ECLI:NL:RBGEL:2026:839

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
C/05/447389 / ES RK 25-48
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:151 BWArt. 3:178 lid 3 BWArt. 1:164 BWArt. 1:99 lid 1 sub b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met nevenvoorzieningen en verdeling huwelijksgemeenschap met uitstel verkoop woning

De rechtbank Gelderland heeft op 4 februari 2026 uitspraak gedaan in een echtscheidingszaak tussen een vrouw en een man die gehuwd waren zonder huwelijkse voorwaarden. De vrouw verzocht om echtscheiding en onmiddellijke verkoop van de echtelijke woning, terwijl de man en zijn bewindvoerder vroegen om de woning onverdeeld te laten voor drie jaar. De rechtbank stelde vast dat het huwelijk duurzaam ontwricht is, mede door spanningen en psychische problematiek, en sprak de echtscheiding uit.

De rechtbank overwoog dat ondanks eerdere spanningen en een periode van opname van de man, de vrouw en man recentelijk gezamenlijk in de woning verbleven en de verstandhouding was verbeterd. Gezien hun leeftijd, beperkte financiële middelen en het ontbreken van alternatieve woonruimte, vond de rechtbank het belang van de man bij het onverdeeld laten van de woning groter dan het belang van de vrouw bij onmiddellijke verkoop. Daarom werd de verdeling van de woning voor drie jaar uitgesloten.

Verder werd bepaald dat de inboedel in onderling overleg wordt verdeeld, de bankrekeningen worden gedeeld en dat partijen gezamenlijk belastingaangifte doen over 2024 en 2025. Verzoeken tot vergoeding van kosten en inzage pensioenrechten werden afgewezen of niet-ontvankelijk verklaard. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad, behalve de echtscheiding zelf, die pas ingaat na inschrijving zonder hoger beroep.

Uitkomst: Echtscheiding uitgesproken en verdeling woning uitgesteld voor drie jaar wegens belangenafweging.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK GELDERLAND
Familie- en jeugdrecht
Zittingsplaats Arnhem
Zaakgegevens: C/05/447389 / ES RK 25-48 (echtscheiding)
C/05/453756 / FA RK 25/2274 (verdeling)
Datum uitspraak: 4 februari 2026
beschikking echtscheiding met nevenvoorzieningen
in de zaak van
[naam vrouw](hierna: de vrouw),
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. H.J.R.M. Boersma te Wadenoijen
tegen
Zeker Financiële Zorgverlening B.V.(hierna: de bewindvoerder),
gevestigd te Almere,
in hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen die (zullen) toebehoren aan:
[naam man](hierna: de man),
en de man,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. S. van Beers te Zeist.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het verzoekschrift van de vrouw, met bijlagen, ontvangen op 10 februari 2025;
  • het betekeningsexploot van 14 februari 2025;
  • het betekeningsexploot van 15 februari 2025;
  • het verweerschrift van de man, tevens houdende zelfstandige verzoeken, met bijlagen, ontvangen op 15 mei 2025;
  • het verweerschrift van de vrouw op de zelfstandige verzoeken, ontvangen op 13 juni 2025;
  • het bericht van mr. Boersma (concretisering petitum) van 24 juli 2025;
  • het bericht van mr. Boersma met bijlage (prod 6), ontvangen op 16 december 2025;
  • de vermeerdering zelfstandige verzoeken van de man, met bijlage, ontvangen op 5 januari 2026.
1.2.
De zaak is besproken op de zitting met gesloten deuren van 9 januari 2026 in het gerechtsgebouw van de Rechtbank Gelderland, locatie Zutphen. Daarbij waren aanwezig:
  • de vrouw, bijgestaan door mr. Boersma;
  • mw. [naam 1] namens de bewindvoerder en de man, bijgestaan door mr. Van Beers.

2.De feiten

2.1.
De vrouw en de man zijn met elkaar gehuwd op [huwelijksdatum] te [huwelijksplaats] .
2.2.
Bij beschikking van 16 december 2024 zijn de goederen die (zullen) toebehoren aan de man onder bewind gesteld met benoeming van Zeker Financiële Zorgverlening B.V. tot bewindvoerder.
2.3.
Bij beschikking van deze rechtbank van 24 april 2025 heeft de rechtbank voorlopige voorzieningen getroffen en bepaald dat de man met ingang 24 mei 2025 bij uitsluiting van de vrouw gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning gelegen te [woonplaats] aan [woonadres] , met bevel dat de vrouw de woning dient te verlaten en deze verder niet mag betreden.

