ECLI:NL:RBGEL:2026:709

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
C/05/440937 / ES RK 24-391
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Tussenbeschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met nevenvoorzieningen en voorlopige zorgregeling in een verstoorde verstandhouding tussen partijen

In deze zaak heeft de Rechtbank Gelderland op 15 januari 2026 een tussenbeschikking uitgesproken in een echtscheidingsprocedure tussen een vrouw en een man, die in 2007 zijn gehuwd en twee minderjarige kinderen hebben. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verstandhouding tussen partijen ernstig verstoord is en dat er een voorlopige zorgregeling moet worden getroffen in afwachting van hulpverlening. De vrouw heeft een verzoek tot echtscheiding ingediend, maar er is geen ouderschapsplan overgelegd. De rechtbank heeft desondanks het verzoek tot echtscheiding beoordeeld, omdat het aannemelijk is dat er geen ouderschapsplan kan worden overgelegd door de onenigheid tussen partijen. De rechtbank heeft de echtscheiding uitgesproken en de verzoeken over de hoofdverblijfplaats van de kinderen, de zorgregeling en de kinderalimentatie aangehouden tot 15 juni 2025, in afwachting van het verloop van de hulpverlening. De voorlopige zorgregeling houdt in dat de kinderen eens per twee weken op zaterdag en zondag bij de man verblijven, en in de andere week op donderdag na school. De rechtbank heeft ook een voorlopige informatieregeling vastgesteld, waarbij de vrouw de man om de drie weken moet informeren over de kinderen. De rechtbank heeft de man verplicht om € 328 per kind per maand aan de vrouw te betalen als kinderalimentatie, en heeft de verdeling van de voormalige echtelijke woning en inboedel geregeld. De rechtbank heeft de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de partijen hoger beroep instelt.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK GELDERLAND
Familie- en jeugdrecht
Zittingsplaats Arnhem
Zaakgegevens: C/05/440937 / ES RK 24-391 (echtscheiding)
C/05/453272 / FA RK 25-2126 (huwelijksvermogensrecht)
Datum uitspraak: 15 januari 2026
tussenbeschikking echtscheiding met nevenvoorzieningen
in de zaak van
[naam vrouw](hierna: de vrouw),
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. A.M. Slootweg te Barneveld,
tegen
[naam man](hierna: de man),
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. M.M. Strengers te Soesterberg.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op 5 september 2024;
  • het F9-formulier met aanvullende stukken van de vrouw van 19 september 2024;
  • het exploot van betekening van 17 september 2024;
  • het verweerschrift met zelfstandig verzoek van de man van 26 november 2024;
  • het verweerschrift tegen zelfstandig verzoek met tevens aanvullende verzoeken van de vrouw van 21 januari 2025;
  • het verweerschrift op aanvullende verzoeken, tevens aanvulling zelfstandige verzoeken van de man van 24 februari 2025;
  • het verweerschrift op zelfstandige verzoeken tevens inhoudende aanvullend verzoek van de vrouw van 7 april 2025;
  • het verweerschrift op aanvullend verzoek, tevens wijziging zelfstandig verzoek van de man van 7 mei 2025;
  • het formulier relatievermogensrecht van de vrouw van 9 juli 2025;
  • het formulier relatievermogensrecht van de man van 14 juli 2025;
  • het F9-formulier van de man van 23 juli 2025;
  • de aanvulling/wijziging zelfstandige verzoeken, tevens akte overleggen aanvullende producties van de man van 16 november 2025;
  • de brief met wijziging verzoeken en aanvullende stukken van de vrouw van 17 november 2025;
  • het F9-formulier met aanvullende stukken van de vrouw van 18 november 2025;
  • het F9-formulier met aanvullende stukken van de vrouw van 19 november 2025;
  • het F9-formulier met gewijzigd verzoek van de vrouw van 25 november 2025.
1.2.
De zaak is besproken op de mondelinge behandeling van 27 november 2025 met gesloten deuren. Daarbij waren de beide partijen aanwezig, bijgestaan door hun advocaten. De zittingsvertegenwoordigster van Raad voor de Kinderbescherming is, met bericht van kennisgeving, niet verschenen wegens een overmachtssituatie.
1.3.
De minderjarige [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn, gelet op hun leeftijd, in de gelegenheid gesteld om hun mening kenbaar te maken. [minderjarige 2] heeft geen gebruik gemaakt van de uitnodiging haar standpunt schriftelijk en/of mondeling aan de kinderrechter kenbaar te maken. [minderjarige 1] heeft op 24 november 2025 met de kinderrechter gesproken en verteld wat zij van het verzoek vindt.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn op [huwelijksdatum] 2007 in de [gemeente] met elkaar gehuwd.
2.2.
Zij hebben de Nederlandse nationaliteit.
2.3.
De minderjarige kinderen van partijen zijn:
  • [naam minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2012 in [gemeente] ;
  • [naam minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2014 in [gemeente] .
2.4.
Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 24 december 2024 is, voor zover nu relevant:
  • bepaald dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan de vrouw worden toevertrouwd;
  • een zorgregeling vastgesteld waarbij de kinderen bij de man verblijven:
 zo lang de man nog niet over een ruimte beschikt waar de zorgregeling kan worden uitgevoerd zonder dat derden daarbij aanwezig zijn, één keer per twee weken op zaterdag van 9.00 uur tot 17.00 uur en op zondag van 12.00 uur tot 19.00 uur;
 zodra de man over een ruimte beschikt waar de zorgregeling kan worden uitgevoerd zonder dat derden daarbij aanwezig zijn, één keer per twee weken van zaterdag 9.00 uur tot zondag 19.00 uur;
  • bepaald dat de man met ingang van 1 januari 2025 als kinderalimentatie aan de vrouw zal betalen € 340 per kind per maand;
  • bepaald dat de vrouw de man één keer per drie weken per e-mail zal informeren over de kinderen en bij spoed tussentijds via WhatsApp of telefonisch;
  • bepaald dat de vrouw bij uitsluiting is gerechtigd tot het gebruik van de echtelijke woning gelegen aan de [adres] [woonplaats] .

3.De beoordeling

3.1.
Deze rechtbank is bevoegd omdat partijen in het rechtsgebied van de rechtbank Gelderland wonen.
De echtscheiding
Ontvankelijkheid
3.2.
In de wet staat dat ouders pas een verzoek tot echtscheiding kunnen doen, als zij een ouderschapsplan hebben gemaakt waarin zij afspraken hebben gemaakt over hun kind(eren). [1] In dit geval is er geen ouderschapsplan overgelegd. Toch zal de rechtbank het verzoek tot echtscheiding van zowel de vrouw als de man beoordelen. Het is namelijk voldoende aannemelijk dat er redelijkerwijs geen ouderschapsplan kan worden overgelegd, omdat de ouders niet tot een overeenstemming kunnen komen over regelingen voor de kinderen. Het verzoek van de vrouw om een ouderschapsplan aan te hechten aan de beschikking wordt afgewezen, omdat er geen ouderschapsplan is.
