ECLI:NL:RBGEL:2026:817

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
AWB - 25 _ 1838
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 2.10 WaboArt. 2.12 WaboArt. 2.20a WaboArt. 3.1.6 Bro
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering omgevingsvergunning voor zes bedrijfsverzamelpanden nabij lintdorp wegens strijd met goede ruimtelijke ordening

Eiseres heeft op 29 december 2023 een aanvraag ingediend voor het bouwen van zes bedrijfsverzamelpanden nabij een lintdorp in de gemeente Ede. Het college en de gemeenteraad hebben de vergunning geweigerd, waarbij de gemeenteraad de verklaring van geen bedenkingen (vvgb) heeft geweigerd vanwege onder meer de grootschaligheid, hoogte en onvoldoende overgang naar kleinschalige bebouwing.

De rechtbank beoordeelt dat de aanvraag een omgevingsvergunning voor bouwen betreft en dat het college de aanvraag terecht heeft aangemerkt als strijdig met het bestemmingsplan. De gemeenteraad heeft de vvgb in redelijkheid kunnen weigeren in het belang van een goede ruimtelijke ordening. De motivering van het college en de gemeenteraad is voldoende, ook ten aanzien van de ruimtelijke onderbouwing, de Omgevingsvisie en het beeldkwaliteitsplan.

Eiseres heeft diverse beroepsgronden aangevoerd, waaronder dat de aanvraag als uitwerking van het bestemmingsplan had moeten worden behandeld, dat de motivering onvoldoende is, en dat de belangenafweging niet zorgvuldig is. De rechtbank wijst deze gronden af en concludeert dat het college en de gemeenteraad zorgvuldig en binnen hun beoordelingsruimte hebben gehandeld.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, waardoor de weigering van de omgevingsvergunning in stand blijft. Eiseres krijgt geen vergoeding van proceskosten en het griffierecht wordt niet teruggegeven.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de weigering van de omgevingsvergunning wegens strijd met het bestemmingsplan en de goede ruimtelijke ordening.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/1838

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres] B.V., uit [plaats 1], eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde]),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede

(gemachtigde: A.G.J. Polman).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de weigering om een omgevingsvergunning te verlenen voor het bouwen van zes bedrijfsverzamelpanden nabij de [locatie] in [plaats 2]. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de geweigerde omgevingsvergunning.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel het college de omgevingsvergunning in redelijkheid kon weigeren. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft op 29 december 2023 een aanvraag ingediend voor het bouwen van zes bedrijfsverzamelpanden. Op 5 juli 2024 heeft het college een ontwerpbesluit, samen met de ontwerpweigering van een verklaring van geen bedenkingen, ter inzage gelegd waarin het college aangaf voornemens te zijn de aanvraag te weigeren. Op 6 maart 2025 heeft de gemeenteraad geweigerd een verklaring van geen bedenkingen af te geven. Op 7 maart 2025 heeft het college geweigerd de omgevingsvergunning te verlenen.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het weigeringsbesluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiseres heeft een aanvullend schriftelijk stuk ingediend.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 26 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [persoon A] namens eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college samen met [persoon B] (planjurist van de gemeenteraad).
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiseres heeft op 29 december 2023 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen van zes bedrijfsverzamelpanden op de percelen gemeente Ede, sectie [sectie], [nummer 1], [nummer 2] en [nummer 3], nabij de [locatie] in [plaats 2]. De totale omvang van het bouwplan is 29.827 m2. De hoogte bedraagt maximaal 20 meter. Bij de aanvraag heeft eiseres een ruimtelijke onderbouwing overgelegd. De aanvraag ziet op de activiteit “bouwen”. [1]
3.1.