3.Wat ligt voor?

3.1.
De vrouw verzoekt bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:
I. tussen de man en de vrouw, gehuwd te [huwelijksplaats] op [huwelijksdatum] , de echtscheiding uit te spreken, subsidiair de scheiding van tafel en bed uit te spreken;
II. te bepalen dat aan de vrouw het voortgezet gebruik van de echtelijke woning aan [woonadres] toekomt gedurende zes maanden na echtscheiding, voor zover nodig met het bevel dat de man deze woning dient te verlaten en niet verder zal betreden;
III. de verdeling te bepalen als volgt:
o de man te veroordelen om mee te werken aan verkoop en overdracht van de echtelijke woning aan [woonadres] door opdracht te geven aan [makelaar] , [adres] dan wel een door de rechtbank aan te wijzen erkende en regionaal werkende NVM Makelaar in [woonplaats] of omgeving, met dien verstande dat partijen de aanwijzingen van de makelaar voor het verkoop klaar maken van de woning dienen op te volgen, en waarbij de makelaar de vraag- en laatprijs bepaalt, en voorts de man te veroordelen om mee te werken aan de notariële overdracht van de echtelijke woning aan kopers, waarbij de ten deze af te geven beschikking treedt in de plaats van de medewerking en opdrachtverstrekking aan de door de rechtbank te benoemen makelaar, alsmede in de plaats treedt van de toestemming en medewerking van de man om de notariële overdracht van de woning aan kopers te realiseren;
o de overwaarde van de woning, na aftrek van de kosten voor het verkoopklaar maken van de woning, de kosten van de makelaar en overige onbetaald gebleven kosten die verband houden met de eigendom en het gebruik van de woning tot de datum van overdracht aan kopers zijn betaald en afgerekend, zal tussen partijen gelijkelijk 50/50 worden verdeeld;
o aan de vrouw wordt toegescheiden rekening [rekeningnummer 1] . De rekeningen [rekeningnummer 2] en [rekeningnummer 3] worden toegescheiden aan de man;
o partijen dienen gezamenlijk belastingaangifte te doen over het fiscale jaar 2025 door tussenkomst van de [belastingadviseur] te Tiel , waarbij de ten deze af te geven beschikking in de plaats treedt voor de toestemming en medewerking van de man om aan de [belastingadviseur] opdracht te geven om de belastingaangifte over 2025 in te dienen. De belastingaanslag zal door de man worden genoten dan wel betaald;
o de huishoudelijke inboedel en roerende zaken worden door partijen in onderling overleg gescheiden en verdeeld;
IV. althans een zodanige beschikking af te geven als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren.
3.2.
De bewindvoerder en de man refereren zich ten aanzien van het verzoek van de vrouw onder I en concluderen tot afwijzing van de overige verzoeken van de vrouw. Zij verzoeken bij wege van zelfstandig verzoek, na aanvulling, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. te bepalen dat aan de man het voortgezet gebruik van de echtelijke woning te [woonplaats] , gelegen aan [woonadres] toekomt, gedurende zes maanden na datum inschrijving echtscheidingsverzoek;
II. te bepalen dat conform artikel 3:178 lid 3 BW Pro de verdeling wordt uitgesloten van de echtelijke woning aan het adres [woonadres] te [woonplaats] , voor de duur van 3 jaar, dan wel een andere door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum;
III. te bepalen dat de vrouw binnen twee dagen na de in deze te wijzen beschikking openheid van zaken dient te verschaffen in de saldi van de bank- en spaarrekeningen, die op haar naam staan, alsmede te bepalen dat zij een overzicht dient te verstrekken van haar opgebouwde pensioenrechten;
IV. te bepalen dat de aanslagen/heffingen en teruggaven tot het jaar van beëindiging fiscaal partnerschap tussen de man en de vrouw gelijkelijk worden gedeeld;
V. te bepalen dat de vrouw aan de man verschuldigd is een bedrag van € 1.282,36 uit hoofde van diverse verrekenposten, welk bedrag door de vrouw aan de man binnen twee weken na de in deze te wijzen beschikking dient te worden voldaan, althans een ander door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, aan de man dient te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de beschikkingsdatum tot aan de dag der voldoening;
VI. te bepalen dat de vrouw een bedrag van € 7.100 dient te vergoeden aan de gemeenschap, althans te bepalen dat de vrouw een bedrag van € 3.550 aan de man dient te voldoen.
3.3.
De vrouw voert verweer tegen de zelfstandige verzoeken van de bewindvoerder en de man en verzoekt hen niet-ontvankelijk te verklaren dan wel de verzoeken af te wijzen. Zij verzoekt ook te bepalen dat de bewindvoerder en de man binnen twee dagen na de te wijzen beschikking aan de vrouw dienen af te geven bewijsstukken/afschriften van de saldi op de financiële rekeningen die (mede) op naam van de man zijn gesteld per 10 februari 2025.
3.4.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover van de beoordeling van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Echtscheiding

