De veroordeelde is bij arrest van het gerechtshof Arnhem veroordeeld tot twaalf jaar gevangenisstraf wegens poging doodslag op zijn ex-partner en familieleden. De voorwaardelijke invrijheidstelling (VI) was aanvankelijk vastgesteld op 29 december 2025. Het Openbaar Ministerie (OM) vorderde uitstel van de VI vanwege geruchten over mogelijke wraakacties van de veroordeelde jegens de slachtoffers.
Tijdens de zitting op 23 januari 2026 werd vastgesteld dat deze geruchten afkomstig waren uit een anonieme bron en niet konden worden bevestigd door de politie in Groningen. De reclassering had geen pro-criminele houding geconstateerd en adviseerde positief over de VI onder voorwaarden. Het OM had zelf geen diepgravend onderzoek verricht en liet dit over aan de reclassering, wat niet haar taak is.
De rechtbank oordeelde dat de aanvankelijke reden voor het uitstel van de VI, namelijk de vrees voor geweld tegen de slachtoffers, zijn geldigheid had verloren door het ontbreken van concrete aanwijzingen. Ook andere argumenten zoals het ontbreken van een RIBW-plaats en de verblijfplaats bij de broer van de veroordeelde werden niet overtuigend geacht. De vordering tot uitstel werd daarom afgewezen en de veroordeelde zal op 15 februari 2026 in vrijheid worden gesteld onder voorwaarden.