ECLI:NL:RBGEL:2026:938

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
459653
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot ontruiming woning na overlijden erflater wegens ontbreken huurrecht

Op 14 januari 2026 heeft de Rechtbank Gelderland uitspraak gedaan in een kort geding over de ontruiming van een woning na het overlijden van de eigenaar, erflater. Eiseres, enig erfgenaam en eigenaar van de woning, vorderde dat gedaagde de woning zou verlaten omdat hij zonder recht of titel in de woning verbleef. Gedaagde stelde dat hij een huurovereenkomst had en dat hij een tegenprestatie leverde door huur te betalen en onderhoud te verrichten.

De rechtbank oordeelde dat eiseres een spoedeisend belang had bij ontruiming vanwege het eigendomsrecht en de noodzaak om de nalatenschap af te wikkelen. Gedaagde slaagde er niet in aannemelijk te maken dat hij een huurrecht had, mede omdat hij geen bewijs van huurbetalingen kon overleggen en de verklaringen van derden onvoldoende waren. Ook werd het gebruiksrecht om niet van de woning door gedaagde erkend, maar dit was door eiseres rechtsgeldig opgezegd.

De rechtbank bepaalde een termijn tot 1 juni 2026 voor ontruiming, met een dwangsom bij niet-naleving. Gedaagde werd veroordeeld in de proceskosten en de kosten van ontruiming. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot ontruiming van de woning uiterlijk 1 juni 2026 met oplegging van een dwangsom.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/459653 / KZ ZA 25-190
Vonnis in kort geding van 14 januari 2026
in de zaak van
[eiseres],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. J.J.H. Post,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. H.C.J. Coumou.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding inclusief 19 producties
- de producties 20 tot en met 25 van [eiseres]
- de producties 1 tot en met 12 van [gedaagde]
- de mondelinge behandeling van 17 december 2025
- de pleitnota van [eiseres]
- de pleitnota van [gedaagde] .

2.De feiten

2.1.
Op [datum] 2025 is [erflater] (hierna: erflater) overleden. Erflater had geen nakomelingen.
2.2.
Erflater was sinds [datum] 1975 in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met [moeder] (hierna: moeder). Voor moeder was dit haar tweede huwelijk. Zij was daarvoor gehuwd met [naam 1] , die op [datum] 1973 is overleden.
2.3.
Moeder is overleden op [datum] 2016. Zij had drie kinderen uit haar eerste huwelijk. Dit zijn [naam 2] (hierna: [naam 2] ) die op [datum] 2021 is overleden, [gedaagde] en [eiseres] .
2.4.
Moeder heeft bij testament van 7 juli 2014 over haar nalatenschap beschikt. Omdat hierdoor de wettelijke verdeling op de nalatenschap van moeder van toepassing was, heeft erflater vanaf 10 december 2016 van rechtswege alle goederen van de nalatenschap van moeder verkregen. De kindsdelen van [naam 2] , [gedaagde] en [eiseres] waren opeisbaar vanaf het moment van overlijden van erflater.
2.5.
Erflater was sinds 23 juli 1990 eigenaar van de vrijstaande woning aan [adres 1] (hierna: de woning). Erflater heeft daar aanvankelijk met moeder gewoond. Ook [gedaagde] heeft gedurende zijn meerderjarige leven in de woning gewoond. Nadat moeder in 2016 overleed en nadat erflater op [datum] 2025 overleed is [gedaagde] in de woning blijven wonen.
2.6.
Op 28 mei 2025 heeft [gedaagde] twee bedragen overgemaakt naar de ervenrekening. Dit betreft een bedrag van € 300,00 met vermelding “huur [adres 1] ” en een bedrag van € 900,00 met vermelding “achterstallige huur [adres 1] ”. [eiseres] heeft deze bedragen direct teruggestort met de vermelding “?”.
2.7.
Volgens de verklaring van erfrecht van 16 juli 2025 is [eiseres] als enig erfgenaam van erflater en executeur van zijn nalatenschap benoemd. Die heeft zij zuiver aanvaard. Hierdoor is [eiseres] sinds 17 juli 2025 enig eigenaar van de woning.
2.8.
Als gevolg van het overlijden van erflater moeten een aantal geldvorderingen worden voldaan van in totaal € 886.807,00. De liquiditeiten in de nalatenschap van erflater zijn daarvoor onvoldoende, zodat [eiseres] de woning van erflater tegelde wil maken. Zij heeft de woning door een makelaar laten taxeren en een daarmee samenhangend advies en vraagprijs laten opstellen. De makelaar heeft een vraagprijs geadviseerd van € 1.350.000,00 kosten koper.
2.9.
Op 17 september 2025 heeft de advocaat van [eiseres] [gedaagde] onder meer geïnformeerd over haar positie, hem uitgelegd dat de woning tegelde moet worden gemaakt en hem verzocht de woning voor 15 november 2025 te ontruimen en zorg te dragen voor oplevering.
2.10.
Op 3 oktober 2025 heeft de advocaat van [gedaagde] onder meer medegedeeld dat [gedaagde] niet aan dat verzoek zal voldoen omdat hij de woning al jaren tegen betaling van huur (a contant) bewoont.
2.11.
[gedaagde] heeft de woning niet verlaten op 15 november 2025. Op 20 november 2025 heeft [gedaagde] voorgesteld de woning met grond te kopen voor € 600.000,00 kosten koper op basis van een waarde in verhuurde staat en zonder aanspraak te maken op zijn moederlijk erfdeel van € 183.120,00.

