ECLI:NL:RBGEL:2026:867

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
05/081971-25
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Ontslag van rechtsvervolging
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 55 SrArt. 157 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag van rechtsvervolging wegens volledige ontoerekeningsvatbaarheid bij opzettelijke brandstichting

Op 17 maart 2025 stichtte verdachte brand in zijn twee-onder-een-kapwoning door open vuur in aanraking te brengen met brandbare stoffen zoals wasbenzine, spiritus en terpentine. De brand veroorzaakte gevaar voor de inboedel van zijn woning en de aangrenzende woning, en bracht levensgevaar voor de bewoners van die woningen met zich mee. Getuigenverklaringen en forensisch onderzoek bevestigden de opzettelijke brandstichting en de aanwezigheid van meerdere primaire brandhaarden.

Verdachte verklaarde last te hebben van stemmen en psychotische wanen, wat werd bevestigd door een psychiatrisch rapport. De psychiater concludeerde dat verdachte ten tijde van het feit volledig psychotisch was en niet in staat was zijn gedrag te beheersen. De rechtbank volgde dit oordeel en verklaarde verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar.

De rechtbank sprak verdachte vrij van straf en ontsloeg hem van alle rechtsvervolging. Er werd geen strafrechtelijke maatregel opgelegd omdat verdachte onder behandeling is, zijn leven heeft hervat en maatregelen heeft getroffen om herhaling te voorkomen. De rechtbank vond een verplichte opname of behandeling niet noodzakelijk.