Op de percelen is het bestemmingsplan “ISEV” van toepassing met de bestemming “Bedrijventerrein uit te werken”. Op grond van artikel 3.1. van het bestemmingsplan zijn de gronden (onder andere) bestemd voor bedrijven die zijn opgenomen in de Staat van bedrijven, behorende bij het bestemmingsplan. In artikel 3.2 staat de beschrijving in hoofdlijnen. Het gestelde in de beschrijving in hoofdlijnen geldt niet als rechtstreeks toetsingskader voor de verlening van bouwvergunningen en de voorschriften over het gebruik. Uit de hoofdlijnen volgt dat wordt gestreefd naar realisatie van een duurzaam bedrijventerrein. Ook volgt uit de hoofdlijnen dat het gebied tussen de bestaande bebouwing en het toekomstige bedrijventerrein in de toekomst zal worden ingericht als een groene buffer van minimaal 30 meter breed. In artikel 3.3. zijn uitwerkingsregels opgenomen. Voor de bouwhoogte geldt dat gebouwen, gelegen binnen een afstand van 60 meter uit de groene buffer als bedoeld in artikel 3.2, niet hoger dan 10 meter mogen zijn. De hoogte van gebouwen mag voor het overige maximaal 20 meter gebruiken.
3.2.
Het bouwplan is volgens het college in strijd met het bestemmingsplan. Voor deze locatie is geen uitwerkingsplan vastgesteld. Volgens het college kan op basis van het bestemmingsplan de gevraagde omgevingsvergunning niet worden verleend. Het college heeft daarom de aanvraag ook aangemerkt als een aanvraag voor de activiteit “gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan”. [2]
3.3.
Het college heeft het besluit voorbereid met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (uitgebreide procedure). [3] Op 5 juli 2024 heeft het college het ontwerpbesluit ter inzage gelegd, samen met de ontwerpweigering verklaring van geen bedenkingen (vvgb) van de raad van de gemeente Ede. Eiseres heeft een zienswijze ingediend tegen het ontwerpbesluit.
3.4.
Op 6 maart 2025 heeft de gemeenteraad geweigerd een vvgb af te geven. De gemeenteraad heeft daarbij de motivering van het collegebesluit tot weigering van de omgevingsvergunning overgenomen als motivering van zijn besluit. In deze motivering staat het volgende:
-
“Met de ontwikkelingen aan weerszijden van het lintdorp [plaats 2] raakt de kleinschalige dorpsbebouwing steeds meer ingeklemd tussen de grote en hoge bedrijfspanden. Het is van groot belang voor de leefbaarheid in [plaats 2] dat de vrije ruimte aan de oostzijde van de kern niet óók wordt volgebouwd.
-
Het ingediende plan heeft een te intensieve en grootschalige opzet met forse gebouwen en erg veel verharding en ontsluitingen in korte nabijheid van het kleinschalige lintdorp.
-
Gebouw A is groter dan de geplande en gewenste omvang van gebouwen aan de randen van het bedrijventerrein langs spoor en A12 zoals omschreven in het beeldkwaliteitsplan. Dit is niet gewenst in deze “tussenzone”.
-
De overgang naar de veel kleinschaliger bedrijfsbebouwing aan de noordzijde van de [locatie] is onvoldoende.
-
Gebouw A heeft vele ontsluitingen aan de [locatie], terwijl er slechts één ontsluiting per bedrijfskavel mogelijk is volgens beeldkwaliteitsplan.
-
De door u beoogde ontsluiting van gebouwen B en C is zeer bepalend voor de toekomstige mogelijkheden van het gebied ten zuiden van uw plan. Dit wordt een belangrijk te maken keuze bij het gebiedsprogramma [plaats 3]-[plaats 2].
-
Gebouwen B en C houden geen rekening met bestaande bomen en beplanting aan de randen van de bestaande kavels. Deze kavel is te smal om op deze manier te bebouwen en te ontsluiten.
-
De aangegeven bebouwing danwel de ontsluiting daarvan is gelegen pal op de Zijdewetering. Deze A Watergang is van groot belang voor de afwatering van het gebied en er dient afstand gebouwen te worden met verharding en bebouwing.
-
In de planopzet ontbreekt de verplichte 15% wateropgave uit natuurinclusief bouwen. Er is ook geen natuurinclusief ontwerp ingediend.
-
De getekende groene zone tussen dorp en bedrijven is veel te beperkt van omvang en voldoet niet als groene buffer en overgangszone tussen dorp en bedrijventerrein.
Ter verduidelijking van het bovenstaande hebben we in bijlage 2 kaarten A t/m D toegevoegd.