4.1.
Op grond van artikel 1:151 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de echtscheiding tussen partijen worden uitgesproken indien het huwelijk duurzaam ontwricht is. Het is de rechtbank gebleken dat er de afgelopen jaren veel is voorgevallen, maar dat de lezingen van de vrouw en de man over de gebeurtenissen verschillen. Volgens de vrouw was bij de man sprake van een psychische stoornis (schizofrenie) en waanbeelden, waarbij hij erg achterdochtig is over de bedoelingen van hun zoon en in toenemende mate dreigend was naar hen. Ook zou de man kampen met verzameldrang, waardoor de echtelijke woning vol met spullen kwam te staan. Hierdoor is veel strijd en spanning ontstaan. De man is na een escalatie tussen de vrouw, de man en hun zoon vanaf de zomer van 2024 tot en met mei 2025 opgenomen geweest bij Pro Persona, eerst op verplichte en later op vrijwillige basis. De man heeft echter aangevoerd dat deze opname geheel onterecht was. Zoals tijdens de procedure van voorlopige voorzieningen is gebleken, heeft de behandelend psychiater van de man verklaard dat de man geen psychiatrische aandoening heeft. De situatie is echter uiterst gespannen is geraakt wegens dreigend gedrag vanuit de zoon. Volgens de man stond de vrouw volledig onder invloed van haar zoon en had zij niks te vertellen. Daar komt bij dat in de periode dat de man opgenomen was, veel spullen uit de woning zijn gehaald, er een geldbedrag van € 10.000 is verdwenen en de auto van de man en de vrouw is verkocht. De man vermoedt dat hun zoon hier achter zit en zich de verkoopopbrengst van de auto heeft toegeëigend.
4.2.
Tijdens de zitting is echter gebleken dat de vrouw en de man, ondanks de beslissing van de rechtbank in de procedure van voorlopige voorzieningen, de afgelopen periode gezamenlijk in de echtelijke woning hebben verbleven. Er is op dit moment geen contact met hun zoon. De verstandhouding tussen de vrouw en de man is verbeterd en hoewel niet langer sprake is van een affectieve relatie, is de rechtbank wel gebleken dat sprake is van wederzijdse verzorging. De rechtbank is daarom tijdens de zitting uitvoerig met de vrouw en de man in gesprek gegaan over hun wens om te scheiden. Het is de rechtbank daarbij niet volledig duidelijk geworden of de vrouw en de man inzien dat een echtscheiding in feite slechts een formaliteit is en geen oplossing zal bieden voor de spanningen in de relatie met hun zoon. De rechtbank constateert echter ook dat zowel de vrouw als de man ter zitting meermaals heeft uitgesproken te willen scheiden. Door de gebeurtenissen in het verleden vrezen de vrouw en de man dat de spanningen mogelijk opnieuw kunnen oplopen. Volgens hen is een scheiding daarom onafwendbaar. Dit zal voor hen beiden rust bieden. De man heeft daarnaast aangegeven dat hij de steun van de vrouw miste in de periode dat de ruzie met hun zoon escaleerde en de man opgenomen werd bij Pro Persona. Hierin voelt hij zich tekort gedaan. Gelet op deze omstandigheden wordt naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan het vereiste dat sprake is van duurzame ontwrichting van het huwelijk in de zin van artikel 1:151 BW Pro. De rechtbank zal daarom de echtscheiding uitspreken.
De verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap
4.3.
De vrouw en de man zijn met elkaar op [huwelijksdatum] met elkaar gehuwd, zonder het opmaken van huwelijkse voorwaarden. Dit betekent dat tussen hen de (toen geldende) wettelijke algehele gemeenschap van goederen bestaat.
Peildatum
4.4.
Door de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding is die gemeenschap op 10 februari 2025 ontbonden. [1] Dat betekent in beginsel dat de goederen die de vrouw en de man op die datum (de zogenoemde ‘peildatum’) hadden, moeten worden verdeeld. Van de schulden die zij op de peildatum hadden, moet worden vastgesteld wie onderling welk deel daarvan moet betalen (ook wel de ‘interne draagplicht’ genoemd). In dit geval zijn dat de goederen en de schulden die aanwezig waren op 10 februari 2025. Voor de waarde van de goederen geldt dat de rechtbank in beginsel kijkt naar de waarde die de goederen hebben op het moment van de feitelijke verdeling.