Inhoudelijk
3.3.
De rechtbank zal op verzoek van beide partijen de echtscheiding uitspreken. In de wet staat dat je mag scheiden als je huwelijk duurzaam is ontwricht. Daarvan is sprake als het niet meer mogelijk is om met elkaar samen te leven en dat het er niet naar uitziet dat het beter wordt. De vrouw en de man hebben gezegd dat dit zo is.
3.4.
De vrouw heeft de volgende verzoeken ingetrokken:
  • Het verzoek om te bepalen dat de spaarrekeningen van de kinderen worden toegedeeld aan de man, onder de verplichting om aan de vrouw de helft van de saldi te voldoen en onder de verplichting voor beide partijen om de saldi uitsluitend ten goede van de kinderen te laten komen;
  • Het verzoek om partijen te veroordelen om de belastingaangifte IB 2024 in overleg met elkaar te doen en over te gaan tot verrekening bij helfte van de teruggave c.q. aanslagen uit hoofde van de Inkomstenbelasting 2024;
  • Het verzoek om de man te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1.452,73 aan de vrouw op grond van artikel 1:84 BW;
  • Het verzoek om aan de vrouw toe te kennen het recht op voortgezet gebruik van de woning gedurende zes maanden na inschrijving van de echtscheiding;
  • Het verzoek om de man te veroordelen om met ingang van datum beschikking bij te dragen in het levensonderhoud van de vrouw met een bedrag van € 207 bruto, maandelijks bij vooruitbetaling te voldoen;
  • Het verzoek/de opmerkingen ten aanzien van de bitcoins van de man.
Op die verzoeken hoeft daarom niet meer te worden beslist.
3.5.
De man heeft het volgende verzoek ingetrokken:
- Het verzoek om de vrouw te veroordelen om aan de man te vergoeden de helft van de door hem na ontbinding van de gemeenschap van goederen betaalde hypothecaire lasten met betrekking tot de op de woning rustende hypothecaire geldlening over de maand december 2024, zijnde een bedrag van € 695,73, te vermeerderen met de wettelijke rente gerekend over de periode ingaande veertien dagen na dagtekening van de beschikking tot de dag der algehele voldoening.
Op dat verzoek hoeft daarom niet meer te worden beslist.
3.6.
Partijen zijn het niet eens over:
  • de regeling ter verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (de zorgregeling);
  • de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen van partijen (de kinderalimentatie);
  • de gebruikersvergoeding voor de echtelijke woning;
  • de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk.
Deze onderwerpen komen hierna aan de orde.
De hoofdverblijfplaats, de zorgregeling en de informatieregeling
Verzoeken
3.7.
De vrouw verzoekt - na intrekking en wijziging - de rechtbank:
te bepalen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw;
tussen de kinderen en de man een zorgregeling vast te stellen, die inhoudt dat de kinderen:
 eens per twee weken op de zaterdag van 9.00 uur tot 17.00 uur en op de zondag van 12.00 uur tot 19.00 uur bij de man zijn;
 in iedere schoolvakantie in de weken dat de kinderen niet op vakantie zijn, op de donderdag van 9.00 uur tot 17.00 uur;
 als de kinderen in het paasweekend bij hun vader zijn, dan aansluitend de tweede paasdag van 9.00 uur tot 17.00 uur en als de kinderen in het pinksterweekend bij de man zijn, dan aansluitend de tweede pinksterdag van 9.00 uur tot 17.00 uur;
 in de even jaren op eerste kerstdag van 12.00 uur tot 19.00 uur en in de oneven jaren op tweede kerstdag van 12.00 uur tot 19.00 uur;
 in de even jaren op nieuwjaarsdag van 12.00 uur tot 19.00 uur en in de oneven jaren op oudejaarsdag van 12.00 uur tot 19.00 uur.
3.8.
De man verzoekt – na intrekking en wijziging – de rechtbank:
I. te bepalen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de Basis Registratie Personen zullen worden ingeschreven aldus dat de aanspraak op kindgebonden budget het meest optimaal zal zijn;
II. partijen te verwijzen naar het ingevolge de beschikking voorlopige voorzieningen reeds geselecteerde hulpverleningstraject (communicatie- en bemiddelingstraject voor ouders) uit te voeren door Entrea en de definitieve beslissingen over het hoofdverblijf en de zorgregeling aan te houden,
en/of
te benoemen een bijzondere curator voor de kinderen van partijen ten einde een goed beeld te krijgen van de wensen en de belangen van de kinderen, hun belangen waar te nemen en hen zowel in als buiten rechte te vertegenwoordigen,
en/of
een onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming te gelasten ter verkrijging van een onderbouwd advies en het verkrijgen van een goed en volledig beeld van de kinderen in de opgroei- en opvoedsituatie, het verkrijgen van zicht op de achterliggende feiten en omstandigheden van het conflict en de escalaties en het verkrijgen van achtergrondinformatie van bij het gezin betrokken derden en de vraag naar welke hulp en interventies helpend kunnen zijn en de vraag met welke voorzieningen de belangen van de kinderen het meest worden gediend en/of dit uit te breiden met een beschermingsonderzoek;
III. een informatie- en consultatieregeling vast te stellen ingevolge waarvan de vrouw de man driewekelijks – of zoveel vaker als nodig is – schriftelijk dient te informeren over tenminste:
a. de lichamelijke en geestelijke gezondheid van de kinderen;
b. bezoeken, onderzoeken, behandelingen etc. door medici of paramedici;
c. de schoolprestaties van de kinderen, rapporten en ouderavonden en andere schoolactiviteiten die toegankelijk zijn voor ouders;
d. de sociale en emotionele ontwikkeling van de kinderen;
e. vrijetijdsbesteding (zoals sport en hobby’s);
waarbij ouders elkaar tijdig en voorafgaand schriftelijk dienen te consulteren over belangrijke beslissingen betreffende de kinderen zoals:
f. schoolkeuze of wijziging van school of opleidingsrichting;
g. medische behandelingen, ingrepen of onderzoeken;
h. verhuizingen of wijzigingen van hoofdverblijfplaats;
i. reizen naar het buitenland;
j. aanvraag van identiteitskaart of paspoort;
k. beheer vermogen;
en de vrouw de man in de gelegenheid stelt schriftelijk vragen te stellen over de kinderen die zij binnen een redelijke termijn van maximaal een week na verzending (of zoveel eerder als de situatie daarom vraagt) zal beantwoorden.
Aanhouding definitieve beslissing
3.9.
Zoals met partijen tijdens de mondelinge behandeling besproken, houdt de rechtbank de verzoeken over de hoofdverblijfplaats, de zorgregeling en de informatieregeling voor zes maanden aan in afwachting van het verloop van de hulpverlening. De verzoeken van de man over de benoeming van een bijzonder curator danwel het gelasten van een onderzoek door de Raad vindt de rechtbank prematuur, omdat partijen nog moeten starten met hulpverlening. Bovendien heeft de (advocaat van de) man tijdens de mondelinge behandeling bevestigd dat die verzoeken subsidiair zijn, en dat het primaire verzoek van de man is om de beslissing aan over de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling aan te houden in afwachting van hulpverlening.
