ECLI:NL:RBGEL:2026:929

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
AWB-25_4577V
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkheid beroep niet tijdig beslissen afgewezen

Deze uitspraak betreft het verzet van opposant tegen de uitspraak van 11 december 2025, waarin de rechtbank zijn beroep wegens niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk verklaarde. Opposant betwist dat er tijdig is beslist op zijn aanvraag van 5 augustus 2025 en voert aan dat de beslissing van de plaatsvervangend directeur van de PI Arnhem niet namens de minister is genomen en dat niet volledig op zijn aanvraag is beslist.

De rechtbank oordeelt dat de brief van 16 september 2025 van de directeur van de PI Arnhem als een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb Pro moet worden beschouwd. Deze brief is concreet en ondubbelzinnig gericht op de aanvraag van 5 augustus 2025 en bevat een tijdige beslissing. Het feit dat de plaatsvervangend directeur mogelijk niet bevoegd was om te beslissen, doet hieraan niet af, aangezien het tijdig nemen van een besluit centraal staat.

Ook het argument dat niet volledig op de aanvraag is beslist, leidt niet tot het oordeel dat er niet tijdig is beslist. Opposant kan dit punt aan de orde stellen in de lopende bezwaarprocedure tegen het besluit van 16 september 2025. De rechtbank verklaart het verzet ongegrond en bevestigt de eerdere uitspraak. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens niet tijdig beslissen wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/4577 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

op het verzet van

[opposant], gedetineerd in de PI in Alphen aan den Rijn, opposant, [1]
tegen de uitspraak van de rechtbank van 11 december 2025 in het geding tussen

opposant

en

de minister van Justitie en Veiligheid.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de uitspraak van de rechtbank van 11 december 2025 waarin de rechtbank het beroep (niet tijdig beslissen) van opposant niet-ontvankelijk heeft verklaard.
1.1.
De rechtbank heeft het verzet op 23 januari 2026 op zitting behandeld. Opposant heeft deelgenomen aan de zitting. Namens de minister was de heer [naam] aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 11 december 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [2] is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het beroep van opposant
4. Het beroep van opposant ging over het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag van 5 august 2025.
De uitspraak van 11 december 2025
5. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank doen als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat de (plaatsvervangend) vestigingsdirecteur van de PI Arnhem op 16 september 2025 al op de aanvraag heeft beslist, de minister dat besluit voor zijn rekening heeft genomen en er dus geen sprake is van het niet tijdig beslissen.

Staat buiten redelijke twijfel dat tijdig is beslist op de aanvraag?

6. Opposant betwist dat buiten redelijke twijfel is dat er tijdig is beslist op de aanvraag van 5 augustus 2025. Opposant stelt allereerst – kort samengevat – dat de beslissing van (plaatsvervangend) directeur geen beslissing namens de minister was en dat de wet ook geen mogelijkheid biedt voor de minister om een directeursbeslissing achteraf voor zijn rekening te nemen. Ten tweede voert hij aan dat er niet volledig is beslist op zijn aanvraag in het besluit van 16 september 2025. Het besluit ziet enkel op verzochte MDO- en dagrapportages, maar ten aanzien van hetgeen voor het overige is verzocht wordt verwezen naar de casemanager en is geen beslissing genomen. Opposant stelt dat als slechts gedeeltelijk op een aanvraag is beslist, er nog steeds sprake is van niet tijdig beslissen.
6.1.
De gronden van verzet slagen niet.
6.2.
Uit vaste rechtspraak volgt dat een beslissing rechtsgevolg heeft als zij er op is gericht een bevoegdheid, recht of verplichting voor een of meer anderen te doen ontstaan of teniet te doen, dan wel de juridische status van een persoon of een zaak vast te stellen. [3] De rechtbank is van oordeel dat de brief 16 september 2025 van de directeur van de PI moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb. Gelet op de inhoud van de brief en de bewoordingen ervan, is de brief ook bedoeld als een reactie op de aanvraag van 5 augustus 2025 en is er ook concreet en ondubbelzinnig op die aanvraag beslist. Het betoog van opposant komt er in feite op neer dat de (plaatsvervangend) directeur niet bevoegd was om te beslissen op de aanvraag omdat de minister daartoe bevoegd is. Ook als opposant hierin gevolgd zou worden, leidt dit niet tot het oordeel dat er niet tijdig is beslist. De vraag of met een handeling een rechtsgevolg is beoogd en het al dan niet om een besluit gaat, moet immers onderscheiden worden van de vraag of degene die de op rechtsgevolg gerichte handeling heeft verricht bevoegd was om dat besluit te nemen. [4] Het maakt voor de vraag of tijdig is beslist op de aanvraag dus niet uit of de (plaatsvervangend) directeur hiertoe bevoegd was. Vaststaat dat op 16 september 2025 op de aanvraag is beslist en daarmee is tijdig een besluit genomen.
6.3.
Ook de stelling van opposant dat er niet volledig op zijn aanvraag is beslist, maakt niet dat er niet tijdig is beslist op zijn aanvraag. Nu er tijdig een besluit is genomen op zijn aanvraag, is reeds om die reden geen sprake van niet tijdig beslissen. Als opposant meent dat er niet volledig is beslist op zijn aanvraag, dan kan hij dat in de lopende bezwaarprocedure tegen het besluit van 16 september 2025 naar voren brengen.

Conclusie en gevolgen

7. Het verzet slaagt niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 11 december 2025. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Goldebeld, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De voorzieningenrechter en de griffier zijn verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen in de bodemzaak op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
2.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.ABRvS 22 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:99.
4.ABRvS 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3514.