ECLI:NL:RBGEL:2026:773

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
2 februari 2026
Publicatiedatum
2 februari 2026
Zaaknummer
12062406 VV EXPL 26-2
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:220 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verplichting huurder tot medewerking aan dringende renovatiewerkzaamheden en tijdelijke ontruiming

De huurder [gedaagde] huurt sinds 1981 een woning van De Woonmensen, die voornemens is 99 woningen in de wijk te renoveren en groot onderhoud uit te voeren. De Woonmensen heeft de bewoners geïnformeerd en een redelijk renovatievoorstel gedaan, waar meer dan 70% van de huurders mee instemde. [gedaagde] reageerde niet tijdig op het voorstel en stemde uiteindelijk niet in.

De Woonmensen vordert in kort geding dat [gedaagde] verplicht wordt mee te werken aan de werkzaamheden en bij weigering tijdelijk de woning ontruimt. De kantonrechter oordeelt dat de werkzaamheden onder dringende en renovatiewerkzaamheden vallen volgens artikel 7:220 BW Pro, waardoor medewerking verplicht is. Het niet tijdig maken van bezwaar leidt tot de aanname van redelijkheid van het voorstel.

De kantonrechter wijst de vordering toe en benadrukt dat tijdelijke ontruiming een uiterste maatregel is, maar noodzakelijk bij weigering van medewerking. [gedaagde] wordt veroordeeld tot medewerking en bij weigering tot tijdelijke ontruiming, met veroordeling in proceskosten en wettelijke rente.

Uitkomst: Huurder wordt veroordeeld tot medewerking aan renovatiewerkzaamheden en tijdelijke ontruiming bij weigering.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Apeldoorn
Zaaknummer: 12062406 \ VV EXPL 26-2
Vonnis in kort geding van 2 februari 2026
in de zaak van
STICHTING DE WOONMENSEN,
te Apeldoorn,
eisende partij,
hierna te noemen: De Woonmensen,
gemachtigde: mr. T.B. van Dreumel,
tegen
[gedaagde],
te [plaats 1] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 14
- de brief van [gedaagde] van 22 januari 2026
- de door De Woonmensen overgelegde productie 15
- de mondelinge behandeling van 26 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de pleitnota van [gedaagde] .

2.De feiten

2.1.
[gedaagde] huurt sinds 1 maart 1981 van De Woonmensen de woning aan het adres [adres+woonplaats] (hierna: het gehuurde).
2.2.
Het gehuurde ligt in de wijk [wijk] in [plaats 2] . In die wijk heeft De Woonmensen 99 huurwoningen in haar bezit, liggende aan het [straat 1] en het [straat 2] .
2.3.
De Woonmensen is voornemens om de 99 woningen van groot onderhoud te voorzien en te renoveren. De Woonmensen heeft de bewoners van deze woningen van dit plan op de hoogte gesteld door middel van twee informatieve brieven.
2.4.
Bij brief van 30 mei 2025 heeft De Woonmensen aan de bewoners van de woningen een verduurzamings- en onderhoudsvoorstel gestuurd met een begeleidend schrijven en een informatiebrochure. In de brochure is toegelicht dat de voorgenomen werkzaamheden bestaan uit het aanbrengen van isolatie aan de binnenzijde van het dak, het vervangen van de dakramen, het aanbrengen van nieuwe mechanische ventilatie, het plaatsen van triple beglazing inclusief zelfregulerende ventilatieroosters, het vervangen van kozijnen, ramen en deuren, het aanbrengen van vloerisolatie, het herstel van voeg- en metselwerk waar nodig, het uitvoeren van buitenschilderwerk en een aanpassing van de afzuigkap. Ook is in de brochure vermeld dat de bewoners een eenmalige tegemoetkoming van € 300,00 voor de overlast en eventuele kleine beschadigingen zullen ontvangen.
2.5.
[gedaagde] heeft niet op het voorstel van De Woonmensen gereageerd.
2.6.
Bij brief van 18 juni 2025 heeft De Woonmensen aan [gedaagde] bericht dat meer dan 70% van de bewoners met de voorgenomen werkzaamheden heeft ingestemd. Verder schrijft De Woonmensen dat [gedaagde] binnen acht weken na ontvangst van de brief bij de rechtbank bezwaar kan maken tegen het voorstel. Van die gelegenheid heeft [gedaagde] geen gebruik gemaakt.
2.7.
Op 8 december 2025 heeft [gedaagde] aangeven niet met het voorstel in te stemmen.

