Uitspraak
RECHTBANK Gelderland
1.De procedure
- de producties van [gedaagde]
- de mondelinge behandeling van 21 januari 2026
- de pleitnota van [eiseres]
- de pleitnota van [gedaagde] .
Rechtbank Gelderland
Eiseres huurt sinds 2020 een woning van gedaagde woningcorporatie en woont daar met haar minderjarige dochter. Na meldingen van overlast door omwonenden vorderde gedaagde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming. Een tussenvonnis legde gedragsaanwijzingen op en gaf eiseres de kans de overlast te stoppen.
Ondanks gedragsaanwijzingen bleef overlast bestaan, waarop de kantonrechter in een eindvonnis de huurovereenkomst ontbond en ontruiming gelastte met een ruime termijn vanwege het belang van de minderjarige dochter. Eiseres vorderde in kort geding schorsing van de ontruiming wegens kennelijke misslag en spoedeisend belang.
De voorzieningenrechter oordeelde dat geen kennelijke misslag aanwezig was, omdat de kantonrechter de belangen van eiseres en haar dochter zorgvuldig had meegewogen en de overlast voldoende was onderbouwd. De belangenafweging wees uit dat het belang van gedaagde bij directe ontruiming zwaarder woog dan het belang van eiseres bij behoud van de woning.
De vordering tot schorsing werd afgewezen en eiseres werd veroordeeld in de proceskosten. De minderjarige dochter wordt opgevangen door een instantie indien nodig. Het vonnis werd gewezen door mr. P.F.A. Bierbooms op 22 januari 2026.
Uitkomst: De vordering tot schorsing van de ontruiming wordt afgewezen en eiseres wordt veroordeeld in de proceskosten.