ECLI:NL:RBGEL:2026:762

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
2 februari 2026
Zaaknummer
AWB-25_1268
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 AwbArt. 1:3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing handhavingsverzoek wegens ontbreken belanghebbende

Eiser diende meerdere meldingen in over de afvoer van mogelijk vervuilde grond nabij zijn woning en verzocht het college om handhaving. Het college wees het verzoek af en handhaafde dit besluit in bezwaar. Eiser stelde beroep in tegen deze beslissing.

De rechtbank oordeelde dat eiser geen belanghebbende is bij het handhavingsverzoek omdat hij geen rechtstreeks feitelijk belang heeft bij de afvoer van de grond, die een algemeen milieubelang betreft. Hierdoor was het bezwaar niet-ontvankelijk en had het college dit moeten verklaren in plaats van inhoudelijk te beslissen.

De rechtbank vernietigde de beslissing op bezwaar en verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk. Tevens werd het college verplicht het griffierecht aan eiser te vergoeden. Een inhoudelijke beoordeling van het beroep vond niet plaats vanwege het ontbreken van belanghebbende status.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de beslissing op bezwaar en verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk wegens ontbreken van belanghebbende status.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/1268
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 januari 2026
in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Doetinchem

(gemachtigden: mr. Y. Neijenhuis en mr. Ş. Yilmaz-Inalkaç).

Procesverloop

1. Op 16 augustus 2023 heeft eiser drie telefonische meldingen gedaan bij het college over de afvoer van volgens eiser vervuilde grond van de percelen [locatie] [huisnummer 1] en [huisnummer 2] in [plaats]. Op 27 februari 2024 heeft eiser schriftelijk een klacht ingediend over de afhandeling van de meldingen. Het college heeft deze klacht aangemerkt als een verzoek om handhaving.
1.1.
Op 12 september 2024 heeft het college het handhavingsverzoek afgewezen. Met de beslissing op bezwaar van 24 februari 2025 is het college bij dat besluit gebleven.
1.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiser heeft een nader schriftelijk stuk ingediend.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van het college van 24 februari 2025 op 20 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van het college samen met ing. M.G. Tanker.
1.4.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de beslissing op bezwaar van 24 februari 2025
- verklaart het bezwaar tegen de afwijzing van het handhavingsverzoek niet-ontvankelijk;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden.

Beoordeling door de rechtbank

Is eiser belanghebbende bij zijn verzoek om handhaving?
2. De rechtbank moet ambtshalve beoordelen of eiser belang heeft bij zijn handhavingsverzoek.
2.1.
Op 27 februari 2024 heeft eiser het college het volgende verzocht om zo spoedig mogelijk alsnog te achterhalen waar de volgens eiser van het perceel achter de tuin van zijn woning afgevoerde grond zich nu bevindt en deze te bemonsteren. Daarbij heeft eiser benadrukt dat ieder verder uitstel het lastiger maakt om een mogelijke milieuvervuiling elders te voorkomen.
2.2.
Op het handhavingsverzoek kan het college alleen een besluit nemen als het verzoek een aanvraag is, dat wil zeggen dat het om een verzoek moet gaan dat door ene belanghebbende is gedaan. [1] Volgens artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit betrokken is. Wie rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit waarop het verzoek om handhaving betrekking heeft, is in beginsel belanghebbende bij dat besluit.
2.3.
Met het handhavingsverzoek heeft eiser beoogd te achterhalen waar de afgevoerde grond zich bevindt. Dit om mogelijke milieuvervuiling elders te voorkomen. Hoe nobel ook, dit betreft een algemeen belang. Dit heeft eiser tijdens de zitting ook erkend. De rechtbank begrijpt dat het eiser ook te doen is om de mogelijk nog aanwezige vervuilde grond achter zijn perceel, maar hier ziet het handhavingsverzoek van eiser niet op. Het bemonsteren van de al dan niet verwijderde grond, maakt niet inzichtelijk of en in welke mate het perceel achter de tuin van zijn woning is verontreinigd. De rechtbank oordeelt dat eiser daarom niet rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt bij de beslissing op zijn verzoek om handhaving. Het handhavingsverzoek was dan ook geen aanvraag van een belanghebbende, zoals bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Het college had daarom het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk moeten verklaren in plaats van daarop inhoudelijk te beslissen. Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de beslissing op bezwaar en verklaart het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk.
2.4.
Aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep komt de rechtbank niet toe.

Conclusie en gevolgen

3. Het beroep is gegrond omdat het college eiser ten onrechte als belanghebbende heeft aangemerkt bij zijn handhavingsverzoek. De rechtbank vernietigt daarom de beslissing op bezwaar en het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaren.
3.1.
Omdat beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
3.2.
Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2026 door mr. M. van Harten, rechter, in aanwezigheid van D. van Til, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).