ECLI:NL:RBGEL:2026:803

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
AWB 26/120
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 2 Tijdelijke wet opvang ontheemden OekraïneArt. 2 Regeling opvang ontheemden OekraïneArt. 6 Regeling opvang ontheemden OekraïneArt. 7 Regeling opvang ontheemden Oekraïne
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening over opvang ontheemde Oekraïne na beëindiging en overlast

Verzoeker, een ontheemde uit Oekraïne, verbleef onder de Regeling opvang ontheemden Oekraïne in een opvanglocatie in Oost Gelre, maar werd vanwege overtreding van huisregels en overlast overgeplaatst en later uit de opvang verwijderd. Na beëindiging van de verstrekkingen en uitschrijving uit de Basisregistratie Personen, meldde verzoeker zich opnieuw voor opvang, maar het college weigerde dit.

De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening omdat hij feitelijk dakloos is en de bezwaarprocedure niet kan afwachten. Hoewel het college stelt dat het verzoek een heroverweging van het eerdere besluit is, beoordeelt de rechter het als een nieuw verzoek om opvang.

Het college is verantwoordelijk voor opvang van ontheemden die zich melden, maar kan opvang weigeren bij overlast. Verzoeker heeft meerdere keren overlast veroorzaakt, wat het college rechtvaardigt om opvang in Oost Gelre te weigeren. Echter, het college moet wel basisvoorzieningen bieden, zoals opvang elders of middelen om huisvesting te vinden.

Het college heeft nagelaten verzoeker aan te melden bij het Regionaal Coördinatiecentrum Vluchtelingen Spreiding of middelen te verstrekken. Daarom wordt het besluit van 24 december 2025 geschorst en moet het college binnen twee weken opvang regelen of middelen verstrekken. Daarnaast moet het college griffierecht en proceskosten vergoeden.

Uitkomst: Het college moet binnen twee weken opvang bieden of middelen verstrekken, het besluit wordt geschorst en proceskosten worden vergoed.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/120

uitspraak van de voorzieningenrechter van

in de zaak tussen

[verzoeker], verzoeker

(gemachtigde: mr. L.A. Fischer),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oost Gelre