-
De aangevraagde bebouwing voldoet niet aan de volumes van de bebouwing in de directe omgeving. De aangevraagde bebouwing wijkt enorm af van enerzijds de kleinschalige bestaande woonbebouwing aan de westzijde en de paar bedrijven aan de oostzijde. Het grootste pand in de aangevraagde bebouwing is ongeveer 19.200 (240x80) m2. Het bestaande gebouw direct ten oosten daarvan heeft een grootte van 12.834 (138x93) m2. De andere bestaande bedrijfspanden zijn ongeveer vergelijkbaar met het pand ten oosten van de aangevraagde bebouwing. De aangevraagde bebouwing is ongeveer 1/3 groter dan de bestaande bedrijfspanden en staat daarmee niet in verhouding tot elkaar. Het is ook uit verhouding met de bestaande woonbebouwing aan de westzijde die veel kleiner is.
De overgang van de aangevraagde bedrijfsbebouwing tussen bestaande woonbebouwing en bestaande bedrijfspanden is daarmee uit verhouding. Zie hiervoor bijlage 2 kaarten A, B en D. verder geeft bijlage 2 kaart D ook een goed beeld van de invulling van het terrein en hoe zich dat qua volumes verhoudt. Het volume van de aangevraagde bebouwing springt eruit qua grootte en past niet bij de omliggende volumes
-
De aangevraagde bebouwing voldoet niet aan de hoogte van de bebouwing in de directe omgeving en het naastgelegen bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein [plaats 2]’
In bijlage 2 kaart C is te zien waar de meer grootschalige bedrijfsbebouwing zit en waar een overgangszone zit met de bestaande woonbebouwing. De extensieve bebouwing zit aan de westkant vlakbij de bestaande wooncontour. Uit het bestemmingsplan Bedrijventerrein [plaats 2] is af te leiden dat de hoogte van de extensieve bebouwing rond 10 meter ligt. De hoogte van de intensieve bebouwing zit daarentegen wat verder weg van de bestaande wooncontour en ligt daarom rond maximaal 20 meter. De aangevraagde bebouwing van maximaal 20 meter sluit derhalve niet aan bij de hoogte van de extensieve bebouwing.
-
De aangevraagde bebouwing voldoet niet aan de bestaande groen contour
In bijlage 2 kaart B is het bestaande groen (licht groene contour) en het toekomstige groen (donker groene contour) ingetekend. In het aangevraagde plan is geen rekening gehouden met het bestaande groen. In het bestemmingsplan ISEV staat deze hoofdgroenstructuur ook aangegeven op de ‘hoofd groen-&waterstructuur’ kaart. De aangevraagde bebouwing is over het groen getekend.
Bij uw aanvraag heeft u diverse bijlagen gevoegd, waaronder een watertoets en een stikstofberekening. Deze hebben wij gezien de voorgenomen weigering op grond van andere ruimtelijke en procesmatige aspecten niet beoordeeld. Ook kunnen wij ons niet vinden in de aangeleverde ruimtelijke onderbouwing. Tot slot is niet bekeken of dat er nog andere thema’s relevant zijn voor dit plan, zoals de Wet natuurbescherming.
Conclusie
Het bouwplan heeft een intensieve en grootschalige opzet met forse gebouwen en erg veel verharding en ontsluitingen in korte nabijheid van het kleinschalige lintdorp. Dit voldoet niet aan de gewenste invulling van deze zone tussen bedrijventerrein Food & Businesspark en het lintdorp [plaats 2]. De overgang naar de veel kleinschaliger bedrijfsbebouwing aan de noordzijde van de [locatie] is onvoldoende. Ook is geen rekening gehouden met bestaande bomen en beplanting aan de randen van de bestaande kavels. Om deze reden weigeren wij de gevraagde omgevingsvergunning.” [4]
3.5.
Omdat de gemeenteraad de vvgb heeft geweigerd, heeft het college op grond van artikel 2.20a van de Wabo op 7 maart 2025 geweigerd de omgevingsvergunning te verlenen.
Had de aanvraag moeten worden aangemerkt als een verzoek om uitwerking van de planregels?
