ECLI:NL:RBGEL:2026:772

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
2 februari 2026
Zaaknummer
AWB-25_2163
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 2.2 WaboArt. 2.12 WaboArt. 1:1 Apv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond tegen weigering omgevingsvergunning verbouwing en uitweg door onvoldoende onderzoek college

Eiser vroeg op 16 november 2023 een omgevingsvergunning aan voor het verbouwen van een pand naar zes studio’s en op 10 april 2024 werd de aanvraag aangevuld met de activiteit 'maken van een uitweg'. Het college verleende op 4 oktober 2024 de vergunning, maar herroept deze op 17 februari 2025 na bezwaren van omwonenden, omdat het van mening was dat de gewijzigde aanvraag een nieuwe aanvraag vereiste en dat de parkeerplaatsen niet bereikbaar zouden zijn.

De rechtbank oordeelt dat de gewijzigde aanvraag geen uitweg naar een weg betreft en dat het college ten onrechte niet heeft onderzocht of de parkeerplaatsen daadwerkelijk bereikbaar zijn. De rechtbank stelt dat het college onzorgvuldig heeft gehandeld door niet nader onderzoek te verrichten en eiser niet de gelegenheid te geven de aanvraag aan te passen.

De rechtbank vernietigt de beslissingen op bezwaar en draagt het college op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden. De uitspraak is gedaan op 20 januari 2026 en partijen zijn gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het college wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen na nader onderzoek naar vergunningplicht en bereikbaarheid parkeerplaatsen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/2163
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 januari 2026
in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen

(gemachtigde: mr. A. Ok).

Procesverloop

1. Op 16 november 2023 heeft eiser een omgevingsvergunning gevraagd voor het verbouwen en uitbreiden van het pand aan de [locatie 1] [huisnummer] in [plaats] naar zes studio’s. Op 10 april 2024 heeft eiser zijn aanvraag aangevuld met de activiteit “maken van een uitweg”.
1.1.
Op 4 oktober 2024 heeft het college de omgevingsvergunning verleend.
1.2.
Tegen dit besluit hebben twee omwonenden bezwaar gemaakt. Met de beslissingen op bezwaar van 17 februari 2025 heeft het college de omgevingsvergunning herroepen en geweigerd de omgevingsvergunning te verlenen.
1.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de beslissingen op bezwaar. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 20 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het college. De omwonenden hebben niet gereageerd op de uitnodiging van de rechtbank om als derde-partij deel te nemen.
1.5.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart beroep gegrond;
- vernietigt de beslissingen op bezwaar 17 februari 2025;
- draagt het college op een nieuw besluit te nemen op de bezwaren met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden.