Hulpverlening
3.10.
In de procedure voorlopige voorzieningen hebben partijen tijdens de mondelinge behandeling aangegeven bereid te zijn om hulpverlening te starten om hun verstandhouding en onderlinge communicatie te verbeteren. Zij zijn hiervoor doorverwezen via het Uniform Hulpaanbod. In onderhavige procedure is gebleken dat die hulpverlening nog niet van de grond is gekomen. Ongeacht de oorzaak van het feit dat de hulpverlening nog niet is gestart, vindt de rechtbank dit een enorme gemiste kans. Er is sinds de procedure voorlopige voorzieningen een jaar verstreken zonder dat partijen stappen hebben gezet om nader tot elkaar te komen. De rechtbank ziet dat beide ouders goede intenties hebben en het beste met hun kinderen voor hebben. Echter, door de verstoorde verstandhouding tussen partijen is continu sprake van spanningen waar (ook) de kinderen onder lijden. De rechtbank vindt dit zeer zorgelijk en maakt zich dan ook grote zorgen over het opgroeien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] als het partijen niet lukt om (met hulpverlening) de huidige patronen te doorbreken.
3.11.
Tijdens de mondelinge behandeling in deze procedure hebben partijen aangegeven dat het project bij Entrea Lindenhout op korte termijn na het afgeven van deze beschikking zal starten. De rechtbank acht het van groot belang dat hulpverlening nu wel van de grond komt. Hulpverlening kan partijen helpen bij het verwerken van hun verdriet rondom het verbreken van de relatie, zodat de verbroken partnerrelatie de relatie tussen partijen als ouders van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet (langer) belemmert en de communicatie onderling verbetert. Partijen zijn het tegenover hun kinderen verplicht om zich volledig open te stellen ten aanzien van de hulpverlening, om zo het hulpverleningstraject een maximale kans van slagen te geven. Mogelijk dat het partijen dan lukt om in de toekomst zelf afspraken te maken over de zorg voor hun kinderen.
Voorlopige zorgregeling
3.12.
In afwachting van de definitieve beslissing over de zorgregeling bepaalt de rechtbank dat de kinderen eens per twee weken op de zaterdag van 9.00 uur tot 17.00 uur en op de zondag van 12.00 uur tot 19.00 uur bij de man zijn. Daarnaast bepaalt de rechtbank dat de kinderen in de andere week van donderdag uit school tot en met het avondeten bij de man zijn.
3.13.
De rechtbank acht het in het belang van de kinderen dat zij wekelijks omgang hebben met de man. Als de kinderen en de man regelmatiger contact hebben, weet de man beter wat er speelt in het leven van de kinderen. Naar de rechtbank hoopt, komt er hierdoor minder druk op de omgangsmomenten te liggen waardoor deze meer ontspannen kunnen verlopen. Door partijen is niet gesteld dat deze extra donderdagmiddag niet haalbaar zou zijn vanwege sport- en/of reistijd. De man heeft gezegd dat hij zijn werk kan plooien naar de omgang met de kinderen. Bovendien heeft de vrouw verzocht om de zorgregeling in de vakanties uit te breiden naar de donderdag. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de uitbreiding naar een tweewekelijkse omgang op donderdagmiddag uit school voor partijen uitvoerbaar is.
3.14.
Hoewel de man tijdens de mondelinge behandeling heeft gezegd dat hij graag zou zien dat de kinderen ook bij hem overnachten, acht de rechtbank dit – gelet op de huidige gespannen verhoudingen – op dit moment niet in het belang van de kinderen. Dit neemt niet weg dat de rechtbank het een logische stap zou vinden dat, zodra de hulpverlening dit in het belang van de kinderen acht, een overnachting tussen de zaterdag en zondag tijdens het omgangsweekend van de man en de kinderen een eerste stap in de uitbreiding van de zorgregeling zou zijn. Dit zou dan immers meer rust brengen in het weekend dat de kinderen omgang hebben met de man.
3.15.
De rechtbank bepaalt dat tijdens de vakantie- en feestdagen de reguliere (voorlopige) zorgregeling doorloopt, omdat de kinderen zijn gebaat bij zoveel mogelijk rust en structuur. Dit neemt niet weg dat het partijen vrijstaat om zelf (onder leiding van de hulpverlening) aanvullende afspraken over de vakantie- en feestdagen te maken.
Voorlopige informatieregeling
3.16.
De rechtbank bepaalt als voorlopige informatieregeling dat de regeling uit de procedure voorlopige voorzieningen wordt voortgezet. Dit betekent dat de vrouw de man één keer per drie weken per e-mail moet informeren over de kinderen en bij spoed tussentijds via WhatsApp of telefonisch.
3.17.
Hoewel de rechtbank begrip heeft voor het feit dat de man wil weten wat er in het leven van de kinderen speelt en een prominente(re) rol in hun leven wil hebben, is het opleggen van een uitgebreide informatieregeling, zoals de man heeft verzocht, naar het oordeel van de rechtbank niet de oplossing. De oplossing zit in het verbeteren van de verstandhouding tussen partijen. Partijen moeten een modus vinden om met elkaar op een zakelijke manier te communiceren over gezagsbeslissingen. Dit houdt in dat partijen elkaar over en moeten antwoorden op vragen over gezagsbeslissingen. Aan de andere kant is hierbij ook belangrijk dat partijen elkaar niet te frequent blijven benaderen met vragen. Wat de rechtbank betreft is dit een onderwerp dat partijen met prioriteit met de hulpverlening moeten oppakken.
De gebruiksvergoeding
3.18.
De man verzoekt de rechtbank, in geval aan de vrouw het voortgezet gebruik van de echtelijke woning zal worden toegekend met ingang van de datum van deze beschikking, althans met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, de vrouw te veroordelen om bij wege van gebruiksvergoeding de volledige hypotheekrente en aflossingen voor de op de woning rustende hypothecaire geldlening te voldoen, alsmede alle overige eigenaarslasten, uitgezonderd dat deel van de aflossingen op de hypothecaire geldlening dat de man aangaat, te weten de helft.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man gezegd dat hij dit verzoek handhaaft, ondanks dat de vrouw haar verzoek om het voortgezet gebruik heeft ingetrokken.
De vrouw heeft verweer gevoerd.
3.19.
Ten aanzien van de gebruiksvergoeding overweegt de rechtbank dat de vergoeding in de zin van artikel 1:165 lid 1 BW moet worden geacht te strekken ter compensatie van het gemis van gebruik en genot van de echtelijke woning dat aan ieder der echtgenoten in gelijke mate toekomt, maar aan een van hen wordt onthouden. Uitgangspunt is dat de redelijkheid bepalend is voor het beantwoorden van zowel de vraag of een gebruiksvergoeding verschuldigd is als de vraag hoe hoog deze moet zijn. In dit geval vindt de rechtbank het niet redelijk om aan de man een gebruiksvergoeding toe te kennen. Partijen zijn het eens dat de man de gelegenheid krijgt om de woning over te nemen. De vrouw heeft toegezegd de woning direct te zullen verlaten als de toedeling aan de man rond is. Het is aan de man om deze termijn zo kort mogelijk te houden.