3.Het geschil

3.1.
De Woonmensen vordert dat de kantonrechter - bij wijze van voorlopige voorziening - bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] zal veroordelen:
I. gelegenheid te geven aan de werkzaamheden van de buitentrein, startende op 6 februari 2026 tot met de afronding daarvan en aan de werkzaamheden van de
binnentrein, startende op een nader te bepalen datum (niet eerder dan de laatste week van
maart 2026) tot met de afronding daarvan, althans die werkzaamheden te gehengen en te gedogen en zich ervan te onthouden die werkzaamheden te verhinderen, belemmeren, verstoren of anderszins nadelig te beïnvloeden, op straffe van tijdelijke ontruiming van het gehuurde voor de duur van de werkzaamheden indien [gedaagde] zijn medewerking niet verleent, althans de werkzaamheden niet gedoogt, althans op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag of dagdeel dat [gedaagde] zijn medewerking niet verleent, althans de werkzaamheden niet gedoogt met een maximum van € 15.000,00;
II. in de proceskosten.
3.2.
De Woonmensen legt het volgende aan haar vorderingen ten grondslag.
De voorgenomen werkzaamheden kwalificeren als dringende werkzaamheden en renovatiewerkzaamheden in de zin van respectievelijk artikel 7:220 lid 1 en Pro lid 2 BW, zodat [gedaagde] daaraan op grond van die wetsartikelen zijn medewerking moet verlenen.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Voldoende gebleken is dat De Woonmensen een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen. De voorgenomen werkzaamheden zijn (in elk geval deels) dringend van aard en de start van de werkzaamheden staat gepland op 6 februari 2026. Door De Woonmensen is onweersproken aangevoerd dat uitstel van de werkzaamheden de voortgang van de (renovatie)werkzaamheden in de hele bouwkundige eenheid zal verstoren, hetgeen zal leiden tot vertragingen, verdere of langdurigere overlast voor andere huurders en hogere kosten.
4.2.
Voor toewijzing van de voorlopige voorziening zoals die door De Woonmensen wordt gevorderd, moet het in hoge mate waarschijnlijk zijn dat een gelijkluidende vordering in een te voeren bodemprocedure zal worden toegewezen.
4.3.
Partijen verschillen van mening over de vraag of [gedaagde] al dan niet gelegenheid dient te geven voor de uitvoering van de door De Woonmensen voorgenomen (renovatie)werkzaamheden.
4.4.
De werkzaamheden die De Woonmensen wil (laten) uitvoeren aan het gehuurde zien zowel op dringende werkzaamheden als op renovatiewerkzaamheden. Wat de dringende werkzaamheden (waaronder het herstel van voeg- en metselwerk en het buitenschilderwerk) betreft, is een huurder op grond van artikel 7:220 lid 1 BW Pro gehouden de verhuurder de gelegenheid te geven die werkzaamheden aan het gehuurde uit te (laten) voeren. Dit betekent dat [gedaagde] verplicht is om mee te werken aan de geplande dringende werkzaamheden.
4.5.
Voor renovatiewerkzaamheden geldt op grond van artikel 7:220 lid 2 BW Pro dat een huurder verplicht is mee te werken aan het (laten) uitvoeren van werkzaamheden wanneer de verhuurder met voortzetting van de huurovereenkomst over wil gaan tot renovatie van de woning en daartoe een redelijk voorstel aan de huurder doet. Op grond van artikel 7:220 lid 3 BW Pro wordt in geval van een bouwkundige eenheid van meer dan 10 woningen – zoals hier aan de orde is – een voorstel vermoed redelijk te zijn, wanneer 70% of meer van de huurders daarmee heeft ingestemd. In dit geval staat vast dat meer dan 70% van de huurders heeft ingestemd met het renovatievoorstel van De Woonmensen.
4.6.