(gemachtigden: mr. M.C.G. Geerligs, S.M.M. Nijland, I.E.M. Leferink).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van het college om verzoeker niet op te vangen in de opvang voor ontheemden uit Oekraïne. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.
1.1.
De voorzieningenrechter ziet in deze zaak reden om een voorlopige voorziening te treffen. Deze gaat echter niet zo ver als verzoeker wil. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij hiertoe komt en welke gevolgen dit heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 beoordeelt de voorzieningenrechter het spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening. Daarna volgt de beoordeling van de rechtmatigheid van het besluit van het college. De voorzieningenrechter beoordeelt eerst of de melding van verzoeker voor opvang gezien moet worden als een nieuwe melding of als een verzoek tot heroverweging van een eerder besluit (7) en daarna of het college verantwoordelijk is voor de opvang van verzoeker (8) en wat die verantwoordelijkheid inhoudt (9). Aan het eind staat de beslissing van de voorzieningenrechter en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Verzoeker verbleef met toepassing van de Regeling opvang ontheemden Oekraïne (Regeling) in de opvang voor ontheemden uit Oekraïne aan de [locatie 1] in [plaats 1], genaamd [naam opvang]. Het college heeft met het besluit van 23 mei 2025 verzoeker overgeplaatst naar huisvesting in [plaats 2], omdat verzoeker de huisregels had overtreden. Verzoeker heeft geen bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
2.1.
Het college heeft met het besluit van 3 juni 2025 bepaald dat de verstrekkingen aan verzoeker op basis van de Regeling worden beëindigd per 4 juni 2025. Verzoeker wordt verwezen naar de opvang aan de [locatie 2] in [plaats 3]. Hij heeft geen bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Verzoeker heeft geen gebruik gemaakt van de opvang in [plaats 3].
2.2.
Het college heeft in de periode van augustus 2025 verzoeker nog kort opgevangen in een hotel in [plaats 2]. Het college heeft dit per 18 augustus 2025 beëindigd.
2.3.
Het college heeft met het besluit van 8 oktober 2025 verzoeker per 3 september 2025 uitgeschreven uit de Basisregistratie Personen (BRP).
2.4.
Verzoeker heeft zich op 19 december 2025 opnieuw gemeld bij het college voor opvang. Het college heeft op 24 december 2025 geweigerd om verzoeker opnieuw opvang te verlenen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.5.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.6.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 28 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigden van het college.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. De voorzieningenrechter kan op grond van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gedurende een bezwaar- of beroepsprocedure een voorlopige voorziening treffen, indien ‘onverwijlde spoed’ dat, gelet op de betrokken belangen, vereist. Hij beoordeelt daarom eerst of verzoeker een spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening. Als hij deze vraag bevestigend beantwoordt, beoordeelt hij vervolgens of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen of om een andere voorziening te treffen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoeker.
Heeft verzoeker een spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening?
4. Het college betwist dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening. De verstrekkingen zijn inmiddels ruim een half jaar geleden beëindigd, waarbij was voorzien in opvang in [plaats 3]. Het komt voor zijn eigen risico dat hij hier geen gebruik van heeft gemaakt. Verzoeker kan zich bij een andere gemeente melden voor opvang.
4.1.
Verzoeker stelt dat hij een spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening. Hij valt onder de werking van de Richtlijn tijdelijke bescherming en heeft volgens vaste rechtspraak recht op opvang. Momenteel heeft hij geen onderdak, waardoor hij de behandeling van het bezwaar niet af kan wachten.
4.2.
De voorzieningenrechter volgt het college niet. Verzoeker kan redelijkerwijs de behandeling van zijn bezwaar niet afwachten en heeft een spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening. Verzoeker stelt dat hij momenteel in zijn auto verblijft. Het college betwist dit niet. De voorzieningenrechter merkt dit niet aan als een adequate en toereikende vorm van opvang. Verzoeker is op dit moment feitelijk dakloos. Dat verzoeker dakloos is, maakt dat er sprake is van een situatie die het treffen van een voorlopige voorziening kan rechtvaardigen. De voorzieningenrechter neemt daarom wel een spoedeisend belang aan en beoordeelt het verzoek daarom inhoudelijk.
4.2.1.
Dat verzoeker al langere tijd dakloos is, doet hier niet aan af. De voorzieningenrechter weegt hierbij mee dat het voorstelbaar is dat het leven in een auto, zonder vast verblijf, moeilijker vol te houden is gedurende de wintermaanden.
Het bestreden besluit
5. Het college weigert om verzoeker opnieuw opvang te bieden. De beslissing van 3 juni 2025 is onherroepelijk. De beëindiging zou zinloos worden, als verzoeker te allen tijde een nieuw verzoek tot verstrekkingen kan doen. Het college ziet daarom het verzoek om opnieuw opvang te bieden als een verzoek tot heroverweging van het besluit van 3 juni 2025. Na de beëindiging van de opvang hebben zich nieuwe feiten en omstandigheden voorgedaan, namelijk dat aan verzoeker meerdere lokaal- en erfverboden zijn opgelegd wegens overlastgevend gedrag. Ook wil de exploitant van [naam opvang] verzoeker niet meer op het park aanwezig hebben. Deze nieuwe feiten maken dat het college niet opnieuw opvang wil bieden aan verzoeker. Het college stelt dat verzoeker zich voor opvang kan melden bij een andere gemeente in Nederland.
Toetsingskader
6. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Verzoeker is een ontheemde uit Oekraïne. Daarom geniet hij tijdelijke bescherming. [1] Het bieden van tijdelijke bescherming is uitgewerkt in de Tijdelijke wet opvang ontheemden Oekraïne (Tijdelijke wet) en de Regeling. De ontheemde die tijdelijke bescherming geniet heeft recht op onder meer een fatsoenlijk onderkomen.
Is sprake van een verzoek tot heroverweging van het besluit van 3 juni 2025?
7. Anders dan het college stelt, heeft verzoeker het college niet gevraagd heeft om het besluit van 3 juni 2025 te heroverwegen. Verzoeker heeft momenteel geen onderdak en hij verzoekt het college in de e-mail van 19 december 2025 om hem opnieuw opvang te bieden. De voorzieningenrechter begrijpt dit zo als dat verzoeker vanaf dan weer toegang wenst tot de opvang voor ontheemden. In het verzoek van 19 december 2025 zijn geen aanknopingspunten te vinden voor het standpunt dat verzoeker het college vraagt om (met terugwerkende kracht) terug te komen op het besluit van 3 juni 2025. De voorzieningenrechter gaat bij zijn beoordeling dan ook uit van nieuwe melding voor opvang.
Is het college verantwoordelijk voor de opvang van verzoeker?
8. Verzoeker is het niet eens met de weigering van het college om hem opvang te bieden. Het ligt voor de hand dat het college voorziet in opvang, omdat hij daar dakloos is geworden en het centrum van zijn belangen heeft. Hij stond ook voor het laatst ingeschreven in de gemeente Oost Gelre.