Beoordeling door de rechtbank

Procesverloop
2. Eiser heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor het verbouwen en uitbreiden van de woning aan de [locatie 1] [huisnummer]. Dit pand is in gebruik als kamerverhuurpand met zes kamers. Eiser wil het pand verbouwen naar zes studio’s. De aanvraag ziet op de activiteit “bouwen van een bouwwerk”. [1]
2.1.
Op 10 april 2024 heeft eiser de aanvraag naar aanleiding van vragen van de gemeente over de ontsluiting aangevuld met de activiteit “maken van een uitweg”, waarvoor een vergunningplicht is opgenomen in de Algemene plaatselijke verordening Nijmegen (Apv) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). [2]
2.2.
Op 4 oktober 2024 heeft het college de omgevingsvergunning voor de activiteit “bouwen van een bouwwerk” en “maken van een uitweg” verleend.
2.3.
Omwonenden hebben bezwaar gemaakt tegen de verleende omgevingsvergunning.
2.4.
Met de beslissing op bezwaar van 17 februari 2025 heeft het college de verleende omgevingsvergunning herroepen en geweigerd. Het college heeft de gewijzigde aanvraag zo begrepen dat daarin is verzocht om een uitweg te maken aan de [locatie 2] en vindt bij nader inzien dat de wijziging van de aanvraag niet van ondergeschikte aard. Daarom had een nieuwe aanvraag moeten worden ingediend. Ook is de gewijzigde aanvraag onvolledig volgens het college, vanwege het ontbreken van maatvoering op de tekening ter hoogte van de [locatie 2]. Omdat de uitweg niet gerealiseerd kan worden en de parkeerplaatsen daardoor volgens het college niet bereikbaar zijn, kan eiser niet voldoen aan de parkeernorm van het “Facetbestemmingsplan Parkeren”. Daarom heeft het college ook de omgevingsvergunning voor de activiteit “bouwen van een bouwwerk” herroepen.
Oordeel rechtbank
3. Anders dan het college, is de rechtbank van oordeel dat de gewijzigde aanvraag geen betrekking heeft op het realiseren van een uitweg aan de [locatie 2]. Bij de stukken die daarvoor door eiser zijn overgelegd is namelijk een tekening gevoegd waarbij een uitweg is te zien op het perceel van eiser naar het achterste deel van het terrein dat hij heeft verkocht en in eigendom is van de eigenaar van het naastgelegen perceel [sectie] [nummer]. Omdat de uitweg daarmee uitkomt op een ander perceel, is geen sprake van het maken van een uitweg naar een weg in de zin van de Apv en geldt geen vergunningplicht. [3] Het college heeft dit niet onderkend en had eiser bij afwezigheid van een vergunningplicht in de gelegenheid moeten stellen zijn aanvraag in zoverre in te trekken als dat, bij gebreke daarvan, volgens het college tot de conclusie zou leiden dat de wijziging van de aanvraag niet van ondergeschikte aard was en voor alles (dus ook voor het bouwen) een nieuwe aanvraag moest worden ingediend.
3.1.
De rechtbank is verder van oordeel dat het college op basis van de beschikbare stukken ten tijde van de beslissing op bezwaar zonder nader onderzoek niet kon concluderen dat de door eiser te realiseren parkeerplaatsen niet bereikbaar zijn. Eiser had namelijk een tekening overgelegd waarop de parkeerplaatsen en de ontsluiting te zien zijn. De ontsluiting zou volgens de tekening vanaf het naastgelegen perceel [sectie] [nummer] plaats kunnen vinden over de in de toekomst nog te maken uitweg aan de [locatie 2] of, zolang deze uitweg nog niet is gerealiseerd, over de voor dat perceel al bestaande uitweg aan de [locatie 1]. Eiser heeft tijdens de procedure onder verwijzing naar een notariële akte en een tekening toegelicht dat daarvoor ook een erfdienstbaarheid is vastgelegd bij de verkoop van het achterste gedeelte van zijn perceel. Voor zover het college betwijfelde of de feitelijk al bestaande uitweg naar de [locatie 1] wel is toegestaan en geschikt is, had het op de weg van het college gelegen om dit eerst na te gaan en dit zo nodig met eiser te bespreken. Door dit niet te doen heeft het college onzorgvuldig gehandeld. Daarbij weegt de rechtbank mee dat er, zoals op de zitting besproken is, er verder geen belemmering is om de vergunning voor het bouwen te verlenen als in adequate ontsluiting is voorzien en de uitweg aan de [locatie 1] al sinds de jaren 30 van de vorige eeuw bestaat en tot 2018 ook is gebruikt voor de ontsluiting van een garagebedrijf achter de woningen.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is gegrond omdat de beslissingen op bezwaar in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Het college moet eerst met eiser bezien hoe het perceel van eiser kan worden ontsloten en eiser indien nodig alsnog in de gelegenheid stellen zijn aanvraag daarop aan te passen.
4.1.
Omdat beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
4.2.
Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2026 door mr. M. van Harten, rechter, in aanwezigheid van D. van Til, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
2.Artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder g, van de Wabo.
3.Artikel 2.12, eerste lid en onder a, gelezen in samenhang met artikel 1:1 van Pro de Apv.