ECLI:NL:RBGEL:2026:777

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
05-292019-24 vs
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 45 SrArt. 55 SrArt. 57 SrArt. 77c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen poging zware mishandeling en openlijke geweldpleging in Apeldoorn

Op 21 juni 2024 heeft verdachte zich samen met anderen schuldig gemaakt aan openlijk geweld tegen een man in het centrum van Apeldoorn. Na een woordenwisseling sloeg een medeverdachte de man met een fles in het gezicht, waarna meerdere personen, waaronder verdachte, hem sloegen en trapten. De rechtbank acht poging tot doodslag en zware mishandeling niet bewezen, maar wel poging tot zware mishandeling en openlijke geweldpleging.

De rechtbank baseert haar oordeel op camerabeelden en verklaringen, waarbij verdachte herkenbaar is als deelnemer aan het geweld. Verdachte maakte slaande bewegingen en trapte het slachtoffer terwijl deze op de grond lag. Er is geen bewijs dat verdachte een mes gebruikte of dat hij opzet had op de dood van het slachtoffer, maar wel dat hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde op zwaar lichamelijk letsel.

De rechtbank verklaart verdachte medepleger en veroordeelt hem tot 150 dagen jeugddetentie, waarvan 90 dagen voorwaardelijk, en een werkstraf van 80 uur, met vervangende jeugddetentie bij niet-naleving. Daarnaast wordt verdachte veroordeeld tot betaling van materiële schade en smartengeld aan het slachtoffer, met wettelijke rente. De rechtbank past het jeugdstrafrecht toe vanwege de leeftijd en persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 150 dagen jeugddetentie (waarvan 90 voorwaardelijk), 80 uur werkstraf en betaling van schadevergoeding aan slachtoffer.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05.292019.24
Datum uitspraak : 27 januari 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2005 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] .
Raadsman: mr. R.S.F. ten Kortenaar, advocaat in Baarn.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 21 juni 2024 te Apeldoorn tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet (met
kracht) meermalen, althans eenmaal
-op/tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] heeft/hebben geslagen en/of gestompt (waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen) en/of
- terwijl die [slachtoffer] op de grond lag, (met geschoeide voet(en)) op/tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] heeft/hebben geschopt en/of getrapt en/of
- met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp in de borst en/of de buik en/of de rug en/of de heup en/of de/het (boven)be(e)n(en), althans in het lichaam van die [slachtoffer]
heeft/hebben gestoken en/of gesneden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 21 juni 2024 te Apeldoorn tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meerdere steekverwonding(en), en/of leverletsel en/of een buikwandbreuk en/of meerdere littekens, heeft toegebracht door (met kracht) meermalen, althans eenmaal
- op/tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] te slaan en/of te stompen (waardoor die [slachtoffer] ten val kwam) en/of
- terwijl die [slachtoffer] op de grond lag, (met geschoeide voet(en)) op/tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] te schoppen en/of trappen en/of
- met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in de borst en/of de buik en/of de rug en/of de heup en/of de/het (boven)be(e)n(en), althans in het lichaam van die [slachtoffer] te steken
en/of te snijden;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 21 juni 2024 te Apeldoorn tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
(met kracht) meermalen, althans eenmaal
- op/tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] heeft/hebben geslagen en/of gestompt (waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen) en/of
- terwijl die [slachtoffer] op de grond lag, (met geschoeide voet(en)) op/tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] heeft/hebben geschopt en/of getrapt en/of
- met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp in de borst en/of de buik en/of de rug en/of de heup en/of de/het (boven)be(e)n(en), althans in het lichaam van die [slachtoffer] heeft/hebben gestoken en/of gesneden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij op of omstreeks 21 juni 2024 te Apeldoorn openlijk, te weten het Marktplein, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging
geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] , door (met kracht) meermalen, althans eenmaal
- op/tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] te slaan en/of te stompen (waardoor die [slachtoffer] ten val kwam) en/of
- terwijl die [slachtoffer] op de grond lag, (met geschoeide voet(en)) op/tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] te schoppen en/of te trappen en/of
- met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp in de borst en/of de buik en/of de rug en/of de heup en/of de/het (boven)be(e)n(en), althans in het lichaam van die [slachtoffer] te steken en/of te snijden,