4. Eiseres betoogt allereerst dat het college de aanvraag had moeten opvatten als een verzoek tot uitwerking van het bestemmingsplan. Door de inwerkingtreding van de Omgevingswet en de praktische gevolgen van de uitwerkingsplicht, heeft eiseres op 29 december 2023 de aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend. Ook heeft eiseres meerdere overleggen gehad met het college over de ontwikkeling van het gebied. Daarmee staat volgens eiseres vast dat zij plannen heeft en deze plannen uitgewerkt wil zien. Het college heeft met het weigeringsbesluit geen invulling gegeven aan artikel 3.9a, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening.
4.1.
De rechtbank oordeelt dat eiseres een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit heeft ingediend. Dit blijkt zowel uit het aanvraagformulier als uit de bij de aanvraag behorende ruimtelijke onderbouwing. Onder 1.2 van de ruimtelijke onderbouwing staat:
“derhalve wordt nu middels een aanvraag uitgebreide Omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 2.12 lid 1 onder a sub 3 Wabo naar analoge toepassing van de uitwerkingsbevoegdheid toestemming verzocht voor de activiteiten ‘handelen in strijd met de regels ruimtelijke ordening’ en ‘bouwen’ (…)”
Hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank ondubbelzinnig dat eiseres een aanvraag om een omgevingsvergunning heeft ingediend. Het had op de weg van eiseres gelegen om deze aanvraag in te trekken, als het niet de bedoeling is geweest om een omgevingsvergunning aan te vragen. De beroepsgrond slaagt niet.
Activiteit “bouwen”
Heeft het college de bouwactiviteit voldoende gemotiveerd?
5. Eiseres betoogt dat het college niet gemotiveerd heeft waarom er niet voldaan wordt aan artikel 2.10 van de Wabo. Uit de formulering van het weigeringsbesluit volgt dat het plan in strijd is met de redelijke eisen van welstand en dat het niet voldoet aan de bouwverordening en het Bouwbesluit 2012 (Bouwbesluit). Dit is door het college niet nader gemotiveerd.
5.1.
De rechtbank oordeelt dat uit het besluit niet volgt dat sprake is van strijd met de redelijke eisen van welstand, de bouwverordening en het Bouwbesluit. Het college geeft in het weigeringsbesluit aan op welke gronden een omgevingsvergunning geweigerd kan worden. Deze weigeringsgronden volgen uit artikel 2.10 van de Wabo. In het besluit staat dat het college de aanvraag getoetst heeft en dat het niet voldoet aan de regels van het bestemmingsplan. De weigeringsgronden die eiseres noemt zijn door het college niet beoordeeld. Omdat er een andere weigeringsgrond aanwezig is, hoeft het college dat ook niet te motiveren. De beroepsgrond slaagt niet.

Activiteit “strijd met bestemmingsplan”

Wijze van beoordelen
6. De rechtbank stelt voorop dat uit artikel 6.5, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor) volgt dat het college de bevoegdheid toekomt om een omgevingsvergunning te verlenen met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo, als de gemeenteraad heeft verklaard dat hij geen bedenkingen heeft tegen het project. Uit artikel 6.5, tweede lid, van het Bor, volgt dat de verklaring alleen kan worden geweigerd in het belang van een goede ruimtelijke ordening. De rechtbank oordeelt niet zelf of sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of de gemeenteraad redelijkerwijs heeft kunnen besluiten de verklaring te weigeren. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de verklaring te dienen doelen. Wanneer de gemeenteraad een vvgb heeft geweigerd voor de activiteiten, kan het college niets anders doen dan daarvoor vervolgens de omgevingsvergunning weigeren. In artikel 2.20a van de Wabo is bepaald dat voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit waarvoor voor het verlenen van de omgevingsvergunning een verklaring van geen bedenkingen is vereist, de omgevingsvergunning voor die activiteit wordt geweigerd als de vvgb is geweigerd. [5]
Is de vvgb zorgvuldig tot stand gekomen?