De kinderalimentatie
3.20.
De vrouw verzoekt de rechtbank te bepalen dat de man aan haar een bedrag van
€ 340 per kind per maand betaalt als kinderalimentatie.
3.21.
Omdat de vaststelling van de kinderalimentatie (mede) afhankelijk is van de definitieve hoofdverblijfplaats en zorgregeling en de verzoeken daarover worden aangehouden, zal de rechtbank het verzoek om kinderalimentatie eveneens aanhouden. Hierna zal de rechtbank wel een voorlopige kinderalimentatie berekenen, op basis van de huidige (voorlopige) zorgregeling.
Conclusie
3.22.
De rechtbank zal beslissen dat de man per kind per maand aan de vrouw vanaf de datum van deze beschikking een kinderalimentatie van € 328 moet betalen. De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt. Daarbij gaat zij in op de standpunten van partijen, voor zover die voor de beoordeling van belang zijn. De berekeningen die de rechtbank heeft gemaakt, zijn als bijlagen aan deze beschikking toegevoegd. Bij de berekeningen rondt de rechtbank af op hele euro’s.
Ingangsdatum
3.23.
Voordat de rechtbank kan gaan rekenen, moet zij weten welke gegevens en belastingtarieven zij moet gebruiken bij die berekening. Daarom moet de rechtbank eerst beslissen vanaf welk moment de kinderalimentatie gaat gelden.
3.24.
De man verzoekt te bepalen dat de ingangsdatum wordt vastgesteld op 1 januari 2025, althans 14 januari 2025, althans 23 februari 2025, althans een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen ingangsdatum, en voor zover nodig de beschikking voorlopige voorzieningen van 24 december 2024 te wijzigen en te bepalen dat hetgeen de man per de ingangsdatum meer heeft voldaan zal worden verrekend met het aandeel van de vrouw in de overwaarde van de echtelijke woning en zal dienen te worden voldaan per de datum van levering van de woning aan de man dan wel aan koper(s).
De vrouw verzoekt uit te gaan van de datum van deze beschikking als ingangsdatum.
3.25.
De rechtbank overweegt als volgt. De wet [2] laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. De rechter kan daarbij een bijdrage wijzigen over een periode in het verleden, maar moet daar terughoudend mee omgaan omdat dit flinke gevolgen voor partijen kan hebben.
3.26.
Hier hanteert de rechtbank de datum van de beschikking als ingangsdatum, omdat er een voorlopige voorziening is gegevens voor de duur van deze procedure. Bovendien is het bedrag in de voorlopige voorziening (€ 340 per kind per maand) slechts marginaal hoger dan de in onderhavige procedure vastgestelde voorlopige kinderalimentatie. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de ingangsdatum in het verleden vast te stellen. Als de man vindt dat het bedrag uit de voorlopige voorziening niet juist is vastgesteld, dan is de aangewezen route voor hem om een procedure wijziging voorlopige voorziening te starten.
Behoefte
3.27.
Bij de berekening van kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind zijn. Dat wordt de ‘behoefte’ van het kind genoemd. De hoogte van de behoefte hangt af van de hoogte van het gezinsinkomen. Hoe meer ouders te besteden hebben, hoe meer zij uitgeven aan hun kinderen. Verder wordt rekening gehouden met het aantal kinderen dat tot het gezin behoort. Uit onderzoek blijkt namelijk dat naarmate er meer kinderen tot het huishouden behoren, de totale kosten van de kinderen weliswaar stijgen, maar dat de gemiddelde kosten per kind daartegenover dalen. Partijen zijn in augustus 2024 feitelijk uit elkaar gegaan, zodat 2024 het peiljaar is voor de behoefte. Ook zijn partijen het eens dat het netto besteedbaar gezinsinkomen voor scheiding meer dan € 6.000 bedroeg. De behoefte van de kinderen bedraagt dus de maximale behoefte volgens de tabellen van het Nederlands Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) die de rechtbank gebruikt om de behoefte vast te stellen. De behoefte van de kinderen bedroeg in 2024 € 1.470 per maand, dus per kind € 735 per maand. Gecorrigeerd voor de inflatie (geïndexeerd) is dat nu in 2026 € 819 per kind per maand.
Draagkracht ouders
3.28.
Bij de berekening van de kinderalimentatie moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van de ouders kan betalen. Dat wordt de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd. Volgens de wet moeten de ouders namelijk naar draagkracht in de behoefte van de kinderen voorzien. [3]
3.29.
Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de methode die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld. Bij die methode kijkt de rechtbank naar wat er van het inkomen van een ouder overblijft nadat de noodzakelijke lasten zijn betaald. Aan de inkomstenkant rekent de rechtbank met het netto besteedbaar maandinkomen (NBI) van een ouder. Aan de uitgavenkant rekent zij met een woonbudget van 30% van het NBI en een forfaitair bedrag voor vaste lasten. Dat forfaitaire bedrag is gebaseerd op de bijstandsnorm. Daarnaast kan de rechtbank ook rekening houden met eventuele overige lasten. Die lasten moeten dan niet verwijtbaar en niet vermijdbaar zijn. Alle uitgaven vormen met elkaar het ‘draagkrachtloos inkomen’. Het NBI verminderd met het draagkrachtloos inkomen leidt tot de ‘draagkrachtruimte’. Van de draagkrachtruimte is 70% beschikbaar voor de kinderen. In dit geval ziet die berekening er als volgt uit: 70% [NBI – (NBI X 0,3 + 1365)]
3.30.
Hierbij merkt de rechtbank nog het volgende op. Omdat de kinderalimentatie ingaat in 2026, dient de rechtbank in haar berekeningen in beginsel ook uit te gaan van de inkomensgegevens over 2026 en de fiscale tarieven van dit jaar. De meest recente inkomensgegevens van partijen dateren echter uit 2025, hetgeen gelet op de datum van deze beschikking begrijpelijk is. Daarom gaat de rechtbank uit van de inkomensgegevens over 2025, maar houdt zij daarbij wel rekening met de fiscale tarieven 2026.
Draagkracht man
3.31.
De man werkt sinds 1 juni 2025 fulltime bij [bedrijf] . De man heeft zijn arbeidsovereenkomst en drie recente loonstroken overgelegd. Hieruit blijkt dat de man een bruto salaris heeft van € 5.253 per vier weken. Daarnaast ontvangt de man elke vier weken € 263 Individueel Budget Dagen, € 441 Individueel budget vakantietoeslag, € 115 Individueel budget duurzame inzetbaarheid en een werkgeversbijdrage aanvullende ziektekostenverzekering van € 20 per vier weken, met welke bedragen de rechtbank rekening houdt. Ook houdt de rechtbank rekening met de per vier weken verschuldigde premie Arbeidsongeschiktheidspensioen van € 4, een pensioenpremie middelloon van € 456, een premie Stichting Aanvullingsfonds van € 3 en een premie PAWW van € 6.