3.Het geschil

3.1.
[eiseres] vordert – samengevat – om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
3.1.1.
[gedaagde] te bevelen de woning binnen 30 dagen na dit vonnis te verlaten met medeneming van zijn eigen spullen en de woning te ontruimen, deugdelijk schoon te maken en in goede staat onder afgifte van de sleutels ter vrije en algehele beschikking van [eiseres] te stellen en de woning ontruimd te laten en niet naar de woning terug te keren, met machtiging voor [eiseres] om die ontruiming na ommekomst van de genoemde termijn en na betekening van dit vonnis zelf te doen bewerkstelligen, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag of gedeelte daarvan met een maximum van € 100.000,00;
3.1.2.
[gedaagde] te veroordelen in de kosten van de ontruiming indien hij daar niet vrijwillig aan voldoet;
3.1.3.
[gedaagde] te veroordelen in de proceskosten en nakosten.
3.2.
[eiseres] legt aan de vordering – kort weergegeven – het volgende ten grondslag.
Zij heeft een spoedeisend belang bij haar vordering tot ontruiming omdat [gedaagde] zonder recht of titel in de woning verblijft. Er is geen sprake van huur en [gedaagde] heeft ook geen alternatieve tegenprestaties verleend voor het wonen in de woning. Daarmee schendt hij na het overlijden van erflater doorlopend het eigendomsrecht van [eiseres] en frustreert hij haar beschikkingsmacht. [eiseres] heeft het recht om de woning als haar eigendom te verkopen. Zonder verkoop kan zij de schuldeisers en rechthebbenden van de nalatenschap niet tijdig en niet volledig voldoen. Ook moet de aangifte erfbelasting in 2026 worden betaald. Ten behoeve van de bewoning van alleen [gedaagde] in de woning worden steeds kosten van de ervenrekening afgeschreven waardoor het te verdelen bedrag onder de deelgenoten wordt uitgehold. Het voorstel van [gedaagde] om de woning in verhuurde staat te kopen voor € 600.000,00 kan niet serieus worden genomen. [eiseres] zou daarmee alle gerechtigden in de erfenis benadelen en [gedaagde] bevoordelen wat de fiscus als schenking zou kunnen zien. Bovendien wil [eiseres] niet dat [gedaagde] in de woning blijft wonen en gaat het ook tegen de wens van erflater in als [gedaagde] in de woning blijft wonen.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure.
3.4.
[gedaagde] voert – kort weergegeven – het volgende aan.
[eiseres] heeft geen spoedeisend belang. Zij heeft haar belang bij verkoop van de woning niet onderbouwd. Erflater had ook gronden elders. De verkoop van die grond samen met de banksaldi van erflater zijn ruim voldoende om alle schulden en kosten van erflater te voldoen. [gedaagde] heeft ook voorgesteld de woning door koop over te nemen en dat als onderdeel van die overeenkomst [eiseres] wordt gekweten voor de aanspraken die [gedaagde] op haar heeft voor zijn moederlijk erfdeel. Het gebruik door [gedaagde] van de woning kwalificeert als een huurovereenkomst voor onbepaalde duur. Gedurende zijn hele volwassen leven en zijn gehele periode als zelfstandige in de bouw heeft [gedaagde] een vaste tegenprestatie verschaft voor de bewoning door contante betaling van een maandelijkse geldsom van eerst ƒ 300,00 en later € 300,00. Daarnaast heeft [gedaagde] een wezenlijke tegenprestatie geleverd door op zijn kosten verbouwingen en groot onderhoud aan de woning en bijgebouwen te verrichten. [gedaagde] heeft een zwaarwegend belang om in de woning te kunnen blijven wonen, omdat het voor hem niet mogelijk is een andere woning met voldoende opslag voor zijn onderneming te kopen of te huren.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan
4. De beoordeling
4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eiseres] daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
4.2.
[eiseres] heeft een voldoende spoedeisend belang bij haar vordering tot ontruiming van de woning door [gedaagde] . In haar stellingen dat [gedaagde] inbreuk maakt op haar eigendomsrecht en zij onvoldoende liquide middelen heeft om de erfenis af te wikkelen is een spoedeisend belang gelegen. [eiseres] is dus ontvankelijk in haar vordering.