Uitkomst: Verdachte is volledig ontoerekeningsvatbaar verklaard en ontslagen van alle rechtsvervolging wegens opzettelijke brandstichting met gevaar voor goederen en levensgevaar.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/081971-25
Datum uitspraak : 6 februari 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1964 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] ,
raadsvrouw: mr. Ah. Sahin, advocaat in Lent.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 17 maart 2025 te [plaats] , althans in Nederland, opzettelijk brand heeft gesticht door in zijn woning aan [adres] , open vuur in aanraking te brengen met (goederen die overgoten waren met) wasbenzine en/of spiritus en/of terpentine, althans een of meer brandbare stoffen, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten (de inboedel van) die woning en/of de aangrenzende en/of nabijgelegen woningen en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een of meer anderen, te weten voor de bewoners van en/of aanwezigen in de aangrenzende en/of nabijgelegen woningen,
te duchten was.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van het opzettelijk brand stichten door verdachte gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Zij heeft partiële vrijspraak bepleit van het deel van de tenlastelegging dat ziet op het bestaan van:
- gemeen gevaar voor de aangrenzende en/of nabijgelegen woningen;
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een of meer anderen, te weten voor de bewoners van en/of aanwezigen in de aangrenzende en/of nabijgelegen woningen.
Beoordeling door de rechtbank
Getuige [getuige] is de bewoonster van [adres] . Zij was samen met haar man aldaar aanwezig. Zij wonen in een twee onder 1 kap woning, geschakeld aan [adres] , de woning van verdachte. Zij heeft verklaard dat op 17 maart rond 00.00 uur haar man haar wakker maakte, omdat hij de deurbel hoorde. Daarna hoorde getuige een harde knal tegen de voordeur. Het alarm ging daardoor af. Toen ze ging kijken, stond er niemand voor de deur. Getuige heeft toen de beelden van de videodeurbel bekeken. Daarop was te zien dat haar buurman, verdachte, twee keer aanbelde en zei: “mijn huis staat in de brand”. Bij de tweede keer bellen schopte hij tegen de deur. [2]
Verdachte heeft verklaard dat hij al maanden last had van stemmen in zijn hoofd. Hij meende ook de stem van zijn buurvrouw te horen. Op 17 maart 2025 heeft verdachte wasbenzine, spiritus en terpentine in de logeerkamer gezet. Hij koos die kamer, omdat die kamer grenst aan de woning van de buurvrouw. Hij heeft op drie plekken in huis de flessen geleegd, namelijk boven, op de trap en beneden. Ook heeft hij er lucifers bij gelegd. Dit heeft hij vervolgens aangestoken. Beneden was sprake van een steekvlam. Hij trok de deur dicht, maar de vlammen kwamen onder de deur door. Vervolgens heeft hij de woning verlaten, heeft hij aangebeld bij de buren om te vertellen dat zijn huis in brand stond, maar toen er niets gebeurde en er niet werd opengedaan, is hij in de auto gestapt en weggereden. [3]
Ter plaatse is forensisch onderzoek gedaan. De woning van verdachte betrof een twee-onder-een-kapwoning. Het brandbeeld in de woonkamer, de hal en de trapopgang gaf verbalisant de indicatie dat de primaire brandhaarden daar waren ontstaan. Het betroffen meerdere primaire brandhaarden. Ook op de eerste verdieping werd een brandhaard op de overloop waargenomen. Tevens werden in de woning drie brandstofflessen, leeg of nagenoeg leeg, aangetroffen. De waargenomen sporen en brandpatronen passen bij het sprenkelen van een ontbrandbare vloeistof waarna deze werden aangestoken.. Gezien de situatie was het mogelijk dat de brand had kunnen overslaan, uitbreiden en/of zich had kunnen door ontwikkelen. De brand vond in de nacht plaats. Op deze locatie waren voldoende ontbrandbare stoffen. Gezien de situatie was het mogelijk dat de brand had kunnen overslaan naar de naast gelegen woning. [4]
De rechtbank concludeert uit de bewijsmiddelen dat verdachte opzettelijk brand heeft gesticht door in zijn woning aan [adres] open vuur in aanraking te brengen met brandbare stoffen.
De vraag die de rechtbank ten eerste moet beantwoorden is of daarbij sprake is geweest van te duchten gevaar voor goederen, namelijk gevaar voor de (inboedel van de) woning van verdachte en de aangrenzende woning(en). Met de brand is allereerst gevaar te duchten geweest voor de goederen in de woning van verdachte. Deze goederen zijn weliswaar van verdachte, maar als de brand was aangewakkerd door ontbranding van die of andere goederen zou de brand hebben kunnen overslaan naar de belendende woning. Dit klemt temeer omdat dit een twee-onder-een-kapwoning betreft, waarvan algemeen bekend is dat een brand in de ene woning eenvoudig kan overslaan naar de andere woning. Er is door het handelen van verdachte dus wel degelijk gevaar voor goederen ontstaan.
De rechtbank is ten tweede ook van oordeel dat sprake is geweest van te duchten levensgevaar voor personen. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is hiervoor vereist dat uit de inhoud van wettige bewijsmiddelen volgt dat dit levensgevaar inderdaad te duchten was. Dit betekent dat het levensgevaar ten tijde van de brandstichting naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest (zie o.a. HR 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG1653). Uit de bewijsmiddelen blijkt onder meer het volgende. De brand heeft plaatsgevonden in een twee-onder-een-kapwoning. Direct naast de woning waar verdachte brand heeft gesticht, bevond zich een andere woning, zodat risico bestond op branddoorslag of –overslag naar die woning. Daarnaast neemt de rechtbank in aanmerking dat de brand ‘s nachts is ontstaan, een moment waarop veel mensen thuis zijn en liggen te slapen. Dat was in dit geval ook zo. Vuur, maar ook de daarmee gepaard gaande rookontwikkeling, kan levensgevaar voor personen opleveren. Dat de verdachte heeft aangebeld bij de woning van de betreffende buren, zonder af te wachten of deze buren daarop zouden reageren, doet hieraan niet af. Verdachte wist immers niet of de buren hem zouden horen en/of – adequaat- zouden reageren. Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat het in de onderhavige zaak naar algemene ervaringsregels voorzienbaar was dat als gevolg van de brand levensgevaar voor anderen te duchten was. De rechtbank acht dit onderdeel van de tenlastelegging dan ook bewezen.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op
of omstreeks17 maart 2025 te [plaats] ,
althans in Nederland,opzettelijk brand heeft gesticht door in zijn woning aan [adres] ,
dooropen vuur in aanraking te brengen met (goederen die overgoten waren met) wasbenzine en
/ofspiritus en
/ofterpentine,
althans een of meer brandbare stoffen,terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten (de inboedel van) die woning en
/ofde aangrenzende
en/of nabijgelegenwoning
enen
/of
- levensgevaar
en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letselvoor
een of meeranderen, te weten voor de bewoners van en/of aanwezigen in de aangrenzende
en/of nabijgelegenwoning
en,
te duchten was.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
eendaadse samenloop van:
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
en
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is.