8.1.
De vraag is of het college aangewezen kan worden als verantwoordelijke voor de (besluitvorming over de) opvang van verzoeker, ondanks dat het college eerder de opvang heeft beëindigd.
8.2.
In de Tijdelijke wet en de Regeling is bepaald dat het college zorg draagt voor de materiële en immateriële opvang van ontheemden. [2] In de Tijdelijke wet en de Regeling is niet bepaald welk college van welke gemeente verantwoordelijk is voor de opvang van de ontheemde in het individuele geval. De gemachtigde van verzoeker heeft op zitting gesteld dat de huidige praktijk is dat een ontheemde die eerder verblijf heeft gehad in Nederland, zich opnieuw meldt bij het college van de gemeente waar hij als laatst ingeschreven heeft gestaan in de BRP. Daarom heeft verzoeker zich ook weer in gemeente Oost Gelre gemeld.
8.3.
De voorzieningenrechter ziet geen juridische grondslag voor deze praktijk. Omdat de huidige regelgeving een leemte bevat op dit punt, gaat de voorzieningenrechter in dit geval uit van de Circulaire ‘Beëindiging verstrekkingen uit de RooO (de Regeling) bij tijdelijk en permanent vertrek uit Nederland’. Hieruit volgt dat indien een ontheemde langer dan 28 dagen is vertrokken uit de opvang en is uitgeschreven uit de Basisregistratie Personen, dan moet hij opnieuw het registratie- en plaatsingsproces doorlopen. De ontheemde kan geplaatst worden bij de gemeente van eerder verblijf, maar dit is niet noodzakelijk en afhankelijk van de opvangplekken die op dat moment beschikbaar zijn. Verder blijkt uit andere openbare informatie van de Rijksoverheid [3] dat een ontheemde zich moet melden bij een gemeente in Nederland voor opvang. De gemeente moet opvang bieden als er plek beschikbaar is, of anders contact opnemen met het Regionaal Coördinatiecentrum Vluchtelingen Spreiding (RCVS). De voorzieningenrechter leidt hieruit af dat het college van de gemeente waar een ontheemde zich meldt, zorg draagt voor opvang. Omdat verzoeker zich gemeld heeft bij het college van de gemeente Oost Gelre, moet dit college beslissen over de opvang.
Moet het college verzoeker weer in de gemeente Oost Gelre opvangen?
9. Verzoeker stelt dat het college redelijkerwijs niet kan weigeren hem opnieuw opvang te bieden, omdat het college eerder de opvang heeft beëindigd zonder dat verzoeker zijn bijzondere opvangbehoeften in kaart zijn gebracht. Uit niets blijkt dat verzoeker zich, eventueel met hulpverlening, niet zou kunnen handhaven.
9.1.
Artikel 7, eerste lid, van de Regeling geeft het college de bevoegdheid om verstrekkingen [4] te beperken of in te trekken, onder andere bij inbreuk op de verplichtingen die voortkomen uit het huishoudelijk reglement van de opvanglocatie. Zodra de betrokkene weer voldoet aan de verplichtingen kunnen de beperkingen worden opgeheven en de verstrekkingen worden hervat. [5]
9.2.
Het college heeft eerder de opvang beëindigd, wegens overlastgevend en intimiderend gedrag. Per besluit van 23 mei 2025 heeft verzoeker [naam opvang] moeten verlaten, wegens een geweldsincident met een andere bewoner. Verzoeker heeft geen bezwaar gemaakt tegen dat besluit en dat besluit staat dus vast. De voorzieningenrechter gaat dan ook uit van de juistheid van dat besluit.
9.2.1.
Na dat besluit heeft het college verzoeker meermaals aangesproken wegens overlastgevend gedrag. Op 15 juli 2025 is hem een lokaal- en erfverbod opgelegd voor een andere opvanglocatie in [plaats 1], vanwege dreigende uitlatingen en het veroorzaken van overlast. Op 5 augustus 2025 heeft het college een waarschuwingsbrief gestuurd aan verzoeker, vanwege overlast en intimiderend gedrag door hem in het hotel in [plaats 2] en op het gemeentehuis in [plaats 2]. Op 15 september 2025 is aan verzoeker een lokaal- en erfverbod opgelegd, omdat hij zich niet heeft gehouden aan de voorwaarden uit de brief van 5 augustus 2025.
9.2.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval het aanhoudende overlastgevende gedrag van verzoeker na de beëindiging maakt dat van het college niet verlangd kan worden om verzoeker opnieuw in de eigen gemeente opvang te bieden. Dit gedrag geeft onvoldoende vertrouwen dat verzoeker zal voldoen aan de verplichtingen die het college aan de opvang stelt. Dit omdat hij meermaals geen gehoor heeft gegeven aan gedragsaanwijzingen van het college. De voorzieningenrechter ziet in de door verzoeker gestelde belangen geen reden om anders te beslissen. Er is geen blijk van concrete aanknopingspunten die maken dat verzoeker redelijkerwijs niet ergens anders dan in Oost Gelre opgevangen kan worden. Dat verzoeker met voldoende medische ondersteuning zich wel kan handhaven in Oost Gelre is niet met medische stukken onderbouwd.
Wat is wel de verantwoordelijkheid van het college?
10. De beoordeling onder 9.2.2 maakt echter niet dat het college kan volstaan met een weigering om opvang te verlenen.
10.1.
Zoals uit 9.1 en 9.2 blijkt heeft het college artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, van de Regeling toegepast in het besluit van 3 juni 2025. Uit de toelichting op artikel 7 van Pro de Regeling volgt dat dit artikel bedoeld is om het mogelijk te maken de opvang beëindigen, maar dat de ontheemde daarbij altijd in de basisvoorzieningen moet worden voorzien. Die basisvoorzieningen betreffen onder meer een fatsoenlijk onderkomen of middelen om huisvesting te vinden. Dit uitgangspunt volgt ook uit het door de minister van Justitie en Veiligheid opgestelde ‘Handelingsperspectief aanpak overlast door vluchtelingen uit Oekraïne in gemeentelijke opvang’ en het daarvan onderdeel uitmakende ‘Maatregelenpakket bij overlast voortkomend uit onaangepast en ongeoorloofd gedrag in gemeentelijke opvang’ (maatregelenpakket). Hierin wordt expliciet overwogen dat ook een overlastgevende ontheemde uit Oekraïne recht op een bepaalde mate van opvang behoudt. Dat recht eindigt pas in de gevallen genoemd in artikel 4 van Pro de Regeling, die hier niet aan de orde zijn. In het maatregelenpakket wordt daartoe onder meer verwezen naar het bindend arrest van het Europese Hof van Justitie in de zaak Haqbin [6] . Volgens dit arrest is het niet toegestaan om opvang aan overlastgevende asielzoekers volledig te onthouden, tenzij de betreffende lidstaat elders in de opvang voorziet. Dit arrest geldt onverkort voor ontheemden uit Oekraïne. [7] .
10.2.
Uit het voorgaande volgt dat verzoeker recht op opvang heeft. Deze opvang hoeft echter niet per se in Oost-Gelre te worden geboden. Plaatsing in een locatie in een andere gemeente is juridisch mogelijk net als het verstrekken van middelen om huisvesting te vinden, mits in de minimale basisvoorzieningen wordt voorzien.
Wat mag van het college verwacht worden?
11. Omdat het college verantwoordelijk is voor de opvang van verzoeker en hij als ontheemde wel recht heeft op opvang en een fatsoenlijk onderkomen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat van het college verwacht mag worden dat verzoeker aangemeld wordt bij het RCVS, om elders een opvangplek voor hem te vinden. Dit heeft het college dit keer niet gedaan. Evenmin heeft het college middelen verstrekt om huisvesting te vinden. In zoverre heeft het bezwaar een redelijke kans van slagen. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding om op dit punt een voorlopige voorziening te treffen.