7. Eiseres betoogt dat de vvgb niet zorgvuldig tot stand is gekomen omdat de gemeenteraad verkeerd is voorgelicht door het college. Tijdens de gemeenteraadsvergadering zou door een fractielid van GroenLinks aan de wethouder de vraag gesteld zijn of eiseres vooraf geïnformeerd is over de hoogte van de leges. Ook is de vraag gesteld of het niet beter is om de aanvraag in te trekken gelet op de hoogte van de leges. De wethouder heeft hierop geantwoord dat eiseres daarover is geïnformeerd en de keuze heeft gehad om de aanvraag in te trekken. Volgens eiseres is dit niet het geval. Bovendien heeft het college de gemeenteraad niet geïnformeerd over het geldende beleid zoals het ISEV-convenant en de Omgevingsvisie. Daardoor is de besluitvorming onzorgvuldig en in strijd met het verbod op willekeur.
7.1.
De rechtbank oordeelt dat de hoogte van de leges en de mogelijkheid tot het intrekken van de aanvraag niet zien op de vraag of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Dit kan, gelet op artikel 2.20a van de Wabo, ook geen reden zijn om een vvgb te weigeren. Dat het college de gemeenteraad niet geïnformeerd heeft over het geldende beleid kan de rechtbank niet volgen. Uit het dossier blijkt dat het ISEV-convenant een samenwerkingsconvenant is tussen de gemeente Ede en de gemeente Veenendaal. De Omgevingsvisie is bovendien een beleidsdocument dat door de gemeenteraad is vastgesteld. Uit dat wat eiseres heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de vvgb onzorgvuldig tot stand is gekomen. Van handelen in strijd met het verbod op willekeur is niet gebleken. De beroepsgrond slaagt niet.
Moet de aanvraag getoetst worden aan de uitwerkingsregels van het bestemmingsplan?
8. Eiseres betoogt dat de gemeenteraad de aanvraag had moeten toetsen aan de uitwerkingsregels van het bestemmingsplan. Volgens eiseres voldoet de aanvraag aan de uitwerkingsregels. In artikel 3.2 van de planregels staat vermeld dat er een groene buffer van 30 meter moet komen. Volgens de gemeenteraad is deze buffer te klein, terwijl op de tekeningen staat dat deze zone wordt aangehouden. Er worden weliswaar parkeervoorzieningen op grasbetonklinkers gerealiseerd, maar uit de planregels blijkt niet dat dubbelgebruik niet is toegestaan. Verder volgt uit artikel 3.3, sub a, onder 1, van de planregels dat de gronden voor wat betreft het bouwen van bedrijfsgebouwen optimaal benut moeten worden. Eiseres betoogt dat de gemeenteraad niet gemotiveerd heeft waarom het aangevraagde plan daarin niet zou voorzien. Ook wijst eiseres op artikel 3.3, sub a, onder 2 van de planregels waaruit volgt dat wanneer sprake is van een zone van 60 meter, de hoogte van de bebouwing niet meer dan 10 meter mag bedragen. Daar voldoet het plan volgens eiseres aan.
8.1.
De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat de uitwerkingsregels van het bestemmingsplan niet van toepassing zijn, omdat het nu niet gaat om een verzoek tot uitwerking. De verwijzingen die eiseres maakt volgt de gemeenteraad daarom niet. Bovendien voldoet het plan volgens de gemeenteraad niet aan de uitwerkingsregels. Zo is de groene buffer bedoeld als bufferzone tussen de bebouwing van [plaats 2] en het bedrijventerrein. Een groene buffer met grasbetonklinkers inrichten voor een parkeervoorziening doet afbreuk aan de groene buffer. Verder stelt het college dat vanuit een goede ruimtelijke ordening het niet zo is dat bij het optimaal benutten van gronden overige ruimtelijke aspecten niet of minder van belang zouden zijn. De gevraagde bebouwing wijkt volgens de gemeenteraad enorm af van de kleinschalige bestaande woonbebouwing aan de westzijde en de paar bedrijven aan de oostzijde. Uit het bestemmingsplan volgt dat de hoogte van de bebouwing niet meer dan 10 meter mag bedragen. De gevraagde hoogte van maximaal 20 meter sluit niet aan bij hoogte van extensieve bebouwing.
8.2.