4.3.
Niet in geschil is dat [eiseres] enig erfgename is van erflater en zij op dit moment de enige eigenaar is van de woning. In beginsel hoeft [eiseres] als eigenaar niet te dulden dat [gedaagde] zonder haar toestemming gebruik maakt van de woning. Het staat vast dat [gedaagde] dat op dit moment wel doet. Anders dan [gedaagde] ter zitting heeft gesteld is het aan hem om aannemelijk te maken dat hij een gebruiksrecht heeft voor de woning. [gedaagde] is daarin niet geslaagd. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter het volgende.
4.4.
[gedaagde] stelt dat hij volgens afspraak met erflater huur is gaan betalen toen hij zelfstandige werd en dat die betaalde vergoeding rechtstreeks in verband staat met het ter beschikking stellen van de woning en de bijbehorende schuur. Echter ondanks dat [gedaagde] naar eigen zeggen al 45 jaar contant huur zou hebben betaald heeft hij geen enkel bewijs van die betalingen overlegd, zoals kwitanties. Dat bij de vaststelling van moeder erfdeel is uitgegaan van een woning in verhuurde staat, is gesteld noch gebleken. Aan de door [gedaagde] overgelegde verklaringen van vrienden, kennissen en zijn dochter kan niet de conclusie worden verbonden dat er sprake was van huur. In deze verklaringen wordt in het midden gelaten wanneer een betaling is verricht en waaruit deze personen hebben afgeleid dat het huur betrof, nog geheel daargelaten de vraag wat [gedaagde] precies huurde. In een aantal verklaringen wordt ook geen concreet bedrag genoemd. Bovendien ziet de verklaring van zijn dochter op een periode dat zij nog maar een kind was.
Daartegenover heeft [eiseres] deze verklaringen gemotiveerd betwist en verklaringen overgelegd van derden, zoals aangetrouwde familie, de huishoudster en buren en vrienden van erflater die regelmatig bij hem kwamen en die ertoe strekken dat er van huur geen sprake was. Ook blijkt uit die verklaringen dat de relatie tussen erflater en [gedaagde] verstoord was en zij elkaar nauwelijks spraken. Verder heeft [eiseres] onweersproken gesteld dat [gedaagde] heel weinig bezoek ontving. Dat de door [gedaagde] genoemde personen dan steeds net aanwezig waren bij een contante betaling van de huur is niet aannemelijk. De verklaring van de boekhouder dat [gedaagde] de meeste facturen contant betaalde, zegt niets over maandelijkse huurbetalingen aan erflater. [gedaagde] heeft ook geen aannemelijke verklaring gegeven waarom hij steeds contante betalingen zou hebben gedaan. Facturen voor zijn onderneming liet hij, naar zeggen, steeds betalen door zijn boekhouder. Mocht dit het geval zijn geweest, dan valt niet in te zien waarom de boekhouder niet ook de huur maandelijks overboekte naar de bankrekening van erflater.
De stelling van [gedaagde] dat hij de laatste drie maanden voor het overlijden van erflater geen huur heeft betaald omdat erflater niet meer in staat was de contante huur aan te nemen is ongeloofwaardig. Volgens eigen zeggen betaalde hij de huur door het bedrag van € 300,- op de tafel bij erflater neer te leggen. Waarom dat in de laatste maanden niet meer mogelijk was, is niet toegelicht. Er waren kennelijk weinig of geen contacten tussen erflater en [gedaagde] , zoals [eiseres] ook stelt. Juist in periode dat het niet goed zou zijn gegaan met erflater, zou het voor de hand gelegen hebben als [gedaagde] wat vaker dan anders bij erflater langs zou zijn gedaan, waren de contacten normaal en goed zijn geweest. Bovendien beweert [gedaagde] dat hij kort voor het overlijden van erflater wel is langs gelopen om door erflater een jachtakte te laten ondertekenen. Waarom dat dringend nodig zou zijn geweest, is door [gedaagde] niet toegelicht. Mocht dat hebben samengehangen met de perceptie van [gedaagde] dat het niet goed ging met erflater, dan zou het toch veel meer voor de hand gelegen hebben om schriftelijk vast te leggen