Uitspraak
RECHTBANK Gelderland
1.De procedure
- de producties 20 tot en met 25 van [eiseres]
- de producties 1 tot en met 12 van [gedaagde]
- de mondelinge behandeling van 17 december 2025
- de pleitnota van [eiseres]
- de pleitnota van [gedaagde] .
2.De feiten
3.Het geschil
De stelling van [gedaagde] dat hij de laatste drie maanden voor het overlijden van erflater geen huur heeft betaald omdat erflater niet meer in staat was de contante huur aan te nemen is ongeloofwaardig. Volgens eigen zeggen betaalde hij de huur door het bedrag van € 300,- op de tafel bij erflater neer te leggen. Waarom dat in de laatste maanden niet meer mogelijk was, is niet toegelicht. Er waren kennelijk weinig of geen contacten tussen erflater en [gedaagde] , zoals [eiseres] ook stelt. Juist in periode dat het niet goed zou zijn gegaan met erflater, zou het voor de hand gelegen hebben als [gedaagde] wat vaker dan anders bij erflater langs zou zijn gedaan, waren de contacten normaal en goed zijn geweest. Bovendien beweert [gedaagde] dat hij kort voor het overlijden van erflater wel is langs gelopen om door erflater een jachtakte te laten ondertekenen. Waarom dat dringend nodig zou zijn geweest, is door [gedaagde] niet toegelicht. Mocht dat hebben samengehangen met de perceptie van [gedaagde] dat het niet goed ging met erflater, dan zou het toch veel meer voor de hand gelegen hebben om schriftelijk vast te leggen dat er sprake was van een huurovereenkomst tussen [gedaagde] en erflater. Overigens is de stelling van [gedaagde] dat erflater de jachtakte zou hebben getekend zeer twijfelachtig, gelet op het feit dat de handtekeningen die van erflater zouden zijn, weliswaar enigszins op elkaar lijken, maar ook zoveel van elkaar verschillen dat zelfs voor een leek de verklaring van [gedaagde] niet overtuigt dat erflater deze handtekeningen ook daadwerkelijk heeft geplaatst. Dat heeft uiteraard zijn negatieve weerslag op de betrouwbaarheid van het verdere verweer van [gedaagde] , zoals zijn bewering dat erflater de wens had dat hij in de woning zou blijven wonen, maar hij dit niet richting [eiseres] durfde uit te spreken omdat hij bang voor haar was, nota bene [eiseres] aan wie erflater alles heeft nagelaten en die tot op het laatst zijn financiën heeft geregeld. Tot slot heeft [eiseres] een videoverklaring van erflater overgelegd waarin erflater zegt dat [gedaagde] zes weken na zijn overlijden de woning moet verlaten.