De rechtbank oordeelt dat uit artikel 3.3. onder b van het bestemmingsplan volgt dat sprake is van een bouwverbod. Hierin staat namelijk dat bouwwerken slechts mogen worden gebouwd mits het bouwplan in overeenstemming is met het ontwerpuitwerkingsplan en van Gedeputeerde Staten vooraf een vvgb is ontvangen. In dit geval is geen sprake van een ontwerpuitwerkingsplan. De uitwerkingsregels gelden daarom niet als toetsingscriteria. [6] Bovendien staat in artikel 3.2 van het bestemmingsplan dat in dit artikel hoofdlijnen beschreven staan die niet gelden als rechtstreeks toetsingskader voor de verlening van bouwvergunningen. De gemeenteraad heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd dat niet voldaan wordt aan de uitwerkingsregels. Zelfs als zou worden voldaan aan de uitwerkingsregels, dan moet ook nog voldaan worden aan een goede ruimtelijke ordening. [7] Daarvan is volgens de gemeenteraad met het bouwplan geen sprake. De beroepsgrond slaagt niet.
Ruimtelijke onderbouwing bij de aanvraag
9. Eiseres betoogt dat de gemeenteraadonvoldoende gemotiveerd heeft waarom hij zich niet kan vinden in de ruimtelijke onderbouwing bij de aanvraag. De onderbouwing voldoet aan de vereisten die impliciet volgen uit artikel 3.1.6. van het Besluit ruimtelijke ordening.
9.1.
De rechtbank oordeelt dat eiseres de motivering van de gemeenteraad alleen heeft bestreden met het betoog dat uit de ruimtelijke onderbouwing blijkt dat het bouwplan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank nog niet gezegd dat de onderbouwing van de gemeenteraad dat het bouwplan vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening ongewenst is, onjuist is. Zo heeft de gemeenteraad gemotiveerd dat met het bouwplan de kleinschalige dorpsbebouwing van het lintdorp [plaats 2] steeds meer ingeklemd raakt tussen de grote en hoge bedrijfspanden. Ook vindt de gemeenteraad de overgang naar de veel kleinschaligere bedrijfsbebouwing aan de noordzijde van de [locatie] onvoldoende. Verder heeft gebouw A een oppervlakte van ongeveer 19.200 m2. Het bestaande gebouw ten oosten daarvan heeft een grootte van ongeveer 12.834 m2. De aangevraagde bebouwing is ongeveer een derde groter dan de bestaande bedrijfsbebouwing. Dat is volgens de gemeenteraad niet in verhouding. Ook is het niet in verhouding met de bestaande woningen ten westen van het bouwplan, die veel kleiner zijn. Verder blijkt uit het weigeringsbesluit dat de gemeenteraad de beoogde ontsluiting van gebouwen B en C te bepalend vindt voor de toekomstige mogelijkheden van het gebied. Ook is geen rekening gehouden met de bestaande bomen en beplanting aan de randen van de bestaande kavels. De kavels zijn te smal voor de geplande bebouwing en ontsluiting. De rechtbank ziet dat de gemeenteraad in het weigeringsbesluit meerdere redenen heeft gegeven waarom er volgens de gemeenteraad geen sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het past binnen de beoordelingsruimte van het bestuursorgaan om die afweging te maken. De gemeenteraad heeft dat naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd. Daarmee mocht dus worden afgeweken van de ruimtelijke onderbouwing die eiseres bij de aanvraag heeft ingediend. De beroepsgrond slaagt niet.
De Omgevingsvisie
10. Eiseres betoogt dat het plan aansluit op de doelstelling voor bedrijventerreinen uit de Omgevingsvisie Ede 2040 (Omgevingsvisie). Hieruit volgt namelijk dat een overgangsgebied is bedacht waarin verschillende functies worden toegestaan, waaronder 2,5 tot 5,0 hectare bedrijventerreinen en woningbouw. Uit de kaart behorende bij de Omgevingsvisie volgt dat de percelen vallen binnen de aanduidingen ‘zoekgebied werken’ en ‘nieuw bedrijventerrein locatie n.t.b.’.
10.1.