Omvang van de ontbonden gemeenschap
4.5.
De rechtbank zal hierna eerst in kaart brengen welke goederen en schulden deel uitmaken van de ontbonden huwelijksgemeenschap. Daarna zal de rechtbank per goed de verdeling vaststellen of de wijze van verdeling gelasten en per schuld de interne draagplicht vaststellen. Daarbij geldt als uitgangspunt dat zowel de vrouw als de man recht heeft op de helft van de waarde van de goederen en ieder van hen de helft van de schulden zal moeten dragen.
4.6.
De vrouw en de man hebben de volgende bestanddelen van de gemeenschap naar voren gebracht:
de woning gelegen aan [woonadres] te [woonplaats] ;
de inboedelgoederen van voormelde woning;
de saldi van diverse bankrekeningen:
o de bankrekening op naam van de vrouw met rekeningnummer [rekeningnummer 1] ;
o de betaalrekening op naam van de man met rekeningnummer [rekeningnummer 3] .
4.7.
De bewindvoerder heeft onbetwist aangevoerd dat de gezamenlijke betaalrekening met rekeningnummer [rekeningnummer 2] en de gezamenlijke spaarrekening met rekeningnummer [rekeningnummer 4] reeds voor de peildatum zijn opgeheven. De saldi van deze rekeningen waren op de peildatum dus geen onderdeel meer van de huwelijksgemeenschap.
a) De woning
4.8.
De vrouw wil dat de woning verkocht wordt en verzoekt te bepalen dat de man hieraan moet meewerken. Het is de wens van de vrouw dat zij en de man ieder zelfstandig gaan wonen, omdat dit rust en overzicht zal bieden. De man heeft echter verzocht de woning gedurende drie jaar onverdeeld te laten. Volgens de man zal het voor zowel de vrouw als hemzelf lastig worden om een andere woning te vinden. Ook vreest de man, gelet op hetgeen de afgelopen periode is voorgevallen en de manier waarop spullen van de man tijdens zijn periode van opname bij Pro Persona uit de woning zijn verdwenen, dat de overwaarde van de woning via de vrouw wordt opgesoupeerd door hun zoon.
4.9.
De rechtbank overweegt dat uit artikel 3:178 BW Pro volgt dat deelgenoten in beginsel niet in onverdeeldheid hoeven te blijven, maar vrij zijn om verdeling van een gemeenschappelijk goed te vorderen. Op dit uitgangspunt zijn een aantal uitzonderingen gemaakt. Zo bepaalt lid 3 van artikel 3:178 BW Pro dat indien de door onmiddellijke verdeling getroffen belangen van een of meer deelgenoten aanmerkelijk groter zijn dan de belangen die door de verdeling worden gediend, de rechter op verlangen van een deelgenoot een of meerdere malen, telkens voor ten hoogste drie jaar, een vordering tot verdeling kan uitsluiten. De man verlangt dit. De rechtbank moet in dit geval dus beoordelen of het belang van de man bij het onverdeeld laten van de woning groter is dan het belang van de vrouw bij verdeling van de woning.
4.10.
De rechtbank acht in dit geval het belang van de man bij het onverdeeld laten van de woning groter dan het belang van de vrouw bij verkoop van de woning. Duidelijk is dat de vrouw noch de man op dit moment de beschikking heeft over een alternatieve woonruimte. Ondanks de eerdere toekenning van het uitsluitend gebruik van de woning aan de man hebben de vrouw en de man de afgelopen tijd samen in de woning verbleven. Hoewel de rechtbank begrijpt dat er veel is gebeurd en de vrouw en de man willen voorkomen dat de spanningen opnieuw zouden oplopen, is de rechtbank niet gebleken dat zich in het afgelopen zes tot negen maanden omstandigheden hebben voorgedaan die maken dat deze situatie niet meer houdbaar is. De vrouw heeft immers niet weersproken dat de verstandhouding tussen haar en de man is verbeterd, en heeft ter zitting erkend dat de man de gezamenlijke boodschappen doet en de vrouw naar de ziekenhuisbezoeken brengt. Dat de man heeft ingestemd met het verblijf van de vrouw in de woning, ondanks de eerdere beslissing van de rechtbank dat de man bij uitsluiting van de vrouw in de woning mocht verblijven, sterkt de overtuiging dat de vrouw en de man op dit moment in harmonie met elkaar in de woning kunnen verblijven.