3.32.
Verder blijkt uit de salarisspecificaties dat de man een auto van de zaak heeft. Hiervoor heeft de man een bijtelling voor de inkomstenbelasting. Dit moet niet als inkomen worden meegeteld bij de berekening van zijn NBI, omdat de belasting die hij daarover betaalt in feite vergelijkbaar is met autokosten die iemand met een eigen auto vanuit de forfaitaire lasten moet voldoen. Met die extra belastingdruk houdt de rechtbank daarom geen rekening in de bepaling van het NBI, omdat de man dat bedrag niet in geld uitbetaald krijgt en daarvan dus de kinderen niet kan onderhouden. Echter, deze bijtelling heeft ook invloed op de hoogte van heffingskortingen. Een hoger fiscaal loon betekent namelijk in de regel dat de heffingskortingen omlaag gaan. Hiermee moet naar het oordeel van de rechtbank wel rekening worden gehouden. [4] Omdat het rekenprogramma van de rechtbank geen optie kent waarbij de auto van de zaak ten behoeve van de bepaling van het verzamelinkomen kan worden vermeld, heeft de rechtbank twee berekeningen gemaakt. De eerste berekening omvat het inkomen inclusief bijtelling. Deze is louter bedoeld om de hoogte van de heffingskortingen te berekenen. In de tweede berekening is uitgegaan van het werkelijke inkomen zonder bijtelling en heeft de rechtbank handmatig de heffingskortingen ingevuld. De rechtbank houdt rekening met een bijtelling van € 975 per vier weken
(€ 1.049 (bijtelling) – € 74 (eigen bijdrage)) om de juiste heffingskorting te berekenen. [5] Deze heffingskorting past de rechtbank vervolgens toe in de draagkrachtberekening. Het NBI is dan € 4.118. [6]
3.33.
Bij de bepaling van het draagkrachtloos inkomen gaat de rechtbank uit van een forfaitair bedrag aan vaste lasten van € 1.365 per maand.
3.34.
Ten aanzien van de woonlasten stelt de man dat niet moet worden gerekend met het woonbudget maar met zijn werkelijke woonlasten, ongeacht de aanwezigheid van een tekort in draagkracht of niet. De man voert aan dat hij nu de hypotheekrente, de aflossingen en de helft van de eigenaarslasten van de echtelijke woning voldoet en zich niet van die last kan bevrijden. Daarnaast betaalt de man zijn ouders € 300 kostgeld per maand, omdat hij bij hen inwoont. De vrouw heeft verweer gevoerd.
3.35.
De rechtbank overweegt dat de alimentatieberekening gericht is op de toekomst. De woonlasten van beide partijen staan op het punt om te veranderen, omdat de vrouw niet langer om het voortgezet gebruik van de echtelijke woning verzoekt en de man de voormalige echtelijke woning wil overnemen. Hierdoor heeft de man niet langer dubbele woonlasten. Omdat de rechtbank nog geen inzage heeft in de definitieve woonlasten van partijen, acht de rechtbank het redelijk om in het kader van de voorlopige alimentatie uit te gaan van het forfaitair woonbudget. Daarom gaat de rechtbank voor de man uit van een woonbudget van € 1.235 per maand.
3.36.
Vorenstaande resulteert in een draagkrachtloos inkomen van € 2.600 per maand.
De man heeft dan ook een draagkrachtruimte van € 1.518 per maand. Hiervan is 70% beschikbaar voor kinderalimentatie, wat neerkomt op een draagkracht van € 1.063 per maand.
Draagkracht vrouw
3.37.
De vrouw is voor 24 uur per week in loondienst bij [bedrijf] .
3.38.
Volgens de man zijn de door de vrouw overgelegde salarisspecificaties niet representatief voor de verdiencapaciteit van de vrouw. Volgens de man sluit het op de overgelegde salarisspecificaties vermelde jaarloon 2025 bij lange na niet aan op het maandsalaris. Door de vrouw zijn geen jaaropgaven en fiscale stukken overgelegd. Het niet volledig en naar waarheid informeren van de rechtbank dient volgens de man voor rekening en risico van de vrouw te komen. De man doet daarom een beroep op artikel 21 Rv. Dat moet er wat de man betreft in resulteren dat de vrouw wordt bevolen de ontbrekende stukken in het geding te brengen (de jaaropgave 2024, de aangifte en aanslag IB 2024 en alle salarisspecificaties 2025).
3.39.
De vrouw stelt dat de door haar overgelegde salarisspecificaties wel representatief zijn. Doordat zij (vrijwel) de volledige zorg voor de kinderen heeft, is zij genoodzaakt geweest te stoppen met onregelmatige diensten waardoor zij niet langer ORT ontvangt.
3.40.
De rechtbank acht zich voor nu voldoende geïnformeerd om de voorlopige kinderalimentatie vast te stellen op basis de aanwezige inkomensgegevens van de vrouw. Dit neemt niet weg dat als partijen niet onderling tot overstemming komen over de definitieve kinderalimentatie, het op de weg van de vrouw ligt om voldoende onderbouwende stukken aan te leveren op basis waarvan de rechtbank haar reguliere verdiencapaciteit kan beoordelen. Als partijen niet onderling tot overeenstemming komen, dienen zij daarom voorafgaand aan de volgende mondelinge behandeling in ieder geval beiden hun jaaropgave 2025, drie recente inkomensspecificaties en hun aangifte IB 2025 te overleggen.
3.41.
Uit de overgelegde salarisspecificaties blijkt een bruto salaris van € 2.877 per maand, met een vakantietoeslag van 8% en een eindejaarsuitkering van eveneens 8%. Verder blijkt dat de vrouw in oktober 2025 cumulatief een bedrag aan ORT 38% van € 76 heeft ontvangen, wat neerkomt op gemiddeld € 8 per maand. Verder heeft de vrouw in dezelfde maand cumulatief € 1.050 ontvangen aan doorbetaalde ORT tijdens ziekte. Dit komt neer op een gemiddelde van € 105 per maand. Ook blijkt uit de salarisspecificatie van september 2025 dat de vrouw tot en met september cumulatief € 21 aan doorbetaalde ORT tijdens verlof heeft ontvangen. Dit komt neer op een gemiddelde van € 2 per maand. De rechtbank houdt met deze onregelmatigheidstoeslagen rekening, waarbij de man onbetwist heeft gesteld dat de vrouw ook vakantietoeslag over die toeslagen ontvangt.
Op dit inkomen strekt in mindering de pensioenpremie PFZW OP, de aanvullende pensioenpremie PFZW AP en de premie voor de WGA werknemersverzekering. Voor de verschuldigde bedragen is de rechtbank uitgegaan van de op de loonstrook van oktober 2025 vermelde cumulatieven, omgerekend naar bedragen per jaar. Per saldo heeft de vrouw op grond van het voorgaande een bruto jaarinkomen van € 37.809.