terwijl dit door hem gepleegde geweld zwaar lichamelijk letsel, althans enig lichamelijk letsel, te weten een of meerdere steekverwonding(en) voor [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak voor de onder feit 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag en de onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling. De poging tot zware mishandeling en de openlijke geweldpleging, ten laste gelegd onder de feiten 1 meer subsidiair en 2, kunnen volgens officier van justitie wel wettig en overtuigend worden bewezen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft integrale vrijspraak van de feiten 1 en 2 bepleit. De raadsman heeft betoogd dat niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat verdachte een mes vast heeft gehad. Verdachte ontkent dat en in het dossier zijn daarvoor geen aanwijzingen te vinden, anders dan dat de politie op basis van de camerabeelden vermoedt dat hij een mes had. Ook kan niet worden vastgesteld dat verdachte stekende bewegingen heeft gemaakt en dat [slachtoffer] daarbij werd geraakt. Verder is voor het schoppen en slaan onvoldoende bewijs en is ook niet duidelijk of verdachte [slachtoffer] heeft geraakt. De raadsman heeft daarnaast betoogd dat verdachte geen (voorwaardelijk) opzet op de dood van [slachtoffer] had. Er zijn ook geen concrete aanwijzingen dat er een reëel en acuut gevaar bestond dat [slachtoffer] zou komen te overlijden. Volgens de raadsman is ook geen sprake van zwaar lichamelijk letsel en heeft verdachte ook geen (voorwaardelijk) opzet gehad om [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De raadsman heeft zich verder op het standpunt gesteld dat medeplegen niet kan worden bewezen, omdat de bijdrage van verdachte niet van voldoende wezenlijk belang is geweest. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman zich subsidiair op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het strafverzwarende bestanddeel ‘zwaar lichamelijk letsel tot gevolg hebbende’. Meer subsidiair stelt de raadsman dat het bestanddeel ‘in vereniging plegen’ niet kan worden bewezen.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank zal de feiten 1 en 2 tegelijk beoordelen, gelet op de nauwe onderlinge samenhang.
Op camerabeelden van Albert Heijn, Deventerstraat 10 in Apeldoorn, is het Marktplein te zien. Uit de beelden van 21 juni 2024 komt het volgende naar voren.
Om 23:23:26 uur loopt een man naar [slachtoffer] en slaat zijn rechterarm om [slachtoffer] . Medeverdachte [medeverdachte 1] loopt op [slachtoffer] af, die daarop een grote stap naar achteren doet. Om 23:23:37 uur geeft [medeverdachte 1] of NN7, die ook bij [medeverdachte 1] en [slachtoffer] staat, [slachtoffer] een duwtje. NN7 houdt daarna zijn rechterarm voor de borst van [slachtoffer] . Om 23:23:58 uur lopen meerdere personen naar [slachtoffer] , ook [medeverdachte 1] . Met zijn linkerhand duwt hij [slachtoffer] . Medeverdachte [medeverdachte 2] staat linksachter [medeverdachte 1] en heeft een voorwerp in zijn rechterhand vast. Om 23:24:08 uur springt [medeverdachte 2] om NN7 heen en slaat [slachtoffer] in zijn gezicht met vermoedelijk een blikje of flesje. [slachtoffer] wordt links in zijn gezicht geraakt.
Om 23:24:13 uur is te zien dat [medeverdachte 1] met zijn rechterhand met de onderkant van het mes dat hij vasthoudt, tegen de zijkant van het bovenlichaam van [slachtoffer] slaat. [medeverdachte 2] balt zijn rechterhand en slaat [slachtoffer] twee keer met gebalde vuist in het gezicht. Om 23:24:21 uur slaat [medeverdachte 1] met zijn rechterhand richting het bovenlichaam van [slachtoffer] . [slachtoffer] valt en ligt in foetushouding op de grond. [medeverdachte 2] slaat met zijn rechterhand in de richting van het hoofd van [slachtoffer] . Ook NN2 maakt met zijn linkerhand twee keer een slaande beweging naar [slachtoffer] op het moment dat die op de grond ligt. Om 23:24:24 uur is te zien dat [medeverdachte 1] met zijn rechterbeen drie keer stampt in de buurt van het hoofd van [slachtoffer] en dat hij twee keer tegen/op het bovenlichaam van [slachtoffer] trapt. Om 23:24:33 uur trappen [medeverdachte 1] en NN6 [slachtoffer] , waarbij [slachtoffer] tegen zijn bovenlichaam, bij zijn hoofd wordt geraakt. Om 23:24:37 uur rent NN2 om NN13 heen en trapt [slachtoffer] bij zijn hoofd. [medeverdachte 1] loopt naar [slachtoffer] , tilt zijn rechterbeen hoog op en trapt op [slachtoffer] bij diens hoofd. Om 23:24:41 uur rent [medeverdachte 2] op [slachtoffer] af en trapt hem met zijn rechterbeen bij het hoofd. [slachtoffer] staat op. Om 23:24:52 uur loopt [medeverdachte 1] op [slachtoffer] af en slaat met zijn rechterhand in de richting van het gezicht van [slachtoffer] . [slachtoffer] gaat door deze klap naar achteren. [slachtoffer] is daarna niet meer in beeld. [2]
[medeverdachte 1] heeft in een afgetapt gesprek op 10 juli 2024 gezegd: “ik weet zeker dat ik hem op zijn schouder heb getrapt”. [3]
[medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij [slachtoffer] heeft geschopt en geslagen. [4]
De rechtbank overweegt dat niet wordt betwist dat verdachte op de beelden NN2 is. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zichzelf op de beelden heeft herkend en dat hij ter plaatse is geweest. [5]
Uit de voornoemde bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat door verschillende personen in het openbaar geweld is gepleegd tegen [slachtoffer] . Uit de bevindingen betreffende de camerabeelden wordt duidelijk dat [medeverdachte 1] in bijzijn van NN7 in gesprek ging met [slachtoffer] en dat [slachtoffer] werd geduwd. Vervolgens vloog [medeverdachte 2] om [medeverdachte 1] heen en sloeg [slachtoffer] in zijn gezicht. De rechtbank overweegt dat het na de klap van [medeverdachte 2] volledig uit de hand is gelopen. [slachtoffer] is meerdere keren geslagen en geschopt/getrapt door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . Ook verdachte en NN6 mengden zich in het geweld toen [slachtoffer] op de grond lag. Op de beelden is te zien dat verdachte slaande bewegingen maakte in de richting van [slachtoffer] en dat hij [slachtoffer] trapte.