Conclusie en gevolgen

12. De voorzieningenrechter wijst het verzoek gedeeltelijk toe en schorst het besluit van 24 december 2025. Hij treft de voorlopige voorziening dat het college binnen twee weken na de bekendmaking van deze uitspraak verzoeker opvang moet bieden volgens de Regeling door hetzij opvang voor verzoeker in een andere gemeente te regelen hetzij verzoeker middelen te verstrekken om zelf huisvesting te regelen. Deze voorziening vervalt een dag na bekendmaking van de beslissing op bezwaar. Voor het overige wijst de voorzieningenrechter het verzoek af.
12.1.
De voorzieningenrechter ziet aanleiding te bepalen dat het college het griffierecht moet vergoeden en dat verzoeker ook een vergoeding krijgt van zijn proceskosten.
Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- schorst het bestreden besluit;
- treft de voorlopige voorziening dat het college uiterlijk twee weken na verzending van deze uitspraak verzoeker opvang moet bieden volgens de Regeling op de wijze vermeld onder 12 in deze uitspraak ;
- bepaalt dat deze voorziening een dag na bekendmaking van de beslissing op bezwaar vervalt;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 200 aan verzoeker moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868 aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. Y.A.J. van Egmond, griffier.
Deze uitspraak wordt openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming (Richtlijn 2011/55/EG) en het Uitvoeringsbesluit 2022/382.
2.Artikel 2, eerste lid, van de Tijdelijke wet en artikel 2, eerste lid, van de Regeling.
3.Aankomst, registratie en verblijf van vluchtelingen uit Oekraïne | Opvang vluchtelingen uit Oekraïne | Rijksoverheid.nl
4.Zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Regeling.
5.Staatscourant 2023, 26413.
6.HvJEU 12 november 2019, ECLI:NL:EU:C:2019:956.
7.Vergelijk ook rechtbank Gelderland 25 april 2024, ECLI:NL:RBGEL:2024:2540.