De rechtbank stelt voorop dat de Omgevingsvisie geen toetsingskader is voor het verlenen van een omgevingsvergunning. Het kan wel een rol spelen bij de ruimtelijke afweging die de gemeenteraad maakt in het kader van de afwijking van het bestemmingsplan. Uit het weigeringsbesluit blijkt dat de gemeenteraad stedenbouwkundige en landschappelijke redenen genoemd heeft waarom geen sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Slechts een onderdeel daarvan is de Omgevingsvisie. De rechtbank merkt daarbij op dat de Omgevingsvisie voor de gemeenteraad dus niet de voornaamste reden is geweest om de omgevingsvergunning te weigeren. Uit het weigeringsbesluit volgt wel voldoende dat niet voldaan wordt aan de Omgevingsvisie. Zo wordt in de Omgevingsvisie aangegeven dat er een lokale opgave ligt voor woningbouw in het gebied. Het bouwplan van eiseres voldoet niet aan deze opgave, omdat met het bouwplan geen sprake is van woningbouw. Ook wordt met het bouwplan geen rekening gehouden met de groen- en waterstructuren uit de Omgevingsvisie. Het bouwplan bestaat namelijk volledig uit gebouwen en verhardingen. De beroepsgrond slaagt niet.
Beeldkwaliteitsplan
11. Eiseres betoogt dat de gemeenteraad ten onrechte het “Beeldkwaliteitsplan Bedrijventerrein [plaats 2]” (beeldkwaliteitsplan) heeft meegewogen in de beoordeling. Uit de afbeelding bij de inleiding van het beeldkwaliteitsplan volgt dat het niet van toepassing is op de percelen van eiseres. Het ziet namelijk op het ontwerp bedrijventerrein waar de percelen van eiseres buiten vallen. Verder betoogt eiseres dat het bouwplan wel degelijk voldoet aan het beeldkwaliteitsplan. Zo is de conclusie van het college dat gebouw A groter is dan gewenst in de ‘tussenzone’ niet juist, want dit voldoet aan het beeldkwaliteitsplan. Eiseres betoogt verder dat de conclusie van de gemeenteraad dat de ontsluiting niet past binnen het beeldkwaliteitsplan onjuist is, omdat eiseres de wegenstructuur van het beeldkwaliteitsplan heeft aangehouden.
11.1.
De rechtbank stelt voorop dat het beeldkwaliteitsplan geen toetsingskader is voor het verlenen van een omgevingsvergunning, maar het kan wel een rol spelen bij de ruimtelijke afweging die de gemeenteraad maakt in het kader van de afwijking van het bestemmingsplan. De rechtbank stelt vast dat uit de paragraaf 1.2 van de inleiding van het beeldkwaliteitsplan volgt dat voor de hele gebiedsontwikkeling ISEV in 2004 een beeldkwaliteitsplan is vastgesteld. Dit was een globaal plan voor het totale gebied dat nader uitgewerkt moest worden. De percelen van eiseres vallen ook binnen de gebiedsontwikkeling ISEV. Het beeldkwaliteitsplan “[plaats 2]” is volgens de inleiding de vervanger van het beeldkwaliteitsplan uit 2004. In zoverre slaagt de beroepsgrond niet.
11.2.
De rechtbank volgt eiseres verder niet in haar betoog dat gebouw A voldoet aan het beeldkwaliteitsplan. Uit paragraaf 3.1 van het beeldkwaliteitsplan volgt dat de massa moet zijn afgestemd op de aangrenzende omgeving. Gebouw A is dan groot in vergelijking met de omgeving. Bovendien heeft de gemeenteraad in het weigeringsbesluit gemotiveerd dat het niet uitsluitend om het beeldkwaliteitsplan gaat. De gemeenteraad heeft kaarten bij het weigeringsbesluit gevoegd om inzicht te geven tussen de verhouding van de bebouwing die aanwezig is dan wel kan worden gerealiseerd. De grootte en volumes van het bouwplan en de omgeving zijn volgens de gemeenteraad niet met elkaar in verhouding. Ook volgt uit het beeldkwaliteitsplan dat per bedrijfskavel slechts één ontsluiting mogelijk is. Met het bouwplan worden er meerdere ontsluitingen gerealiseerd. De rechtbank oordeelt dat de gemeenteraad dit in het weigeringsbesluit voldoende heeft gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt niet.