3.42.
Verder houdt de rechtbank rekening met de fiscale inkomensheffing, de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting op basis van de fiscale tarieven 2026. Ook houdt de rechtbank rekening met de aanspraak van de vrouw op kindgebonden budget (inclusief alleenstaande ouderkop) van in totaal € 9.411 per jaar. Dit resulteert in een netto besteedbaar inkomen van € 3.724 per maand.
3.43.
Bij de bepaling van het draagkrachtloos inkomen gaat de rechtbank uit van forfaitair bedrag aan vaste lasten van € 1.365 per maand en een woonbudget van € 1.117.
3.44.
Vorenstaande resulteert in een draagkrachtloos inkomen van € 2.482 per maand.
De vrouw heeft dan ook een draagkrachtruimte van € 1.242. Hiervan is 70% beschikbaar voor kinderalimentatie, wat neerkomt op een draagkracht van € 869 per maand.
Verdeling kosten
3.45.
Als de ouders samen genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van hun kind, dan moet de rechter berekenen wie welk deel van de kosten voor zijn rekening moet nemen. Dat wordt de ‘draagkrachtvergelijking’ genoemd.
3.46.
Partijen hebben samen een draagkracht van € 1.932 per maand. Dit is genoeg om alle kosten van de kinderen van te betalen, want die zijn € 1.638 per maand. Dit betekent dat de man een deel van (1.063/1.932 x 1.638 =) € 901 per maand moet dragen en de vrouw een deel van (869/1.932 x 1.638 =) € 737 per maand.
Zorgkorting
3.47.
De man maakt op de dagen dat de kinderen bij hem verblijven kosten voor eten en drinken, energielasten en dergelijke: de verblijfskosten. Daarmee voldoet de man – deels – aan zijn onderhoudsverplichting. Voor zover daartegenover een besparing in die kosten van de vrouw staat, verlaagt de rechtbank in beginsel de bijdrage van de man met een percentage van de behoefte van de kinderen: de ‘zorgkorting’.
3.48.
Op basis van de voorlopige zorgregeling is een zorgkorting van 15% van de behoefte passend, dus € 246 per maand. Dat betekent dat de man een bedrag van (€ 901 - € 246 =)
€ 655 per maand moet betalen, dus € 328 per kind per maand.
Alimentatie vooruitbetalen
3.49.
De man moet de kinderalimentatie steeds vóór de eerste dag van de maand vooraf betalen. Het gaat namelijk om een bijdrage in de kosten die in die maand gemaakt worden en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas later in die maand wordt betaald.
De verdeling van de gemeenschap van goederen
3.50.
Partijen hebben geen huwelijkse voorwaarden laten opstellen en zij zijn vóór
1 januari 2018 getrouwd. Dat betekent dat door het huwelijk van partijen een wettelijke gemeenschap van goederen is ontstaan.
3.51.
Door de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding is die gemeenschap op ontbonden. [7] Dat betekent in beginsel dat de goederen die partijen op die datum (de zogenoemde ‘peildatum’) hadden, moeten worden verdeeld. Van de schulden die zij op de peildatum hadden, moet worden vastgesteld wie onderling welk deel daarvan moet betalen (ook wel de ‘interne draagplicht’ genoemd).
3.52.
De rechtbank zal hierna eerst in kaart brengen welke goederen en schulden deel uitmaken van de ontbonden gemeenschap. Daarna zal de rechtbank per goed de verdeling vaststellen of de wijze van verdeling gelasten en per schuld de interne draagplicht vaststellen. Daarbij geldt als uitgangspunt dat ieder van partijen recht heeft op de helft van de waarde van de goederen en ieder van hen de helft van de schulden zal moeten dragen. Voor de waarde van de goederen geldt dat de rechtbank in beginsel kijkt naar de waarde die de goederen hebben op het moment van de feitelijke verdeling.
3.53.
Partijen zijn het erover eens dat de volgende goederen en schulden tot de gemeenschap behoren:
De woning aan [adres] [woonplaats] ;
De hypothecaire geldlening bij Aegon met leningnummers [nummer] en [nummer] ;
De inboedel van de hiervoor genoemde woning;
De saldi op de volgende bankrekeningen:
 [rekeningnummer] op naam van beide partijen;
 [rekeningnummer] op naam van beide partijen;
 [rekeningnummer] op naam van de man;
 [rekeningnummer] op naam van de man;
 [rekeningnummer] op naam van de vrouw;
 [rekeningnummer] op naam van de vrouw;
De auto van het [merk] met kenteken [nummer] .
De woning en de hypothecaire geldlening (posten a en b)
3.54.
De man heeft te kennen gegeven de woning te willen overnemen, waar de vrouw mee instemt. Partijen zijn het alleen niet eens over de waarde van de woning en daarom moet een taxatie plaatsvinden. Partijen zijn het (inmiddels) eens dat [makelaar] de taxatie zal uitvoeren, waarbij de vrouw degene is die het eerste contact met deze makelaar legt. Ook hebben partijen tijdens de mondelinge behandeling afgesproken dat zij beiden aanwezig mogen zijn bij de taxatie. Door de vrouw is geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de man om te bepalen dat de taxatie bindend is, dus de rechtbank wijst het verzoek van de man op dit punt toe. Het is nog niet duidelijk of de man de woning tegen de taxatiewaarde zal kunnen overnemen. Beide partijen verzoeken de rechtbank daarom om een zogeheten ‘spoorboekje’ vast te leggen voor de wijze van verdeling van de woning. De rechtbank zal in het dictum een spoorboekje opnemen, waarbij zij voor wat betreft de termijnen van de diverse stappen uit dat spoorboekje aansluit bij de door de man verzochte termijnen. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling toegezegd dat als het proces eerder kan worden afgerond, hij daaraan zal meewerken. De rechtbank zal daarom de wijze van verdeling gelasten zoals in het dictum omschreven.
De inboedel (post c)
3.55.
Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling afgesproken dat zij de inboedel in onderling overleg zullen verdelen, waarbij:
  • de groene eetkamerstoelen aan de vrouw worden toegedeeld en de cognackleurige aan de man;
  • partijen ieder hun deel van de Ikea kledingkast krijgen toegedeeld (2x driedeurs);
  • de volledige gereedschapskoffer, de kratten met knutselspullen van de kinderen, de frietsnijder en de vijzel worden toegedeeld aan de man;
  • het tuingereedschap bij helfte zal worden gedeeld tussen partijen.
De rechtbank zal zo beslissen.
De banksaldi (post d)
3.56.
Partijen zijn het eens dat de rekeningen kunnen worden toegedeeld aan degene op wiens naam de betreffende rekening staat, waarbij partijen de op de peildatum aanwezige saldi bij helfte verrekenen. Ook zijn partijen het eens dat de en/of rekeningen kunnen worden opgeheven, waarbij partijen de bij de opheffing aanwezige saldi bij helfte delen danwel dragen. De rechtbank zal zo beslissen.
De auto (post e)
3.57.