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is hoe de geweldshandelingen moeten worden gekwalificeerd.
De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag. De rechtbank overweegt dat niet is gebleken dat verdachte vol opzet had op de dood van [slachtoffer] . Uit de geweldshandelingen die verdachte heeft gepleegd, te weten het maken van slaande bewegingen en het trappen, kan ook niet worden afgeleid dat daardoor de aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer] is ontstaan. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat zij, anders dan de officier van justitie, niet bewezen acht dat verdachte een mes in zijn handen heeft gehad. Uit de beschrijving van de camerabeelden komt naar voren dat de politie
vermoedtdat verdachte een mes in zijn handen had. De rechtbank acht dit voor het bewijs onvoldoende nu het dossier verder geen aanknopingspunten biedt die erop wijzen dat verdachte daadwerkelijk een mes had. Het Snapchat gesprek waarin [naam] tegen [medeverdachte 2] zegt: “Me briertje heeft hem ook gestoken”, acht de rechtbank daarvoor onvoldoende. Onduidelijk is hoe [naam] aan deze informatie is gekomen. Er is dan ook geen bewijs dat verdachte steekletsel aan [slachtoffer] heeft toegebracht. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van feit 1 primair.
De rechtbank is verder van oordeel dat er onvoldoende bewijs is voor zware mishandeling van [slachtoffer] . Uit de letselrapportages komt naar voren dat de geschatte duur van genezing van de zichtbare letsels vier weken bedroeg en de duur van genezing van de overige letsels twee maanden. Verder was er geen operatie-indicatie en heeft geen actieve behandeling plaatsgevonden. De rechtbank zal verdachte daarom ook van feit 1 subsidiair vrijspreken.
De rechtbank acht, zoals hiervoor overwogen, wel bewezen dat verdachte [slachtoffer] heeft getrapt en slaande bewegingen naar hem heeft gemaakt. Voor een bewezenverklaring van feit 1 meer subsidiair is vereist dat verdachte opzet dan wel voorwaardelijk opzet op zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer] heeft gehad. De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte (vol) opzet op zwaar lichamelijk letsel heeft gehad. Het dossier biedt daarvoor onvoldoende aanknopingspunten.
De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier zwaar lichamelijk letsel – aanwezig is als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
Verdachte heeft met een geschoeide voet [slachtoffer] in de buurt van zijn hoofd getrapt. Algemeen bekend is dat trappen tegen een hoofd kan leiden tot zwaar lichamelijk letsel, nu het hoofd en gezicht een kwetsbaar deel van het lichaam zijn. De rechtbank is gelet op deze feiten en omstandigheden van oordeel dat verdachte met zijn gedragingen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij de [slachtoffer] tegen het hoofd zou raken en dat [slachtoffer] daarbij zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. De rechtbank acht voorwaardelijk opzet dan ook bewezen.
De raadsman heeft betoogd dat medeplegen niet kan worden bewezen. De rechtbank overweegt in dat verband dat verdachte zich, toen [slachtoffer] op de grond lag, heeft gemengd in het gevecht. Hij heeft slaande bewegingen gemaakt en [slachtoffer] een keer getrapt. Daarmee heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank een bijdrage van voldoende gewicht aan het geweld geleverd en is sprake van een nauwe en bewuste samenwerking in de zin van medeplegen.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank feit 1 meer subsidiair bewezen. Zoals hiervoor is overwogen acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte [slachtoffer] heeft gestoken. Verdachte zal van dat onderdeel worden vrijgesproken.