5.De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Standpunten
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt ontslagen van rechtsvervolging omdat de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde feit volledig ontoerekeningsvatbaar was ten gevolge van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. De raadsvrouw heeft datzelfde bepleit.
Beoordeling
Psychiater H.A. de Haan heeft onderzoek naar de geestesgesteldheid van verdachte gedaan en heeft daarover gerapporteerd in het PJ-rapport van 23 juli 2025. Verdachte lijdt aan een andere gespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis, momenteel in remissie. De recente psychotische periode van betrokkene lijkt ongeveer in 2023 te zijn begonnen met eerst achterdocht en overwaardige ideeën over zijn buren, die geleidelijk overgingen in wanen die niet meer gecorrigeerd konden worden. Eind 2023 kwamen daar auditieve hallucinaties bij en in de loop van 2024 waanwaarnemingen. De deskundige stelt verder dat de psychotische stoornis ook ten tijde van het tenlastegelegde bij verdachte in ernstige mate aanwezig is geweest. Er was sprake van auditieve en mogelijk haptische hallucinaties (enorme druk in zijn hoofd) en de waanovertuiging dat er iets ernstigs ging gebeuren.
Daarnaast kan volgens de deskundige aangenomen worden dat verdachte rondom het tenlastegelegde, ten gevolge van de psychotische toestand waarin hij verkeerde, niet of nauwelijks in staat was om zijn gedachten te organiseren en zijn gedrag te controleren en te sturen. De brandstichting lijkt daarbij volledig het gevolg van de psychose. De deskundige stelt dat verdachte er vanuit zijn psychose van overtuigd moet zijn geraakt dat brandstichting de enige manier was om het kwaad tegen te gaan nadat hij al op een andere irrationele manier met een metalen plaat had geprobeerd om de druk in zijn hoofd te beïnvloeden. De deskundige adviseert gelet daarop het tenlastegelegde niet aan betrokkene toe te rekenen.
De rechtbank verenigt zich met bovenstaande conclusies van de deskundige en neemt deze over. De rechtbank acht verdachte daarom ter zake van het bewezenverklaarde volledig ontoerekeningsvatbaar. De rechtbank zal verdachte niet strafbaar verklaren en ontslaan van alle rechtsvervolging.
De stoornis was kennelijk het gevolg van een samenloop van omstandigheden in verdachtes privéleven en werk, waardoor hij gebukt ging onder een zware geestelijke belasting die zijn psychische draagkracht op dat moment te boven ging. Dit is inmiddels onder controle, verdachte is onder behandeling en heeft zijn normale leven hervat, heeft ook maatregelen getroffen om herhaling te voorkomen, De deskundige acht een strafrechtelijke maatregel tot behandeling niet noodzakelijk. Verdachte is bovengemiddeld intelligent en is in staat zijn leven zodanig vorm te geven dat een dergelijke overbelasting wordt voorkomen. De rechtbank ziet dan ook geen reden voor oplegging van een verplichte opname of behandeling.

7.De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 55 en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

9.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte niet strafbaar en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging.
Dit vonnis is gewezen door mr. I. de Bruin (voorzitter), mr. F.J.H. Hovens en mr. G. Pesselse, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.L.M. van Schaik, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 februari 2026.
Mr. G. Pesselse is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, district Gelderland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025120306, gesloten op 19 maart 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 8.
3.Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 38-39; Verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 23 januari 2026.
4.Proces-verbaal forensisch brandoorzaakonderzoek ( [adres] ), p. 53-58.