Partijen zijn het eens dat de auto aan de vrouw wordt toegedeeld tegen een waarde van € 5.950. De vrouw is daarom gehouden een bedrag van € 2.975 aan de man te voldoen.
Wettelijke rente
3.58.
De man verzoekt de rechtbank te bepalen dat de door de vrouw aan de man verschuldigde bedragen op grond van de verdeling van de banksaldi en de auto worden vermeerderd met de wettelijke rente over die bedragen, gerekend vanaf de veertiende dag na dagtekening van deze beschikking, althans vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen dag, tot de dag der algehele voldoening.
3.59.
De rechtbank overweegt als volgt. Wettelijke rente is verschuldigd indien en zodra er sprake is van verzuim. Volgens vaste rechtspraak [8] is in geval van verdeling van een huwelijksgemeenschap pas wettelijke rente verschuldigd nadat de verdeling volledig is vastgesteld en de partij die dient te betalen een redelijke termijn voor betaling op grond van de vastgestelde verdeling is gegund. Omdat de voormalige echtelijke woning nog moet worden getaxeerd, kan de verdeling nog niet volledig worden vastgesteld. Ook is aan de vrouw nog geen redelijke termijn voor betaling gegund. Er is daarom nog geen sprake van verzuim. De rechtbank wijst het verzoek van de man af.
Verzoek compensatie rentecontract
3.60.
De vrouw heeft aangevoerd dat partijen een zeer gunstig hypotheekrentecontract hebben afgesloten, met een rentepercentage die varieert van 2,590% tot 2,826%, welke rente nog vaststaat tot 2048 respectievelijk 2049. De vrouw stelt dat wanneer de woning aan de man zou worden toegedeeld, de man ongerechtvaardigd verrijkt wordt. Hij behoudt dan immers (100% van) de gunstige voorwaarden, terwijl de vrouw (50% van) de gunstige voorwaarden verliest. Zij stelt dat zij een nieuwe woning wil aankopen en zal hiervoor een nieuwe hypotheek moeten afsluiten tegen de actuele (hogere) marktrente van 4,25%. Volgens de vrouw wordt zij hierdoor met € 22.460 benadeeld. Zij verzoekt te bepalen dat de man dit bedrag aan haar moet vergoeden.
De man heeft verweer gevoerd.
3.61.
De rechtbank overweegt als volgt. Het verzoek van de vrouw is ingediend voor de situatie dat de man de woning krijgt toegedeeld. Of het de man daadwerkelijk lukt om de woning over te nemen, is nog een onzekere toekomstige omstandigheid. Echter, ook in de situatie dat de man in staat blijkt de woning over te nemen, kan onvoldoende worden beoordeeld in hoeverre sprake is van benadeling van de vrouw.
3.62.
Hoewel de vrouw stelt dat splitsing van het huidige rentecontract niet mogelijk is, wordt dit door de man betwist. De man stelt dat hypotheekverstrekkers in de praktijk, in weerwil van hun eigen algemene voorwaarden, steeds vaker bereid zijn tot splitsing. Er geldt volgens hem bij de banken beleidsvrijheid bij echtscheiding. De rechtbank kan de juistheid van beide stellingen niet beoordelen. Door partijen zijn namelijk geen onderbouwende stukken van de hypotheekverstrekker overgelegd, waaruit de rechtbank zou kunnen afleiden in hoeverre degene aan wie de woning wordt toegedeeld de mogelijkheid heeft, dan wel op enige manier verplicht is het rentecontract geheel of gedeeltelijk over te nemen of dat beide partijen ‘het eigen deel’ van het rentecontract mee zouden kunnen nemen (door splitsing) bij de financiering van de huidige en een andere woning.
3.63.
Maar zelfs als de man de gunstige voorwaarden uit het rentecontract (volledig) kan overnemen dan is naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan aan de vereisten voor ongerechtvaardigde verrijking. De man heeft dan weliswaar voordeel (is verrijkt) maar of de vrouw ook is verarmd is niet duidelijk. Zij heeft zelf niet verzocht om de woning over te nemen en had in die zin ook niet de hypotheek over kunnen nemen. Of zij bij een eventuele verkoop de helft van de hypotheek wel had kunnen overnemen, is door de vrouw niet gesteld en evenmin onderbouwd. Evenmin is door haar onderbouwd dat zij een nieuwe woning wil aankopen en dat zij hiervoor een hypotheek wil afsluiten en zo ja wat de voorwaarden voor een dergelijke financiering zouden zijn. Door de man is gesteld dat het, gelet op de inkomenssituatie van de vrouw, niet onwaarschijnlijk is dat de vrouw zal gaan huren.
3.64.
Bovendien kan de rechtbank het bedrag van de ‘schade’ niet vaststellen omdat dit afhangt van onzekere ontwikkelingen (toekomstige hypotheekrente, wanneer en tegen welke rentevoorwaarden behoudt de vrouw een nieuwe woning, hoe lang behoudt de man de gunstige voorwaarden). Maar zelfs als de rechtbank ervan uitgaat dat de vrouw is ‘verarmd’ en daar een bedrag aan kan koppelen, dan geldt nog dat deze verrijking niet ongerechtvaardigd is. Het kan de man immers niet worden verweten dat hij de woning wil overnemen, omdat tussen partijen niet in geschil is dat zij dit beiden in het belang van de kinderen achten. De rechtbank wijst daarom het verzoek van de vrouw af
.
Uitvoerbaar bij voorraad
3.65.
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt. De uitvoerbaarheid bij voorraad geldt niet voor de echtscheiding. Die beslissing geldt namelijk pas als de echtscheiding is ingeschreven en dat kan pas gebeuren als daar geen hoger beroep meer tegen mogelijk is.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
spreekt de echtscheiding uit tussen de partijen, die met elkaar gehuwd zijn op
[huwelijksdatum] 2007 in de [gemeente] ;
4.2.
houdt de beslissing over de hoofdverblijfplaats van de kinderen, de zorgregeling, de
informatie- en consultatieregeling, de kinderalimentatie en de proceskosten aan tot
pro forma
15 juni 2025in afwachting van het verloop van hulpverlening;
4.3.
verzoekt (de advocaten van) partijen de rechtbank uiterlijk op die datum te berichten
over de stand van zaken met betrekking tot de hulpverlening en de door hen gewenste
voortgang van de procedure, zo nodig onder opgave van de verhinderdata voor een te
plannen mondelinge behandeling, bij voorkeur bij mr. M.J.C. van Leeuwen;
4.4.
stelt vast als
voorlopigeregeling ter verdeling van zorg- en opvoedingstaken dat de minderjarige kinderen
  • [naam minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2012 in [gemeente] ;
  • [naam minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2014 in [gemeente] ;
bij de man verblijven:
  • eens per twee weken op de zaterdag van 9.00 uur tot 17.00 uur en op de zondag van 12.00 uur tot 19.00 uur;
  • in de andere week van donderdag uit school tot en met het avondeten;
4.5.