4.11.
Daarnaast weegt de rechtbank mee dat vrouw en de man op leeftijd zijn en over beperkte financiële middelen beschikken. Verdeling van de woning zou betekenen dat de woning moet worden verkocht, aangezien de vrouw noch de man over voldoende financiële middelen beschikt om de woning over te nemen. Tenzij de vrouw en de man op dat moment beschikken over een alternatieve woning, komen zij allebei op straat te staan, met alle gevolgen van dien. Gelet op deze omstandigheden acht de rechtbank de kans klein dat de wens van de vrouw om gescheiden van de man te gaan wonen, wordt bereikt met de verkoop van de echtelijke woning. Ook heeft de vrouw niet concreet onderbouwd welke mogelijkheden zij na de verkoop van de woning heeft om een andere woning te kopen dan wel te huren. Niet is gebleken dat de vrouw de afgelopen periode aantoonbare pogingen heeft gedaan om, al dan niet met urgentie via de gemeente, een andere woning te verkrijgen nadat het uitsluitend gebruik van de woning aan de man was toegekend. Van een ander belang bij de verdeling van de woning, anders dan dat het de wens is van de vrouw om gescheiden te gaan wonen, is de rechtbank niet gebleken.
4.12.
De rechtbank kan tot slot ook niet voorbijgaan aan de omstandigheid dat de vrouw (ernstig) ziek is en onder behandeling is bij het ziekenhuis. Hoewel de rechtbank niet beschikt over verdere informatie over de ernst van de ziekte of de levensverwachting van de vrouw, blijkt voor de rechtbank hieruit wel dat de vrouw een kwetsbare gezondheid heeft. Het is voor de rechtbank niet duidelijk geworden wat in die omstandigheden het belang van de vrouw is om de woning van partijen te verkopen en te verhuizen, met alle onrust en inspanningen van dien, terwijl de vrouw op dit moment een geschikte en stabiele woonplek heeft waar zij nog wordt ondersteund en verzorgd door de man.
4.13.
Het voorgaande brengt met zich mee dat de rechtbank het verzoek van de bewindvoerder en de man onder II. zal toewijzen. De verzoeken van de vrouw onder III (eerste en tweede gedachtestreepje) zullen worden afgewezen.
Het voortgezet gebruik van de woning
4.14.
Zowel de man als de vrouw heeft verzocht om het voortgezet gebruik van de woning voor de duur van zes maanden na de datum van inschrijving van de echtscheidings-beschikking in de registers van de burgerlijke stand. Zij stellen over en weer dat zij er bij gebrek aan een alternatieve woning belang bij hebben om na de scheiding in de echtelijke woning te kunnen verblijven. Op dit moment verblijven de vrouw en de man echter al gezamenlijk in de woning. Zoals de rechtbank hiervoor in het kader van de verdeling van de woning heeft overwogen, is de rechtbank niet gebleken van omstandigheden die maken dat deze situatie niet langer houdbaar is. Nu noch de vrouw, noch de man een nadere onderbouwing heeft gegeven waaruit blijkt dat zij of hij er belang bij heeft om bij uitsluiting van de ander in de woning te verblijven, wijst de rechtbank de verzoeken op dit punt over en weer af. Dat betekent dat zowel de vrouw als de man gerechtigd is om in de woning te verblijven na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.
b) De inboedelgoederen
4.15.
De vrouw en de man zijn tijdens de zitting overeengekomen dat zij de inboedelgoederen van de echtelijke woning in onderling overleg zullen verdelen. De rechtbank zal deze afspraak opnemen in de beschikking.
c) De saldi van de diverse bankrekeningen
4.16.
Partijen zijn overeengekomen dat zij elkaar inzage zullen verschaffen in de saldi van de bankrekeningen op de peildatum. De bewindvoerder en de man hebben daarmee geen belang meer bij een beslissing van de rechtbank over het verzoek tot inzage. De rechtbank wijst dit verzoek daarom af.
4.17.
Ook zijn partijen overeengekomen dat de vrouw en de man ieder de eigen rekening behouden, en de saldi op de peildatum bij helfte zullen worden gedeeld. De rechtbank zal deze afspraak opnemen in de beschikking.
Aangifte inkomstenbelasting 2024 en 2025
4.18.