Ten aanzien van feit 2 overweegt de rechtbank dat voor een bewezenverklaring van het ‘in vereniging’ plegen van openlijk geweld, niet is vereist dat van elke dader die bij groepsgeweld is betrokken zelf een gewelddadige handeling is uitgegaan. Voldoende is dat elke dader opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, op het in vereniging plegen van openlijk geweld heeft gehad. Zoals hiervoor bij feit 1 is overwogen heeft verdachte in het openbaar slaande bewegingen naar [slachtoffer] gemaakt en heeft hij [slachtoffer] getrapt bij diens hoofd. Hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte opzet heeft gehad op de door hem gepleegde geweldshandelingen en dat deze geweldshandelingen een voldoende significante bijdrage hebben geleverd aan het geweld. Een en ander betekent dat de geweldshandelingen die door de medeverdachten zijn gepleegd ook aan verdachte kunnen worden toegerekend. De rechtbank acht daarom ook feit 2 bewezen. Nu de rechtbank niet bewezen acht dat verdachte [slachtoffer] heeft gestoken, zal verdachte hiervan en van het strafverzwarende bestanddeel ‘terwijl dit door hem gepleegde geweld zwaar lichamelijk letsel tot gevolg heeft gehad’ worden vrijgesproken.
De rechtbank overweegt ten slotte dat bij de feiten 1 meer subsidiair en 2 sprake is van eendaadse samenloop.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 meer subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op
of omstreeks21 juni 2024 te Apeldoorn tezamen en in vereniging met
een of meeranderen,
althans alleen,ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader
(s
)voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
(met kracht) meermalen,
althans eenmaal
- op/tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] heeft
/hebbengeslagen en/of gestompt
(waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen
)en
/of
- terwijl die [slachtoffer] op de grond lag,
(met geschoeide voet
(en))op/tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] heeft
/hebbengeschopt en/of getrapt
en/of
- met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp in de borst en/of de buik en/of de rug en/of de heup en/of de/het (boven)be(e)n(en), althans in het lichaam van die [slachtoffer] heeft/hebben gestoken en/of gesneden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij op
of omstreeks21 juni 2024 te Apeldoorn openlijk, te weten het op Marktplein, in elk geval op
of aande openbare weg en
/ofop een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging
geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] , door (met kracht) meermalen,
althans eenmaal
- op/tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] te slaan en/of te stompen
(waardoor die [slachtoffer] ten val kwam
)en
/of
- terwijl die [slachtoffer] op de grond lag,
(met geschoeide voet
(en))op/tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] te schoppen en/of te trappen
en/of
- met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp in de borst en/of de buik en/of de rug en/of de heup en/of de/het (boven)be(e)n(en), althans in het lichaam van die [slachtoffer] te steken en/of te snijden,
terwijl dit door hem gepleegde geweld zwaar lichamelijk letsel, althans enig lichamelijk letsel, te weten een of meerdere steekverwonding(en) voor [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
Eendaadse samenloop van:
feit 1 meer subsidiair:
Medeplegen van poging tot zware mishandeling
feit 2:
Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

5.De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat het jeugdstrafrecht zal worden toegepast en dat verdachte zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie van 149 dagen waarvan 90 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van twee jaren. Aan verdachte dienen daarbij de bijzondere voorwaarden te worden opgelegd zoals geadviseerd door de reclassering. De officier van justitie heeft verder een taakstraf in de vorm van een werkstraf gevorderd van 150 uur te vervangen door 75 dagen jeugddetentie.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat verdachte een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt. Hij verzoekt om toepassing van het adolescentenstrafrecht zoals geadviseerd door de jeugdreclassering. Ten aanzien van de strafmaat heeft de raadsman gesteld dat het om een forse eis gaat. Hij verzoekt matiging van de eis en meent dat de gevorderde werkstraf achterwege zou kunnen blijven.
De beoordeling door de rechtbank
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een poging tot zware mishandeling en openlijke geweldpleging. Op de beelden is te zien dat verdachte in eerste instantie medeverdachte [medeverdachte 2] wegtrekt, maar nadat die zich heeft losgerukt en [slachtoffer] door het tegen hem gepleegde geweld op de grond is gevallen, mengt verdachte zich in het gevecht. Door het door verdachte en de medeverdachten toegepaste geweld op [slachtoffer] is een onaanvaardbare inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] . Het feit heeft in het openbaar en in het uitgaansgebied plaatsgevonden, waardoor meerdere mensen hiervan getuige zijn geweest. Het geweld heeft ook grote impact gehad op [slachtoffer] . Hij ondervindt nog steeds fysieke klachten, waarvoor hij in behandeling is. Ook voelt hij zich gestrest en onveilig en lijdt hij aan PTSS. Dit is aan verdachte en de medeverdachten toe te rekenen.