dat er sprake was van een huurovereenkomst tussen [gedaagde] en erflater. Overigens is de stelling van [gedaagde] dat erflater de jachtakte zou hebben getekend zeer twijfelachtig, gelet op het feit dat de handtekeningen die van erflater zouden zijn, weliswaar enigszins op elkaar lijken, maar ook zoveel van elkaar verschillen dat zelfs voor een leek de verklaring van [gedaagde] niet overtuigt dat erflater deze handtekeningen ook daadwerkelijk heeft geplaatst. Dat heeft uiteraard zijn negatieve weerslag op de betrouwbaarheid van het verdere verweer van [gedaagde] , zoals zijn bewering dat erflater de wens had dat hij in de woning zou blijven wonen, maar hij dit niet richting [eiseres] durfde uit te spreken omdat hij bang voor haar was, nota bene [eiseres] aan wie erflater alles heeft nagelaten en die tot op het laatst zijn financiën heeft geregeld. Tot slot heeft [eiseres] een videoverklaring van erflater overgelegd waarin erflater zegt dat [gedaagde] zes weken na zijn overlijden de woning moet verlaten.
De slotsom is dat van huur niet is gebleken en dat [gedaagde] kennelijk niet meer dan een gebruiksrecht om niet had van delen van de woning.
4.5.
Dit gebruiksrecht is door [eiseres] bij brief van 17 september 2025 opgezegd per 15 november 2025. Deze termijn was te kort. [gedaagde] zal immers andere woon- en bedrijfsruimte moeten vinden. Inmiddels heeft hij zich al bijna vier maanden kunnen oriënteren op de mogelijkheden rond [plaats] . De voorzieningenrechter zal de ontruiming bevelen per 1 juni 2026.
Dat het voor [gedaagde] lastig zal zijn vervangende woonruimte te vinden met een grote schuur, maakt niet dat zijn belang zwaarder dient te wegen dan het belang van [eiseres] om over haar eigendom te kunnen beschikken en de nalatenschap af te kunnen wikkelen. [gedaagde] heeft een totale koopprijs geboden voor het betreffende onroerende goed van ruim € 750.000,- (inclusief zijn erfdeel). Met dergelijke middelen moet hij zich kunnen voorzien van een andere woning en de benodigde bedrijfsruimte, door koop of huur. Het is daarbij uiteraard niet noodzakelijk dat de bedrijfsruimte bij de woning is gelegen.
4.6.
Gelet op de verstoorde verhouding tussen partijen bestaat voldoende grond om [gedaagde] een dwangsom op te leggen. De gevorderde dwangsom zal worden beperkt als volgt.
4.7.
Tevens zal [eiseres] worden gemachtigd de ontruiming na ommekomst van de termijn van 1 juni 2026 zelf te doen bewerkstelligen in welk geval [gedaagde] zal worden veroordeeld in de kosten van die ontruiming.
4.8
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van van Donkelaar worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
144,47
- griffierecht
331,00
- salaris advocaat
1.107,00
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.760,47
4.9
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om na betekening van dit vonnis uiterlijk op 1 juni 2026 de woning aan [adres 1] , gelegen op het kadastrale perceel [perceelnummer] , te verlaten met medeneming van zijn eigen spullen en de woning ontruimt, deugdelijk schoongemaakt en in goede staat, onder afgifte van alle sleutels ter vrije en algehele beschikking van [eiseres] te stellen en de woning ontruimd te laten en niet terug te keren naar de woning, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] niet aan deze veroordeling voldoet, tot een maximum van € 25.000,00 is bereikt,
5.2.
machtigt [eiseres] om de ontruiming na ommekomst van de onder 5.1. genoemde termijn en na betekening van dit vonnis zelf te doen bewerkstelligen en veroordeelt [gedaagde] in de kosten van die ontruiming, indien hij daar niet vrijwillig aan voldoet, te voldoen op vertoning van en conform de specificatie en opgave van die kosten in het proces-verbaal van ontruiming van de deurwaarder;
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.760,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. Vergunst en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026.
1518