Art. 6 WVW 1994Art. 5 WVW 1994Art. 18 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990Art. 19 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990Art. 23 Sr
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vrijspraak schuld aan verkeersongeval, geldboete en rijontzegging wegens gevaarlijk rijgedrag
Op 28 juli 2024 reed verdachte op de Nieuwe Tielseweg in Tiel en sloeg linksaf naar de Sterrebos, waarbij hij een tegemoetkomende motorfiets raakte. De motorfiets, bestuurd door het slachtoffer met een passagier, kwam ten val en de opzittenden liepen zwaar lichamelijk letsel op.
De officier van justitie vorderde veroordeling voor aanmerkelijke onvoorzichtigheid (art. 6 WVWPro 1994), terwijl de verdediging vrijspraak bepleitte. De rechtbank oordeelde dat het rijgedrag van verdachte weliswaar gevaarlijk was, maar niet voldeed aan de vereiste mate van schuld voor veroordeling op grond van art. 6 WVWPro 1994.
Wel werd bewezen verklaard dat verdachte zich schuldig maakte aan het veroorzaken van gevaar en hinder op de weg (art. 5 WVWPro 1994). De rechtbank legde een geldboete van €500 op en een rijontzegging van 6 maanden, waarbij rekening werd gehouden met de ernst van het feit, het letsel van de slachtoffers en het strafblad van verdachte.
Verdachte werd vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit en veroordeeld voor het subsidiair ten laste gelegde feit. De straf is lager dan door de officier van justitie geëist vanwege de andere bewezenverklaring.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van schuld aan het ongeval, maar veroordeeld voor overtreding van art. 5 WVW 1994 met geldboete en rijontzegging.
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/145091-25
Datum uitspraak : 6 februari 2026
Tegenspraak (279 Sv)
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1971 in [geboorteplaats] ,
verblijvend te [plaats] ,
raadsman: mr. J.A.W. Knoester, advocaat te ’s-Gravenhage.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.
1.De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 28 juli 2024 te Tiel als bestuurder van een voertuig
(personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Nieuwe Tielseweg,
zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft
gereden, hierin bestaande dat verdachte,
- niet of in onvoldoende mate naar het tegengestelde verkeer op die Nieuwe
Tielseweg heeft gekeken en/of is blijven kijken en/of zich niet of in onvoldoende
mate heeft overtuigd of vanuit tegengestelde richting verkeer naderde en/of
- in strijd met artikel 18 vanPro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 bij
het afslaan naar links teneinde de Sterrebos op te rijden, een hem op dezelfde weg
tegemoetkomende motorfietser niet heeft laten voorgaan en/of
- in strijd met artikel 19 vanPro voornoemd reglement zijn snelheid niet zodanig heeft
geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig (personenauto) tot stilstand te brengen
binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of
- zonder snelheid te verminderen en/of te stoppen is gebotst tegen, althans in
aanrijding gekomen met de vanuit tegengestelde richting dicht genaderd zijnde
motorfiets, ten gevolge waarvan de opzittenden van die motorfiets ten val zijn
gekomen,
en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten
verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]
en/of [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd
toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de
normale bezigheden is ontstaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 28 juli 2024 te Tiel als bestuurder van een voertuig
(personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Nieuwe Tielseweg,
- niet of in onvoldoende mate naar het tegengestelde verkeer op die Nieuwe
Tielseweg heeft gekeken en/of is blijven kijken en/of zich niet of in onvoldoende
mate heeft overtuigd of vanuit tegengestelde richting verkeer naderde en/of
- in strijd met artikel 18 vanPro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 bij
het afslaan naar links teneinde de Sterrebos op te rijden, een hem op dezelfde weg
tegemoetkomende motorfietser niet heeft laten voorgaan en/of
- in strijd met artikel 19 vanPro voornoemd reglement zijn snelheid niet zodanig heeft
geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig (personenauto) tot stilstand te brengen
binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of
- zonder snelheid te verminderen en/of te stoppen is gebotst tegen, althans in
aanrijding gekomen met de vanuit tegengestelde richting dicht genaderd zijnde
motorfiets, ten gevolge waarvan de opzittenden van die motorfiets ten val zijn
gekomen, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,
althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,
althans kon worden gehinderd;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of
zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 28 juli 2024 te Tiel als bestuurder van een personenauto op de
voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Nieuwe Tielseweg, bij het afslaan
naar links, teneinde Sterrebos op te rijden, een hem op dezelfde weg
tegemoetkomende motorfiets niet heeft laten voorgaan, waarbij letsel aan personen
is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht.
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
Op 28 juli 2024 was verdachte bestuurder van een personenauto en reed hij op de Nieuwe Tielseweg in Tiel. Hij reed op een weg met aan iedere kant een rijstrook en wilde linksaf slaan, naar de Sterrebos. Op de andere rijstrook (voor het hem tegemoetkomende verkeer) reed een motor. Deze motor werd bestuurd door [slachtoffer] en de passagier betrof [slachtoffer] . Verdachte kwam in botsing met de motor, ten gevolge waarvan de opzittenden van die motor ten val zijn gekomen. [2]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde. De officier van justitie gaat daarbij uit van de laagste schuldgradatie, te weten aanmerkelijke onvoorzichtigheid. Het letsel van de slachtoffers is volgens de officier van justitie aan te merken als zwaar lichamelijk letsel.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ten aanzien van het primair tenlastegelegde vrijspraak bepleit, nu de ondergrens van schuld in de zin van art. 6 vanPro de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) niet wordt gehaald. Ten aanzien van het (meer) subsidiair tenlastegelegde is geen bewijsverweer gevoerd.
Beoordeling door de rechtbank
Uit de verkeersongevallenanalyse blijkt het volgende. Verbalisanten zagen op het gedeelte van de rijbaan bestemd voor het verkeer gaande in westelijke rijrichting (de rijrichting van de motorfiets) een zwartkleurige aftekening. Dit was een schuifspoor van een band die zijwaarts, dus ongeveer haaks op de rijrichting, verplaatst was. Dit spoor werd ongeveer in het midden, net achter de eindpositie van de personenauto gezien. Vermoedelijk was dit spoor afgetekend door het linker voorwiel van de personenauto; een dergelijk spoor ontstaat wanneer een voertuig door een meer dan geringe kracht zijdelings wordt verplaatst.
Door verbalisanten wordt geconcludeerd dat, gezien de schade aan de personenauto en de schade aan de motorfiets, de motorfiets tegen de zijkant van de rechter voorzijde van de personenauto kwam, ter hoogte van de rechter koplamp en tegen het rechter voorwiel. Gezien het schadebeeld aan de personenauto was de personenauto ingedraaid naar links, waarbij de personenauto op het rijbaangedeelte bestemd voor verkeer in westelijke richting (de rechtbank begrijpt: de weghelft waar de motor reed) terecht was gekomen.
Verbalisanten beschrijven verder dat op de camerabeelden te zien is dat de personenauto in beeld komt, vervolgens in een vloeiende beweging, zonder een zichtbaar grote vertraging, indraait naar links. Vervolgens werd gezien dat de auto ineens tot stilstand kwam en in hoogte wat bewoog. Tijdens die beweging zagen verbalisanten een persoon in de lucht over de personenauto vliegen en vervolgens op het wegdek van de rijbaan terechtkomen. De personenauto rolde, dan wel reed, verder in de richting waarin hij was ingedraaid. [3]
De rechtbank heeft dezelfde beelden gezien en concludeert hieruit, in combinatie met de overige bevindingen van het sporenonderzoek, dat verdachte niet of in onvoldoende mate naar het tegengestelde verkeer op de Nieuwe Tielseweg heeft gekeken en is blijven kijken, de tegemoetkomende motor niet heeft laten voorgaan, en is ingedraaid naar links en op de tegengestelde weghelft in aanrijding is gekomen met de motor. Daarbij heeft verdachte gereden in een vloeiende beweging, zonder zodanig op tijd te stoppen dat de motor ongehinderd zijn weg kon vervolgen. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is welk strafbaar feit dit oplevert.
Van schuld in de zin van artikel 6 WVWPro 1994 is sprake in het geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Daarbij geldt dat in zijn algemeenheid niet valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor bewezenverklaring van schuld in vorenbedoelde zin. Bij de vraag of sprake is van schuld aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVWPro 1994 komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Daarbij komt dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.
Het rijgedrag van verdachte is weliswaar gevaarlijk verkeersgedrag geweest, maar is op zichzelf onvoldoende om te kunnen spreken van een aanmerkelijke verwijtbare onvoorzichtigheid. Verdachte heeft weliswaar onvoldoende aandacht gehad voor tegemoetkomend verkeer en heeft daardoor de tegemoetkomende motor geen voorrang verleend, maar er is geen sprake van bijkomende omstandigheden of fouten van verdachte die van invloed zijn geweest op het plaatsvinden van het ongeval. Onder die omstandigheden acht de rechtbank dat niet voldaan is aan de voor artikel 6 WVWPro 1994 vereiste mate van schuld om te kunnen spreken van aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend handelen. Daarom zal verdachte van het primair tenlastegelegde worden vrijgesproken.
Het subsidiair ten laste gelegde is toegesneden op artikel 5 WVWPro 1994, waarin strafbaar wordt gesteld het zich zodanig op de weg gedragen dat gevaar wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt, dan wel het verkeer wordt gehinderd of kan worden gehinderd. Het gaat daarbij om concrete gevaarzetting of hinder. Bij de vraag of een bepaalde handeling kan worden aangemerkt als gevaarlijk gaat het om de handeling in concreto in het licht van alle omstandigheden van het geval.
Door zijn rijgedrag heeft verdachte gevaar op de weg veroorzaakt en het verkeer op de weg gehinderd. De rechtbank acht overtreding van artikel 5 WVWPro 1994, het subsidiair tenlastegelegde, wettig en overtuigend bewezen.
3.De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op of omstreeks28 juli 2024 te Tiel als bestuurder van een voertuig
(personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Nieuwe Tielseweg,
- niet of in onvoldoende mate naar het tegengestelde verkeer op die Nieuwe
Tielseweg heeft gekeken en/of is blijven kijken en/of zich niet of in onvoldoende
mate heeft overtuigd of vanuit tegengestelde richting verkeer naderde en /of
- in strijd met artikel 18 vanPro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 bij
het afslaan naar links teneinde de Sterrebos op te rijden, een hem op dezelfde weg
tegemoetkomende motorfietser niet heeft laten voorgaan en /of
- in strijd met artikel 19 vanPro voornoemd reglement zijn snelheid niet zodanig heeft
geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig (personenauto) tot stilstand te brengen
binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en /of
- zonder snelheid te verminderen en/ofte stoppen is gebotst tegen, althansin
aanrijding gekomen met de vanuit tegengestelde richting dicht genaderd zijnde
motorfiets, ten gevolge waarvan de opzittenden van die motorfiets ten val zijn
gekomen, door welke gedraging (en )van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt ,
althans kon worden veroorzaakt,en /ofhet verkeer op die weg werd gehinderd ,
althans kon worden gehinderd.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
subsidiair:
overtreding van artikel 5 vanPro de Wegenverkeerswet 1994.
5.De strafbaarheid van het feit
Het feit is strafbaar.
6.De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte (voor het primaire feit) zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 120 uur en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit aan verdachte geen taakstraf of geldboete op te leggen, maar heeft zich niet verzet tegen oplegging van een ontzegging van de rijbevoegdheid.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een strafbaar feit in het verkeer. Hij heeft niet of niet goed gekeken en geen voorrang verleend, als gevolg waarvan een aanrijding met een motor heeft plaatsgevonden. De twee opzittenden van de motor hebben zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Door aldus te handelen heeft verdachte de verkeersveiligheid in gevaar gebracht.
Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op de inhoud van het zijn strafblad van 9 december 2025 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.
De rechtbank acht, gelet op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, oplegging van een geldboete van € 500,00 passend. De rechtbank gaat gelet op de ernst van het feit en de gevolgen daarvan niet over tot het achterwege laten van een geldboete of een taakstraf, zoals door de raadsman bepleit.
Een ontzegging van de rijbevoegdheid is daarnaast vanuit het oogpunt van generale preventie, en gelet op het feit dat deze doorgaans ook wordt opgelegd in zaken die qua ernst vergelijkbaar zijn met onderhavige zaak, passend. De rechtbank zal aan verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid van 6 maanden opleggen. Dat is lager dan door de officier van justitie is geëist, nu de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt.
8.De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:
- 23 en 24c van het Wetboek van Strafrecht;
- 5, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
9.De beslissing
De rechtbank:
spreekt verdachte vrij van het primair ten laste gelegde feit;
verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
legt op een geldboete van € 500,00 bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 dagen hechtenis;
ontzegt verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden.
Dit vonnis is gewezen door mr. I. de Bruin, (voorzitter), mr. F.J.H. Hovens en mr. G. Pesselse, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.L.M. van Schaik, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 februari 2026.
Mr. G. Pesselse is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Voetnoten
1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Eenheid Oost-Nederland, district Gelderland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024350542, gesloten op 29 april 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal aanrijding misdrijf, p. 6-9; proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 25-27.