De rechtbank heeft in aanmerking genomen de justitiële documentatie van verdachte. Daaruit komt, voor zover relevant, naar voren dat verdachte in 2021 is veroordeeld voor openlijke geweldpleging tegen personen en in 2020 voor onder meer poging tot zware mishandeling. Die veroordelingen hebben verdachte er kennelijk niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.
De rechtbank heeft ook in aanmerking genomen het op 8 januari 2026 over verdachte uitgebrachte reclasseringsrapport. Daaruit komt naar voren dat bij verdachte kan worden gesproken van een patroon in het plegen van geweldsdelicten. Verdachte heeft een belast verleden, waardoor de nodige instabiliteit is ontstaan. In de periode waarin de voorlopige hechtenis was geschorst, heeft verdachte een positieve ontwikkeling doorgemaakt. Hij beschikt inmiddels over huisvesting waar hij begeleiding ontvangt, heeft een zinvolle dagbesteding en is onder behandeling van Kairos. Om te voorkomen dat de gedane stappen teniet worden gedaan, acht de reclassering het van belang dat de jeugdreclassering betrokken blijft. Geadviseerd wordt het jeugdstrafrecht toe te passen. Op het gebied van handelingsvaardigheden wordt gezien dat verdachte achterloopt ten opzichte van leeftijdsgenoten. Zo is sprake van een lichte verstandelijke beperking, impulsief handelen en hij schat de risico’s van zijn eigen handelen slecht in. Tevens zou hij zich gemakkelijk laten beïnvloeden door derden. Verdachte zou nog ontvankelijk zijn voor sociale, emotionele en praktische steun en beïnvloeding door volwassenen. Daarbij komt dat momenteel sprake is van een lopend contact bij de jeugdreclassering (WSG) en dat het wenselijk wordt geacht dat dit contact wordt voortgezet. Verder wordt geadviseerd een deels voorwaardelijke straf op te leggen met bijzondere voorwaarden.
Op grond van artikel 77c van het wetboek van strafrecht kan bij een verdachte die ten tijde van het plegen van een strafbaar feit meerderjarig is maar nog onder de 23 jaar het jeugdstrafrecht worden toegepast, als de rechtbank daarvoor grond vindt in de persoonlijkheid van de verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd. Verdachte was ten tijde van het plegen van de strafbare feiten 19 jaar oud. De rechtbank ziet in het reclasseringsadvies aanleiding om het jeugdstrafrecht van toepassing te verklaren. Daarbij komt dat de rechtbank ook ter zitting de indruk heeft gekregen dat pedagogische beïnvloeding van verdachte nog tot de mogelijkheden behoort. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het toepassen van het jeugdstrafrecht zowel van belang is voor een gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte als voor de maatschappijen en zal het jeugdstrafrecht van toepassing verklaren.
Alles in aanmerking nemend zal de rechtbank een jeugddetentie opleggen van 150 dagen. De rechtbank zal een deel van de gevangenisstraf, te weten 90 dagen, in voorwaardelijke vorm opleggen als stok achter de deur en om te voorkomen dat verdachte opnieuw strafbare feiten pleegt. De rechtbank zal daaraan de bijzondere voorwaarden verbinden zoals geadviseerd door reclassering. De rechtbank zal daarnaast een taakstraf in de vorm van een werkstraf opleggen van 80 uur te vervangen door 40 dagen jeugddetentie. De rechtbank heeft bij de strafmaat rekening gehouden met de rol van verdachte bij de gepleegde feiten en aansluiting gezocht bij de straffen die aan de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] worden opgelegd.

8.De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 5.733,28 aan materiële schade en € 20.000,00 aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. De benadeelde partij verzoekt verdachte en de medeverdachten hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de gevorderde schadevergoeding. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. Ook is verzocht om vergoeding van proceskosten tot een bedrag van € 100,00.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de gevorderde bedragen gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Wel heeft zij verzocht om toewijzing van de wettelijke rente over de vast te stellen schadevergoeding. Daarnaast heeft zij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering dient te worden verklaard, omdat de schade lijkt te zijn ontstaan door het steken. De vraag is in hoeverre het handelen van verdachte heeft geleid tot schade. Subsidiair heeft de raadsman gesteld dat gelet op de omvang van de vordering sprake is van een onevenredige belasting van het strafproces en dat de benadeelde partij om die reden niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Meer subsidiair heeft de raadsman betoogd dat de stelpost proceskosten en toekomstige schade dient te worden afgewezen. Ten aanzien van de diefstal van de sleutel, telefoon en portemonnee ontbreekt het causale verband. De kosten van de fysiotherapeut zijn onvoldoende onderbouwd, waardoor niet vaststaat dat sprake is van een causaal verband. De raadsman heeft verder benoemd dat er sprake is van eigen schuld bij [slachtoffer] . Hij meent dat dit moet leiden tot een korting van 30%.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
De benadeelde partij heeft de volgende posten opgevoerd:
  • € 152,00 4 dagen verblijf in het ziekenhuis
  • € 15,56 Eigen risico 2024
  • € 385,00 Eigen risico 2025
  • € 113,40 Reiskosten naar de fysiotherapeut en psycholoog
  • € 40,00 Taxikosten naar de eerste hulp en terugrit Ten Pas
  • € 483,00 Fysiotherapeut
  • € 30,20 Parkeerkosten
  • € 107,70 Geneesmiddelen
  • € 239,40 Gestolen telefoon
  • € 73,00 Afschrijving gestolen pinpas
  • € 256,98 Kleding en schoenen
  • € 1.057,03 Abonnement sportschool
  • € 239,99 Beveiligingscamera’s
  • € 624,52 Vervanging sloten woning
  • € 1.690,50 Fysiotherapie (aanvullend op eerdere vordering)
  • € 225,00 Brace voor de schouder
Daarnaast is sprake van een stelpost van € 10.000,00 voor toekomstige schade met het verzoek de benadeelde partij ten aanzien van deze stelpost niet-ontvankelijk te verklaren.