Partijen zijn het erover eens geworden dat zij gezamenlijk aangifte zullen doen over 2024 en 2025 en dat de vrouw en de man de eventuele teruggave dan wel aanslag bij helfte zullen delen. De rechtbank zal deze afspraak opnemen in de beschikking.
Vergoedingsrechten van de man
Onverschuldigd betaalde kosten voor de woning
4.19.
De bewindvoerder en de man verzoeken te bepalen dat de vrouw een bedrag van € 1.282,36 dient te vergoeden wegens door hen na de peildatum betaalde gezamenlijke kosten voor de woning waaraan de vrouw niet heeft meebetaald. De vrouw betwist het vergoedingsrecht. Nu de bewindvoerder en de man hebben nagelaten de vordering nader te onderbouwen, bijvoorbeeld door middel van betaalbewijzen of facturen waaruit blijkt dat sprake was van gezamenlijke kosten voor de woning van partijen die vanuit het privévermogen van de man zijn voldaan, kan de rechtbank niet vaststellen dat de man onverschuldigd gezamenlijke kosten heeft voldaan vanuit privévermogen. De rechtbank wijst daarom het verzoek af.
Benadeling van de gemeenschap
4.20.
De bewindvoerder en de man verzoeken te bepalen dat de vrouw op grond van artikel 1:164 BW Pro een bedrag van € 7.100 dient te vergoeden aan de gemeenschap, omdat zij dit bedrag heeft onttrokken aan de gezamenlijke rekening van partijen. De vrouw voert verweer tegen dit verzoek.
4.21.
Met de vrouw is de rechtbank van oordeel dat het beroep van de man op artikel 1:164 BW Pro niet slaagt nu op basis van de overgelegde bankafschriften is gebleken dat de opname van € 7.100 heeft plaatsgevonden op 16 juli 2024, meer dan zes maanden voor de datum van indiening van het verzoekschrift. Dit valt buiten het bereik van artikel 1:164 BW Pro. Om die reden wijst de rechtbank het verzoek af.
Inzage pensioenrechten van de vrouw
4.22.
De vrouw heeft ter zitting inzage gegeven in de door haar opgebouwde pensioenrechten aan de advocaat van de bewindvoerder en de man. Nu de advocaat heeft aangegeven dat zij daarmee over voldoende informatie beschikt, is er geen belang meer bij een beslissing van de rechtbank over het verzoek tot inzage. De rechtbank wijst dit verzoek daarom af.
Uitvoerbaar bij voorraad
4.23.
De rechtbank verklaart de beslissingen ‘uitvoerbaar bij voorraad’, zoals is verzocht, wat betekent dat deze beslissingen direct gelden ook als er hoger beroep wordt ingesteld. De beslissing over de echtscheiding zelf verklaart de rechtbank niet uitvoerbaar bij voorraad. Die beslissing geldt namelijk pas als de echtscheiding is ingeschreven en dat kan pas gebeuren als daar geen hoger beroep meer tegen mogelijk is.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
spreekt de echtscheiding uit tussen de vrouw en de man, die met elkaar gehuwd zijn op [huwelijksdatum] te [huwelijksplaats] ;
5.2.
sluit een vordering (van de vrouw) tot verdeling van de woning gelegen aan [woonadres] te [woonplaats] uit voor de duur van drie jaren, te rekenen vanaf de datum van deze beschikking;
5.3.
stelt vast dat partijen ten aanzien van de verdeling van de huwelijksgemeenschap het volgende zijn overeengekomen:
5.3.1.
de inboedelgoederen zullen in onderling overleg worden verdeeld;
5.3.2.
partijen zullen elkaar inzage verschaffen in de saldi van de bankrekeningen op de peildatum;
5.3.3.
de saldi op de bankrekening op naam van de vrouw met rekeningnummer [rekeningnummer 1] en de betaalrekening op naam van de man met rekeningnummer [rekeningnummer 3] op de peildatum zullen tussen de vrouw en de man bij helfte worden gedeeld, waarna ieder de eigen bankrekening voortzet;
5.3.4.
partijen zullen gezamenlijk belastingaangifte doen over 2024 en 2025, een eventuele teruggave dan wel aanslag zal bij helftetussen de vrouw en de man worden gedeeld;
5.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad, behalve de beslissing over de echtscheiding;
5.5.
wijst af wat meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.E. Grosscurt, rechter, in tegenwoordigheid van mr. V.D. van der Kooij als griffier en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Voetnoten

1.Artikel 1:99 lid 1 sub b BW Pro.