bepaalt als
voorlopigeinformatie- en consultatieregeling dat de vrouw de man één keer per drie weken per e-mail zal informeren over de kinderen en bij spoed tussentijds via WhatsApp of telefonisch;
4.6.
bepaalt dat de man met ingang van de datum van deze beschikking als
voorlopigebijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen
aan de vrouw zal betalen € 328 per kind per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
4.7.
gelast de navolgende wijze van verdeling van de voormalige echtelijke woning aan [adres] [woonplaats] :
- partijen zullen binnen twee weken na deze beschikking opdracht geven aan [makelaar] om de woning bindend te taxeren tegen de actuele waarde, waarbij de vrouw degene is die het eerste contact met deze makelaar legt. Indien slechts een van de partijen binnen deze termijn een opdracht aan de makelaar heeft verstrekt, dan is deze na het verstrijken van de termijn bevoegd om als vertegenwoordiger van de andere partij de opdracht aan de makelaar te verstrekken;
- ieder van partijen draagt de helft van de kosten van de taxatie;
- de man krijgt gedurende drie maanden nadat het taxatierapport is opgemaakt de gelegenheid om de vrouw schriftelijk en met bewijsstukken onderbouwd te berichten of hij de woning kan overnemen tegen de taxatiewaarde ervan, waarbij:
o de man de op de woning rustende hypothecaire geldleningen bij de hypotheekverstrekker geheel voor zijn rekening zal nemen en als eigen schuld zal voldoen en de vrouw zal worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor deze hypothecaire geldleningen;
o de man de helft van de overwaarde van de woning, bestaande uit de taxatiewaarde, na aftrek van de hypothecaire schuld(en) op het moment van de notariële overdracht, aan de vrouw zal vergoeden;
- indien de man de woning kan overnemen onder voornoemde voorwaarden dient de levering van de woning plaats te vinden binnen één maand, nadat hij de vrouw binnen de termijn van drie maanden na het opmaken van het taxatierapport schriftelijk heeft bericht dat hij de woning kan overnemen;
- de kosten van het notariële transport van de woning komen in dit geval voor rekening van de man;
- indien de man de vrouw binnen drie maanden bericht dat hij niet in staat is de woning over te nemen, dan wel niet binnen de genoemde termijn van drie maanden schriftelijk heeft bericht dat hij in staat is de woning onder voormelde voorwaarden over te nemen, dan wel indien ondanks laatstgenoemd bericht het transport van de woning – buiten schuld van de vrouw - niet uiterlijk een maand na dat bericht heeft plaatsgevonden, zal de woning door partijen te koop worden aangeboden door de makelaar die de taxatie heeft verricht;
- partijen dienen binnen vier weken nadat de hiervoor bedoelde omstandigheid zich voordoet een opdracht tot verkoop aan de makelaar te geven;
- partijen zullen in onderling overleg met de makelaar de vraagprijs, die dient te zijn gebaseerd op de woningmarkt ter plaatse en de kwaliteit van de woning, bepalen;
- indien partijen er niet binnen twee weken na de opdrachtverlening aan de makelaar in slagen om gezamenlijk de vraagprijs te bepalen, zal de makelaar de woning te koop mogen aanbieden tegen een marktconforme vraagprijs;
- partijen zijn gehouden de aanwijzingen van de makelaar op te volgen;
- de vrouw dient een sleutel aan de makelaar ter beschikking te stellen voor het maken van foto’s en het kunnen houden van bezichtigingen;
- de vrouw dient de woning op orde te houden en aanwijzingen van de makelaar terzake op te volgen;
- partijen zullen in overleg met de makelaar de verkoopovereenkomst aangaan met degene die de hoogste prijs biedt indien en voor zover die prijs volgens beide partijen de best mogelijke prijs is. In het geval partijen het niet eens kunnen worden over de vraag of een aanbod de best mogelijke prijs is, zal de makelaar dit bindend kunnen bepalen;
- als de verkoopprijs bindend is vastgesteld zijn beide partijen verplicht hun medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning;
- na verkoop moet met de verkoopopbrengst de hypothecaire geldlening(en) worden afgelost en de aan de verkoop verbonden kosten worden betaald; het eventuele restant moeten partijen bij helfte delen, dan wel voor zover er een restschuld ontstaat, moeten zij ieder de helft daarvan dragen;
- de verkoopkosten (kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering) zullen door partijen gezamenlijk gedragen worden, ieder voor de helft;
4.8.
stelt voor het overige de verdeling vast als volgt:
a.
ten aanzien van de inboedel
bepaalt dat partijen de inboedel in onderling overleg bij helfte moeten verdelen, waarbij:
  • de groene eetkamerstoelen aan de vrouw worden toegedeeld en de cognackleurige aan de man;
  • partijen ieder hun deel van de Ikea kledingkast krijgen toegedeeld (2x driedeurs);
  • de volledige gereedschapskoffer, de kratten met knutselspullen van de kinderen, de frietsnijder en de vijzel worden toegedeeld aan de man;
  • het tuingereedschap bij helfte zal worden gedeeld tussen partijen;
ten aanzien van de bankrekeningen
  • deelt de rekeningen met nummers [rekeningnummer] en [rekeningnummer] toe aan de man, waarbij hij gehouden is de helft van de op de peildatum aanwezige saldi aan de vrouw te vergoeden;
  • deelt de betaal- en spaarrekening, beiden met nummer [rekeningnummer] , toe aan de vrouw, waarbij zij gehouden is de helft van de op de peildatum aanwezige saldi aan de man te vergoeden;
  • veroordeelt partijen mee te werken aan de opheffing van de rekeningen met nummers [rekeningnummer] en [rekeningnummer] en bepaalt dat zij de saldi van die rekeningen bij helfte moeten delen dan wel dragen;
ten aanzien van [auto] met kenteken [nummer]
deelt de auto toe aan de vrouw tegen een waarde van € 5.950, zodat de vrouw gehouden is een bedrag van € 2.975 aan de man te voldoen;
4.9.
bepaalt dat de onder 4.4 tot en met 4.8 genoemde beslissingen uitvoerbaar zijn
bij voorraad;
4.10.
wijst af wat meer of anders is verzocht, voor zover de beslissing daarover niet wordt aangehouden.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.J.C. van Leeuwen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. K.K.H. Wagemaker als griffier en in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2026.

Voetnoten

1.Artikel 815 lid 2 Rv.
2.Artikel 1:402 BW.
3.Artikel 1:397 lid 2 BW.
4.In het Rapport alimentatienormen staat alleen vermeld dat met de fiscale bijtelling van de auto van de zaak geen rekening wordt gehouden. De reikwijdte van deze opmerking lijkt beperkt tot het stukje extra inkomstenbelasting, zie ook Rechtbank Limburg 1 augustus 2024, ECLI:NL:RBLIM:2024:5328.
5.Bijlage 1: berekening heffingskorting van de man.
6.Bijlage 2: draagkracht van de man.
7.Artikel 1:99 lid 1 sub b van het Burgerlijk Wetboek.
8.HR 21 februari 1997, NJ 1997, 316.