Ter terechtzitting van 13 januari 2026 is namens de benadeelde partij verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren voor zover de vordering ziet op de brace. Onduidelijk is of deze post door de ziektekostenverzekeraar zal worden vergoed.
Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen heeft verdachte zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het medeplegen van een poging tot zware mishandeling en openlijke geweldpleging jegens [slachtoffer] . Zoals hierna zal blijken heeft [slachtoffer] hierdoor in ieder geval geestelijk letsel opgelopen, waarvoor ook verdachte verantwoordelijk is.
De rechtbank is van oordeel dat de vordering geen onevenredige belasting van het geding oplevert. De vordering is overzichtelijk en bevat geen bedragen op basis van extern opgemaakte (complexe) berekeningen. Daarnaast heeft verdachte voldoende gelegenheid gehad om zich in de vordering te verdiepen en zich daartegen te verdedigen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de vordering is ingediend ten behoeve van de zitting op 20 mei 2025. Bij de vordering zijn destijds diverse producties gevoegd ter onderbouwing van de kosten. Op 19 mei 2025 is een aanvullend verzoek tot schadevergoeding ontvangen. Dit betrof één post. Verder is op 9 januari 2026 een aanvullend verzoek tot schadevergoeding ontvangen betreffende de kosten voor fysiotherapie en een brace. Ten aanzien van deze laatste post is, zoals hiervoor overwogen, verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren. De raadsman moet worden geacht voldoende tijd te hebben gehad om zich te verdiepen in de vordering.
Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat er geen enkele aanleiding is te veronderstellen dat er sprake is van eigen schuld aan de kant van [slachtoffer] . De raadsman heeft dit op geen enkele wijze gemotiveerd. Evenmin zijn hiervoor in het dossier aanwijzingen te vinden. Het enkele feit dat er kennelijk sprake was van een woordenwisseling is daarvoor onvoldoende.
De rechtbank zal de vordering per post beoordelen.
Uit het dossier komt naar voren dat de benadeelde partij een aantal dagen in het ziekenhuis heeft verbleven. De gevraagde vergoeding is gebaseerd op de Letselschade Richtlijn en komt redelijk voor. De rechtbank zal het bedrag van € 152,00 toewijzen.
Het eigen risico 2024 ten bedrage van € 15,56 is voldoende onderbouwd en zal de rechtbank eveneens toewijzen.
Ten aanzien van het eigen risico over 2025 overweegt de rechtbank dat uit de stukken niet duidelijk wordt waarop het bedrag van € 134,01 ziet. Daarnaast zijn geen producties overgelegd betreffende het resterende deel van het eigen risico. De rechtbank kan dan ook niet vaststellen of sprake is van een causaal verband tussen de bewezen verklaarde feiten en de gemaakte kosten. De benadeelde partij zal ten aanzien van deze post daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
Met betrekking tot de kosten voor fysiotherapie overweegt de rechtbank dat uit de stukken blijkt dat de benadeelde partij al bij de fysiotherapeut in behandeling was voordat de bewezen verklaarde feiten plaatsvonden. De rechtbank leidt daaruit af dat er dus sprake was van bestaande klachten , waarvoor de benadeelde partij werd behandeld. De rechtbank kan uit de stukken niet afleiden of en in hoeverre de benadeelde partij naar aanleiding van de bewezen verklaarde feiten onder behandeling van een fysiotherapeut is geweest. Om die reden zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren voor de kosten van de fysiotherapie. Dat geldt eveneens voor de reiskosten voor de fysiotherapie.
De reiskosten naar het ziekenhuis alsmede de psycholoog zal de rechtbank toewijzen.
