat de zorgverleners van verzoekster over de periode 19 januari 2026 tot aan haar overlijden (4 februari 2026) de daadwerkelijk gemaakte uren mogen declareren, ook als dat meer is dan 40 uur per persoon per week;
- wijst het verzoek voor het overige af;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 54,- aan verzoekster moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. van Schagen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A. de Wijse-Hageman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.