De bezwaren, die [gedaagde] tegen de wijze van isolatie van het zolderdak heeft geuit, had hij aan de orde kunnen stellen wanneer hij gebruik had gemaakt van de mogelijkheid tijdig bezwaar te maken bij de rechtbank, zoals hem in de brief van 18 juni 2025 is uitgelegd. Omdat hij dat niet gedaan heeft, moet er, volgens de wet, van uit worden gegaan dat het renovatievoorstel van De Woonmensen redelijk is. Daarom moet [gedaagde] De Woonmensen in staat stellen de renovatiewerkzaamheden uit te (laten) voeren. De bezwaren kunnen in deze procedure geen rol meer spelen. Overigens is het bezwaar, objectief gezien, ook zodanig van aard dat niet aannemelijk is dat dit bij een gevolgde procedure tot een ander resultaat had geleid.
4.7.
Voor de door [gedaagde] aan De Woonmensen gevraagde schriftelijke garantie dat het ook na vervanging van de kozijnen mogelijk blijft om bij een eventuele verhuizing de schuifdeuren van zijn linnenkast door het slaapkamerraam naar buiten verplaatsen, bestaat vooralsnog geen grond. Het is thans onvoldoende aannemelijk dat [gedaagde] , die al zeer lange tijd in de woning woont, binnen afzienbare termijn zal verhuizen of zijn linnenkast zal moeten verwijderen van de slaapkamer. Mocht [gedaagde] als gevolg van de uitvoering van de renovatiewerkzaamheden in de toekomst schade lijden, doordat de deuren van de kast niet onbeschadigd de slaapkamer uit zouden kunnen, dan zou hij daarvoor te zijner tijd een schadevergoedingsvordering kunnen instellen, bijvoorbeeld voor de kosten van andere deuren of een andere kast.
4.8.
Verder is voldoende aannemelijk dat de rechter in een bodemprocedure de vordering tot een tijdelijke ontruiming zal toewijzen, voor het geval [gedaagde] weigert vrijwillig zijn medewerking aan het (doen) verrichten van de hiervoor genoemde werkzaamheden te verlenen. De Woonmensen heeft voldoende onderbouwd dat [gedaagde] tot nu toe alle medewerking weigert. Gezien de uitlatingen van [gedaagde] tijdens de zitting wordt de kans reëel geacht dat [gedaagde] zijn medewerking zal blijven weigeren met als gevolg dat het project onaanvaardbare vertraging zal oplopen. Hoewel tijdelijke ontruiming van de woning voor het voorbereiden en uitvoeren van de werkzaamheden naar hun aard strikt genomen niet noodzakelijk is en voor [gedaagde] een tijdelijke ontruiming zeer ingrijpend is, is door De Woonmensen voldoende onderbouwd dat dit bij het uitblijven van medewerking van [gedaagde] de enige oplossing is. Dit betekent dat de vordering tot tijdelijke ontruiming voor het geval [gedaagde] geen medewerking verleent ook toewijsbaar is. De kantonrechter drukt [gedaagde] op het hart het niet zover te laten komen en alsnog alle noodzakelijke medewerking te verlenen, zodat [gedaagde] zijn woning niet tijdelijk – voor de duur van de werkzaamheden – hoeft te verlaten.
4.9.
De conclusie is dat de vordering onder I. toewijsbaar is als hierna onder de beslissing vermeld.
4.10.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van De Woonmensen worden begroot op:
- griffierecht € 139,00
- kosten van de dagvaarding
127,08
- salaris gemachtigde
577,00
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
987,08
4.11.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om gelegenheid te geven aan de uitvoering van de werkzaamheden in/aan het gehuurde, wat betreft de buitentrein startend op 6 februari 2026 tot het moment van afronding van de werkzaamheden en wat betreft de binnentrein startend op een nader te bepalen datum (niet eerder dan de laatste week van maart 2026) tot het moment van afronding van de werkzaamheden,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] , als hij niet vrijwillig aan de hiervoor onder 5.1. opgenomen veroordeling voldoet, het gehuurde tijdelijk, namelijk voor de duur van de werkzaamheden, te ontruimen;
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 987,08, te betalen binnen veertien dagen na vandaag, te vermeerderen met de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen zijn voldaan,
5.5.
verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Engelbert-Clarenbeek en in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2026.