Het gaat daarbij om een bedrag van € 34,16 aan reiskosten naar de psycholoog en een bedrag van € 21,42 aan reiskosten naar het ziekenhuis, totaal € 55,58. De reiskosten voor 21 juni 2024 zijn niet in de berekening meegenomen, omdat [slachtoffer] de taxikosten op die datum naar het ziekenhuis vergoed krijgt.
Ten aanzien van de parkeerkosten overweegt de rechtbank dat een deel ziet op dagen dat de benadeelde partij in het ziekenhuis was opgenomen. De rechtbank kan niet vaststellen dat sprake is van verplaatste schade. Daarvoor is de vordering onvoldoende onderbouwd. Als de kosten immers door Ten Pas zijn gemaakt in het kader van bezoek, dan zijn de kosten mogelijk aan te merken als vermogensschade van Ten Pas. Ook zijn er parkeerkosten op het Marktplein, waarvan niet kan worden vastgesteld of sprake is van een causaal verband met de bewezen verklaarde feiten. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren met betrekking tot de parkeerkosten.
De benadeelde partij heeft een aantal geneesmiddelen gekocht bij verschillende drogisterijen. Het gaat daarbij om vitaminen, mineralen en een zalf voor de verzorging van wonden. De rechtbank zal de kosten van de Arniflor zalf, € 8,39, toewijzen. Van de overige kosten kan de rechtbank niet vaststellen of sprake is van een causaal verband met de bewezen verklaarde feiten. Overigens is van een tweetal bonnen ook niet te zien waarvoor de kosten zijn gemaakt. De benadeelde partij ten aanzien van het meergevorderde niet-ontvankelijk worden verklaard.
Met betrekking tot de gestolen telefoon en de met de gestolen pinpas gepinde gelden overweegt de rechtbank dat het om een ander soort delict gaat. In dat geval is sprake van een vermogensdelict, terwijl verdachte en de medeverdachten zich schuldig hebben gemaakt aan een geweldsdelict. Ook is niet gebleken dat de dader van de diefstal in enig verband staat tot de daders van het geweldsdelict. De rechtbank is daarom van oordeel dat er in onvoldoende mate sprake is van een causaal verband en dat verdachte niet (mede)verantwoordelijk kan worden gehouden voor de diefstal van de telefoon en het gebruiken maken van de pinpas van de benadeelde partij. De benadeelde partij zal voor deze kosten niet-ontvankelijk worden verklaard.
Het voorgaande geldt eveneens voor het vervangen van de sloten en het plaatsen van beveiligingscamera’s. De bewezen verklaarde feiten hebben plaatsgevonden op het Marktplein en niet in of nabij de woning van de benadeelde partij dan wel zijn vriendin. De rechtbank kan daarom geen causaal verband vaststellen tussen de bewezen verklaarde feiten en de gestelde schade en zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren voor deze kosten.
Voor kleding, schoenen en een riem heeft de benadeelde partij een bedrag gevorderd van 50% x € 513,96 is € 256,98. Niet bekend is wanneer deze goederen waren gekocht en wat de waarde van de goederen was. De rechtbank zal daarom gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid en de schade voor de kleding, schoenen en riem vaststellen op een bedrag van € 200,00.
Ten aanzien van de kosten voor de sportschool is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende is onderbouwd dat sprake is van een causaal verband met de bewezen verklaarde feiten. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in deze kosten.
De rechtbank zal verder de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van de brace en de stelpost van € 10.000,00 zoals ter terechtzitting verzocht.
Het voorgaande betekent dat de volgende bedragen worden toegewezen:
  • € 152,00 4 dagen verblijf in het ziekenhuis
  • € 15,56 Eigen risico 2024
  • € 55,58 Reiskosten naar het ziekenhuis en de psycholoog
  • € 40,00 Taxikosten naar de eerste hulp en terugrit Ten Pas
  • € 8,39 Geneesmiddelen
  • € 200,00Kleding en schoenen
Totaal € 471,53
De benadeelde partij zal voor het meergevorderde niet-ontvankelijk in zijn vordering worden verklaard.
Smartengeld
De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat:
  • verdachte het oogmerk had het nadeel toe te brengen,
  • de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen,
  • de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad, of
  • de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast.
Om te spreken van een aantasting in persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht.
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen meerdere van de hiervoor genoemde categorieën van artikel 6:106 BW Pro valt.
Door de geweldpleging heeft de benadeelde immers lichamelijk letsel opgelopen in de vorm van blijvende littekens, een buikwandbreuk en schade aan zijn lever. Ook heeft de benadeelde geestelijk letsel opgelopen in de vorm van een PTSS. Dit is aan verdachte en de medeverdachten toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. De rechtbank houdt verder rekening met de bedragen en marges die in de ‘Rotterdamse schaal’ worden genoemd. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 15.000,00 vaststellen. Voor het meergevorderde zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren.
De rechtbank overweegt dat namens de benadeelde partij is verzocht verdachte en de medeverdachten ieder voor het hele schadebedrag hoofdelijk aansprakelijk te stellen.