A-watergang
12. Eiseres betoogt dat de gemeenteraad ten onrechte stelt dat het plan te dicht bij een A-watergang ligt en daarom watertechnisch niet mogelijk is. De gemeenteraad had volgens eiseres daarvoor advies moeten inwinnen bij het waterschap. Bovendien voorziet het plan volgens eiseres in een groene inpassing en wordt de A-watergang gerespecteerd. Dit blijkt ook uit de bijlagen bij de aanvraag dat natuur-inclusief gebouwd wordt. Verder betoogt eiseres dat uit de watertoets volgt dat de bebouwing niet te dicht op de watergang gebouwd wordt.
12.1.
De rechtbank oordeelt dat het weigeringsbesluit voornamelijk ziet op strijd met een goede ruimtelijke ordening. Uit het weigeringsbesluit blijkt dat de bebouwing of ontsluiting daarvan pal is gelegen op de Zijdewetering. Dit is een A-watergang die volgens de gemeenteraad van groot belang is voor de afwatering van het gebied. Er moet daarom afstand worden aangehouden tussen de verhardingen en bebouwing tot de watergang. Uit het weigeringsbesluit volgt ook dat de gemeenteraad de watertoets niet heeft beoordeeld vanwege de voorgenomen weigering. De watertoets is dus niet als weigeringsgrond aan het besluit ten grondslag gelegd. De beroepsgrond slaagt niet.
Belangenafweging
13. Eiseres betoogt dat er geen deugdelijke belangenafweging heeft plaatsgevonden. In de nota van zienswijzen (nota) wordt volgens eiseres gewezen op de ideeën die met omwonenden zijn opgehaald tijdens een informatieavond in 2016. In de nota staat dat de zienswijzen tegen het ontwerpbesluit de lijn uit 2016 bevestigen. Voor zover deze zienswijzen er in 2016 al zouden zijn, dan zijn deze volgens eiseres niet ingediend tegen het ontwerpbesluit. Ook wordt in de nota hier niet op ingegaan. Daarom heeft geen kenbare belangenafweging plaatsgevonden. Dit maakt het besluit volgens eiseres ook in strijd met het verbod op vooringenomenheid. Op de zitting heeft eiseres betoogt dat de gemeenteraad ten onrechte niet de bestaande situatie van eiseres heeft meegewogen in de belangenafweging. Zij moet namelijk haar bestaande locatie in [plaats 1] verlaten, omdat op die locatie woningbouw beoogd is. Volgens eiseres had dit belang ook moeten worden afgewogen.
13.1.
De rechtbank stelt voorop dat de zienswijze door omwonenden op 8 februari 2024 is ingediend. Dit is ingediend voordat het ontwerpbesluit op 5 juli 2024 ter inzage is gelegd. Uit de zienswijze volgt dat de ideeën die omwonenden tijdens de informatieavond in 2016 hebben opgehaald voor hen nog actueel zijn. De gemeenteraad mocht dit naar het oordeel van de rechtbank betrekken bij de belangenafweging. Niet valt in te zien dat de belangen van eiseres hierin niet zijn afgewogen. De gemeenteraad mocht deze voorgeschiedenis betrekking in de besluitvorming. Ook ziet de rechtbank niet waarom er sprake zou zijn van handelen in strijd met het verbod op vooringenomenheid. De rechtbank oordeelt dat de gemeenteraad het algemeen belang van een goede ruimtelijke ordening boven het individuele belang van eiseres heeft mogen stellen. Dat eiseres haar bestaande locatie moet verlaten, is geen reden om het belang van eiseres boven het algemeen belang te stellen. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

14. De rechtbank is van oordeel dat de vvgb in redelijkheid geweigerd mocht worden vanwege strijd met een goede ruimtelijke ordening. Het college moest daarom de gevraagde omgevingsvergunning weigeren. Het beroep is dus ongegrond. Dat betekent dat de geweigerde omgevingsvergunning in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Harten, rechter, in aanwezigheid van D. van Til, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

BIJLAGE

Voetnoten

1.Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
2.Artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo in samenhang met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo.
3.Als bedoeld in Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4.De in de motivering van de gemeenteraad genoemde kaarten staan in de bijlage bij deze uitspraak.
5.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2106.
6.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 9 februari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP3700.
7.Gelet op artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo.