ECLI:NL:RBGEL:2026:923

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
21/007143-18
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6:8 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot uitstel voorwaardelijke invrijheidstelling wegens onvoldoende bewijs veiligheidsrisico's slachtoffers

De veroordeelde is bij arrest van het gerechtshof Arnhem veroordeeld tot twaalf jaar gevangenisstraf wegens poging doodslag op zijn ex-partner en familieleden. De voorwaardelijke invrijheidstelling (VI) was aanvankelijk vastgesteld op 29 december 2025. Het Openbaar Ministerie (OM) vorderde uitstel van de VI vanwege geruchten over mogelijke wraakacties van de veroordeelde jegens de slachtoffers.

Tijdens de zitting op 23 januari 2026 werd vastgesteld dat deze geruchten afkomstig waren uit een anonieme bron en niet konden worden bevestigd door de politie in Groningen. De reclassering had geen pro-criminele houding geconstateerd en adviseerde positief over de VI onder voorwaarden. Het OM had zelf geen diepgravend onderzoek verricht en liet dit over aan de reclassering, wat niet haar taak is.

De rechtbank oordeelde dat de aanvankelijke reden voor het uitstel van de VI, namelijk de vrees voor geweld tegen de slachtoffers, zijn geldigheid had verloren door het ontbreken van concrete aanwijzingen. Ook andere argumenten zoals het ontbreken van een RIBW-plaats en de verblijfplaats bij de broer van de veroordeelde werden niet overtuigend geacht. De vordering tot uitstel werd daarom afgewezen en de veroordeelde zal op 15 februari 2026 in vrijheid worden gesteld onder voorwaarden.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling af en bepaalt dat de veroordeelde op 15 februari 2026 in vrijheid wordt gesteld onder voorwaarden.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 21/007143-18
VI-zaaknummer: 99/001185-43
Datum uitspraak: 6 februari 2026
Beslissingvan de meervoudige kamer op de vordering inzake voorwaardelijke invrijheidstelling (artikel 6:6:8 (oud) Wetboek van Strafvordering)
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[veroordeelde]
geboren op [geboortedatum] 1977 in [geboorteplaats] (Algerije),
thans gedetineerd te [plaats] .
Raadsman: mr. A.S. Sewgobind, advocaat in Eindhoven.

1.De procedure

1.1
Bij onherroepelijk geworden arrest van het gerechtshof Arnhem d.d. 26 februari 2020 is betrokkene veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf jaar. De begindatum van de detentie van veroordeelde was 10 februari 2018 (datum inverzekeringstelling). De einddatum van de datum zonder voorwaardelijke invrijheidstelling zou zijn 8 december 2029. De reguliere datum van voorwaardelijke invrijheidstelling was 29 december 2025.
1.2
De schriftelijke vordering van de officier van justitie d.d. 29 december 2025 strekt tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling met 180 dagen (zie ook hierna).

2.Het onderzoek ter zitting

Het onderzoek is gehouden ter openbare zitting van 23 januari 2026. Daarbij zijn gehoord:
- veroordeelde;
- zijn raadsman;
- reclasseringswerker [naam] , en
- de officier van justitie mr. G.J. Jansen.

3.De standpunten

3.1
De officier van justitie heeft betoogd dat de vordering dient te worden toegewezen. Daartoe is aangevoerd dat bij de slachtoffers van het indexdelict de vrees bestaat dat betrokkene zich met geweld tegen hen zal keren. Dit vermoeden moet eerst worden ontzenuwd voordat vertrokkene op vrije voeten kan worden gesteld.
3.2
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in deze vordering. De VI-datum was bepaald op 29 december 2025, waarmee feitelijk de proeftijd is begonnen. Er is dan ook sprake van herroeping van de VI en niet van uitstel en aan de maatstaven voor herroeping wordt niet voldaan.
Inhoudelijk is aangevoerd dat de vordering dient te worden afgewezen. Daartoe is aangevoerd dat deze vrees is gebaseerd op geruchten uit onbekende bron. Deze geruchten konden echter niet worden bevestigd. Het kan niet zo zijn dat verdere vrijheidsbeneming alleen wordt gebaseerd op allerlei vage geruchten van onbekende herkomst.

4.De beoordeling

De feitelijke gang van zaken
4.1
Betrokkene is veroordeeld wegens poging doodslag op zijn ex-partner en familieleden door hen met een schroevendraaier in vitale lichaamsdelen (hoofd en/of nek) te steken. Het veroordelend arrest vermeldt: “De stand van zaken waarmee het hof zich aldus geconfronteerd ziet is een zaak waarin de verdachte zich aan drie ernstige en levensbedreigende geweldsdelicten heeft schuldig gemaakt in de relationele sfeer, terwijl daar geen enkele kenbare aanleiding voor is geweest. Het feit dat verdachte kennelijk zo makkelijk zijn toevlucht zoekt tot het aanwenden van levensbedreigend geweld, verontrust het hof, te meer nu van de zijde van verdachte geen enkel aanknopingspunt is geboden om, al dan niet via behandeling, te voorkomen dat iets dergelijks zich in de toekomst opnieuw voor zal doen. Het hof is daarom van oordeel dat de op te leggen gevangenisstraf er ook toe dient te strekken dat de samenleving zo lang als nodig, maar nog steeds passend bij de aard en ernst van de delicten, tegen verdachte in bescherming moet worden genomen.”
4.2
Betrokkene heeft in het kader van de strafprocedure niet meegewerkt aan een gedragskundig onderzoek in het Pieter Baan Centrum. Ook nadien is een dergelijk onderzoek niet verricht.
4.3
In het reclasseringsrapport van 29 oktober 2025 is vermeld dat betrokkene na vrijlating geen eigen verblijfplaats heeft, maar kan verblijven bij zijn broer in Groningen. Hier heeft hij ook al regelmatig overnacht in het kader van re-integratieverloven. De reclassering heeft geen pro-criminele houding kunnen constateren, betrokkene had geen uitgebreid strafblad, heeft een beroepsopleiding afgerond en streefde voor het delict maatschappelijk geaccepteerde doelen na. De reclassering adviseerde positief over de VI, met oplegging van bijzondere voorwaarden, om betrokkene ondersteuning te geven bij het opnieuw inrichten van zijn leven en het aanpakken van zijn praktische problemen, zoals huisvesting, financiën en dagbesteding.
4.4
Ook het advies van de PI was positief. Er zijn geen disciplinaire sancties opgelegd. Betrokkene heeft voornamelijk gewenst gedrag laten zien en heeft aangetoond met vrijheden en verantwoordelijkheden om te kunnen gaan. Er is vertrouwen dat betrokkene betaald werk en huisvesting zal verkrijgen en behouden. Omdat betrokkene lang heeft vastgezeten wordt toch een toezicht geadviseerd. Daarnaast wordt ter bescherming van de slachtoffers een contactverbod geadviseerd hoewel deze desgevraagd niet hadden gereageerd om hun wensen kenbaar te maken.
4.5
Op 3 december 2025 heeft het openbaar ministerie voorwaardelijke invrijheidstelling toegekend per 29 december 2025, onder vaststelling van enkele voorwaarden, zoals, kort gezegd:
- contactverbod met drie slachtoffers;
- meldingsplicht bij reclassering;
- ambulante behandeling;
- begeleid wonen zodra beschikbaar, in afwachting daarvan verblijven bij zijn broer in Groningen;
- dagbesteding.
4.6
Op 24 december 2025 echter heeft de reclassering een aanvullend advies uitgebracht. Dit advies vermeldt dat uit recent verkregen informatie blijkt dat er zorgen zijn rondom de veiligheid van de slachtoffers. Er zouden geruchten zijn dat betrokkene de slachtoffers opnieuw zou willen opzoeken en daarbij geweld zou kunnen gebruiken. Deze zouden zich inmiddels gemeld hebben bij de politie in Groningen en hebben aangegeven doodsbang te zijn. Er zou meer onderzoek nodig zijn naar de mogelijkheden voor slachtofferbescherming.
4.7
Op 23 december 2025 heeft het openbaar ministerie (naar aanleiding van waarschuwende informatie van de reclassering) het VI-besluit van 3 december 2025 ingetrokken.
4.8
Op 29 december 2025 heeft het openbaar ministerie een vordering ingediend tot uitstel van de VI. Daartoe is, samengevat, aangevoerd dat:
  • op de voorziene VI-datum geen RIBW-plaats beschikbaar is;
  • RIBW-instellingen betrokkene niet willen opnemen zonder enig inzicht in recente diagnostiek, waarbij het ontbreken van een delictscenario een rol speelt;
  • tijdelijk verblijf bij zijn broer ongewenst is, mede omdat de reclassering Groningen signalen heeft opgevangen dat betrokkene nog steeds plannen heeft om zijn ex-partner te doden en dat zijn broer daarbij mogelijk behulpzaam zou zijn;
  • dat de reclassering nader onderzoek zal doen over deze “zorgelijke signalen”.
In afwachting daarvan kan geen VI plaats vinden omdat de veiligheid van de slachtoffers niet kan worden gewaarborgd, mede gezien het gegeven dat betrokkene nooit opheldering heeft willen geven over het delict.
De inhoudelijke beoordeling
4.9
Anders dan de raadsman heeft aangevoerd, is er wel sprake van een vordering tot uitstel en niet tot herroeping van een reeds aangevangen voorwaardelijke invrijheidstelling. Deze was voorzien voor 29 december 2025, maar het daartoe strekkende besluit is reeds voordien ingetrokken zodat de voorwaardelijke invrijheidstelling nooit is aangevangen.
4.1
De vordering is ook niet te laat gedaan. Artikel 6.6.8 Sv (oud) schrijft voor dat de vordering tot uitstel wordt ingediend uiterlijk 30 dagen vóór de voorziene VI-datum, maar dat een later ingediende vordering ontvankelijk is indien aannemelijk is dat de grond voor de vordering tot uitstel zich pas nadien heeft voorgedaan. Dat is hier het geval, nu de reclassering op 24 december 2025 het hiervoor vermelde aanvullende advies heeft uitgebracht (kennelijk voorafgegaan door een mondelinge kennisgeving aan het openbaar ministerie) en melding heeft gemaakt van recent opgekomen zorgen over de veiligheid van de slachtoffers.
4.11
Dat het openbaar ministerie, na de waarschuwing van de reclassering over de veiligheid van de slachtoffers in eerste instantie pas op de plaats heeft gemaakt bij de voorwaardelijke invrijheidstelling, is goed voorstelbaar. Het indexdelict betreft een zeer akelig feit dat, zoals het gerechtshof opmerkte, uit het niets kwam, waarover geen achtergrondinformatie beschikbaar is en geen delictscenario bestaat. Terecht dat de tijd werd genomen om een en ander nader uit te zoeken.
4.12
Vervolgens loopt de zaak echter uit de rails. Tijdens de mondelinge behandeling is de reclasseringswerker [naam] gehoord. Zij heeft contact opgenomen met de politie in Groningen, waar de geruchten over een mogelijke wraakactie door betrokkene circuleerden, maar de politie kon dit allemaal niet bevestigen, laat staan bewijzen hiervoor aanleveren. Er is ook niet gebleken dat er nog nader onderzoek hiernaar gaande is. De politie Groningen heeft het afgesloten.
4.13
Er is, kortom, geen enkele bevestiging van deze vage geruchten uit onbekende bron voorhanden om te kunnen zeggen dat veroordeelde kwade plannen heeft om de slachtoffers van de indexdelicten opnieuw gewelddadig te benaderen.
4.14
De officier van justitie heeft opgemerkt dat de reclassering kennelijk onvoldoende heeft doorgevraagd bij de politie Groningen over welk onderzoek feitelijk is gedaan, of de slachtoffers zijn gehoord en er is geen contact gezocht met het Veiligheidshuis. Hij is niet gerust gesteld dat er inderdaad geen gevaar dreigt voor de slachtoffers zodat dit nader onderzoek alsnog moet worden gedaan.
4.15
Tegelijk moet worden vastgesteld dat van de zijde van het openbaar ministerie ook geen enkele inspanning is verricht om meer duidelijkheid te krijgen, terwijl het openbaar ministerie en niet de reclassering, uiteindelijk verantwoordelijk is voor de toepassing van de voorwaardelijke invrijheidstelling en zich daarop ook laat voorstaan.
4.16
De rechtbank concludeert dat op 3 december 2025 de voorwaardelijke invrijheidstelling wat reclassering, DJI en openbaar ministerie betreft, in kannen en kruiken was. Betrokkene zou op 29 december 2025 vrijkomen en vooralsnog, in afwachting van een plek in een RIBW-instelling, bij zijn broer in Groningen kunnen verblijven (zie 4.5). Hij was akkoord met alle opgelegde voorwaarden. Dan komt de waarschuwing van de reclassering dat de slachtoffers van het indexdelict bevreesd zouden zijn dat betrokkene hen opnieuw geweld zou kunnen aandoen. Dat zijn echter ‘slechts’ geruchten uit onbekende bron (zie 4.6). Verificatie daarvan heeft geen enkele bevestiging opgeleverd en het is niet eens bekend wat de bron van deze geruchten was. Er is geen enkele aanwijzing dat veroordeelde deze slachtoffers heeft benaderd of door iemand heeft laten benaderen (zie 4.12 en 4.13).
4.17
Dat betekent volgens de rechtbank dat de aanvankelijke reden voor het oponthoud bij de voorwaardelijke invrijheidstelling (zie 4.11) zijn geldigheid heeft verloren en we terug zijn bij de situatie op 3 december 2025.
4.18
De overige in de vordering uitstel genoemde argumenten (zie 4.8) dat er geen RIBW-plaats beschikbaar is, dat RIBW’s hem niet willen hebben vanwege het ontbreken van recente diagnostiek en dat de broer in Groningen geen betrouwbare verblijfplaats kan bieden, komen enigszins gekunsteld voor, nu deze omstandigheden begin december ook geen beletsel vormden voor het verlenen van voorwaardelijke invrijheidstelling.
4.19
De vordering zal daarom worden afgewezen.
4.2
Het is voorstelbaar dat de slachtoffers van destijds zich bepaald, zacht gezegd, ongemakkelijk en zelfs onveilig voelen bij de vrijlating van betrokkene, maar dat kan op zichzelf geen reden zijn de VI uit te stellen als die vrees niet nader kan worden gesubstantieerd.
4.21
Veroordeelde zal in vrijheid worden gesteld op 15 februari 2026 onder de door het openbaar ministerie te stellen voorwaarden. De rechtbank adviseert in dat verband dezelfde voorwaarden te hanteren als in het VI-besluit van 3 december 2025.
Beslissing
De rechtbank:
 wijst af de vordering tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling;
 bepaalt dat veroordeelde op 15 februari 2026 in vrijheid wordt gesteld onder door het openbaar ministerie te stellen voorwaarden.
Deze beslissing is gegeven door mr. F.J.H. Hovens, voorzitter, mr. I. de Bruin en mr. G. Pesselse, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.L.M. van Schaik, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 februari 2026.
Mr. G. Pesselse is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.