De rechtbank overweegt dat de schade blijkens de vordering met name is ontstaan als gevolg van het meerdere keren met een mes steken van [slachtoffer] . De rechtbank ziet daarom aanleiding geen hoofdelijke aansprakelijkheid ten aanzien van het toegewezen schadebedrag
op te leggen. Naar het oordeel van de rechtbank leidt de hoofdelijke aansprakelijkheid in dit geval tot onwenselijke gevolgen. Het steekletsel wordt immers alleen in de strafzaak van medeverdachte [medeverdachte 1] bewezen verklaard. Verdachte en de twee andere medeverdachten kunnen niet verantwoordelijk worden gehouden voor al het door [medeverdachte 1] gebruikte geweld en de gevolgen daarvan. De rechtbank acht [medeverdachte 1] aansprakelijk voor het grootste deel van de vordering en zal zijn aandeel vaststellen op 70% van de toegewezen bedragen voor materiële schade en smartengeld. De aandelen van verdachte en de twee andere medeverdachten zal de rechtbank vaststellen op ieder 10%.
Gelet op het voorgaande is verdachte aansprakelijk voor een bedrag van € 47,15 aan materiële schade en € 1.500,- aan smartengeld, totaal € 1.547,15. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Verdachte is vanaf 21 juni 2024 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
De benadeelde partij vordert verder vergoeding van de kosten die zijn gemaakt om een vordering in het strafproces te kunnen indienen en vervolgens daadwerkelijk schadevergoeding te krijgen. Het gaat hierbij om een bedrag van € 100,00 voor het opstellen van een medische rapportage van de fysiotherapeut. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de proceskosten gelet op haar eerdere overwegingen met betrekking tot de kosten voor fysiotherapie.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 45, 55, 57, 77c, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa,141 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

10.De beslissing

De rechtbank:
 spreekt verdachte vrij van het onder 1 primair en 1 subsidiair ten laste gelegde feit;
 verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 meer subsidiair en 2 ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 150 dagen;
  • bepaalt dat een gedeelte van deze jeugddetentie, te weten 90 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren niet heeft gehouden aan de hierna te melden voorwaarden:
  • stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
  • stelt als bijzondere voorwaarden dat:
- verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan het toezicht door de jeugdreclassering en zich meldt op afspraken met de jeugdreclassering zo vaak de jeugdreclassering dat nodig vindt. Momenteel is er sprake van de maatregel Individuele Trajectbegeleiding (ITB) Harde Kern. Gezien de aard van de verdenking en kwetsbaarheid van verdachte acht de reclassering het van belang dat deze maatregel voor zolang als mogelijk wordt voortgezet;
  • verdachte zich gedurende de proeftijd of zoveel korter als de jeugdreclassering nodig vindt onder behandeling zal stellen van een Kairos of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de jeugdreclassering. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;
  • verdachte gedurende de proeftijd zal verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, indien de jeugdreclassering dit nodig vindt. Verdachte zal zich houden aan de huisregels en het dagprogramma dat deze instelling in overleg met de jeugdreclassering heeft opgesteld;
  • verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1986, zolang het Openbaar Ministerie dit noodzakelijk acht. Wanneer er behoefte is aan een dader - slachtoffergesprek zal de jeugdreclassering hier vooraf toestemming voor moeten geven.
  • verdachte zich gedurende proeftijd zal inspannen voor het vinden en behouden van een betaalde dagbesteding met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
 stelt als overige voorwaarden dat:
  • verdachte zijn medewerking zal verlenen aan het ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit afnemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;
  • verdachte zijn medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. De medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht zijn daaronder begrepen;
 geeft opdracht aan de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, afdeling Jeugdreclassering, te Amsterdam tot het houden van toezicht op de naleving van deze bijzondere voorwaarden en tot begeleiding van verdachte ten behoeve daarvan;
 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;
 veroordeelt verdachte tot een taakstraf, te weten een werkstraf van 80 uren, met bevel dat als deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 40 dagen;
  • veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 47,15 aan materiële schade en € 1.500,00 aan smartengeld,
  • veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade, smartengeld en proceskosten;
  • legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 47,15 aan materiële schade en € 1.500,00 aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 juni 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 0 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
  • bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
 heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.L.A. van der Veeken (voorzitter), mr. I.D. Jacobs en
mr. E.H.T. Rademaker, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.C.M. Althoff, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 januari 2026.
Mr. Jacobs is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 02410161409.ris, onderzoek ODER / ON3R024024, gesloten op 10 december 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal van bevindingen, p. 382, 394-396, 398-399, 401, 403, 406-408, 411, 413-415.
3.Proces-verbaal van bevindingen, p. 316.
4.Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 2] , p. 620.
5.Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 13 januari 2026.