ECLI:NL:RBGEL:2026:941

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
460344
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 6:215 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming woonruimte na beëindiging zorg- en huurovereenkomst wegens niet-naleving voorwaarden

Stichting Ontmoeting, een zorginstelling voor mensen met psychosociale problemen, stelde woonruimte ter beschikking aan [gedaagde] op basis van een zorgovereenkomst gekoppeld aan een huurovereenkomst voor bepaalde tijd. De zorgovereenkomst liep van 16 april 2025 tot 16 oktober 2025 en bevatte voorwaarden over gedrag en gebruik van de woonruimte.

[gedaagde] hield zich gedurende de looptijd structureel niet aan de afspraken, veroorzaakte overlast en hygiëneproblemen, en weigerde begeleiding. Stichting Ontmoeting beëindigde daarom de zorgovereenkomst en daarmee ook de huurovereenkomst, en vorderde ontruiming van de woonruimte.

De voorzieningenrechter oordeelde dat sprake was van een gemengde overeenkomst waarbij het zorgelement overheerst, waardoor de huurbeschermingsregels niet van toepassing zijn. De beëindiging van de zorgovereenkomst was gerechtvaardigd vanwege de niet-naleving door [gedaagde]. Ondanks zijn kwetsbaarheid was een belangenafweging niet in zijn voordeel, mede omdat Stichting Ontmoeting passende alternatieven had aangeboden.

De vordering tot ontruiming, betaling van huur en dwangsom werd toegewezen met een termijn van 14 dagen voor ontruiming. [gedaagde] werd veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De vordering tot ontruiming van de woonruimte wordt toegewezen met een termijn van 14 dagen en veroordeling tot betaling van huur en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/460344 / KZ ZA 25-197
Vonnis in kort geding van 29 januari 2026
in de zaak van
STICHTING ONTMOETING,
te Houten,
eisende partij,
hierna te noemen: Stichting Ontmoeting,
advocaten: mr. J.T. Borgers en mr. A.B. Bouter,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. T.M. ten Velde.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding inclusief 10 producties
- de aanvullende producties 11 tot en met 25 van Stichting Ontmoeting
- de productie van [gedaagde]
- de mondelinge behandeling van 15 januari 2026
- de pleitnota van Stichting Ontmoeting
- de pleitnota van [gedaagde] .

2.De feiten

2.1.
Stichting Ontmoeting is een instelling die zich onder meer bezighoudt met de begeleiding van mensen met psychosociale en psychiatrische problemen en mensen met een licht verstandelijke beperking. Zij stelt zich ten doel om op basis van naastenliefde vanuit christelijke grondslag professionele hulp te bieden aan dak- en thuislozen. Stichting Ontmoeting heeft geen winstoogmerk en is geen reguliere onderneming.
2.2.
De financiering van de zorg en begeleiding van cliënten loopt veelal via zogenaamde indicaties waarbij plaatselijke overheden en organisaties zoals de GGD een rol innemen en vervullen.
2.3.
In het kader van de zorg en begeleiding is aan [gedaagde] een woonruimte ter beschikking gesteld aan de [adres woonruimte] (hierna: de woonruimte). Op 16 april 2025 heeft [gedaagde] daartoe de “Zorgovereenkomst [adres woonruimte] ” met de bijbehorende begeleidingsafspraken, de daaraan gekoppelde huurovereenkomst voor bepaalde tijd, de huisregels en het sanctiebeleid ondertekend. De zorgovereenkomst is aangegaan voor bepaalde tijd van 16 april 2025 tot 16 oktober 2025.
2.4.
[gedaagde] heeft op basis van deze zorgovereenkomst ambulante woonbegeleiding ontvangen in een reguliere woonsetting. Het hoofddoel was dat [gedaagde] binnen zes maanden zou kunnen doorstromen naar een eigen (zelfstandige) woonruimte met of zonder begeleiding. Door akkoord te gaan met de zorgovereenkomst is [gedaagde] ook akkoord gegaan met daarin vastgelegde specifieke voorwaarden en omstandigheden betreffende het wonen en de zorg. In de zorgovereenkomst staat dat [gedaagde] begeleiding ontvangt op basis van vier essentiële afspraken waar hij zich aan dient te houden. Deze afspraken houden onder meer in dat [gedaagde] zich begeleidbaar moet opstellen, zijn afspraken moet nakomen en begeleiding moet toelaten in de woning, dat hij zich respectvol moet gedragen tegenover anderen en hij geen overlast mag veroorzaken in en rondom de woning.
2.5.
[gedaagde] is met ondertekening van de zorgovereenkomst ook akkoord gegaan met aanvullende begeleidingsafspraken die er onder meer op neerkomen dat [gedaagde] alleen bepaalde spullen op zijn kamer mag hebben en hij buiten zijn kamer geen spullen in en om het huis mag zetten. Dit zou bij alle begeleidingsmomenten worden gecontroleerd.
2.6.
In de zorgovereenkomst is ook opgenomen dat Stichting Ontmoeting de zorgovereenkomst en de terbeschikkingstelling van de woonruimte mag beëindigen als [gedaagde] zich niet houdt aan de afspraken in de zorgovereenkomst.
2.7.
Verder is in de huurovereenkomst onder meer het volgende opgenomen over de duur en opzegging:
“4.1. Deze huurovereenkomst is aangegaan voor de duur van de in artikel 1.3. genoemde zorgovereenkomst of begeleidingsplan ingaande op 16-04-2025.
4.2.
Verhuurder zal het gehuurde op de ingangsdatum van de huur aan cliënt ter beschikking stellen.
4.3.
Verhuurder is gerechtigd de huurovereenkomst op te zeggen:
4.3.1.: indien de duur van de zorgovereenkomst of het begeleidingsplan is verstreken;
2.8.
[gedaagde] is gedurende de looptijd van de zorgovereenkomst structureel en herhaaldelijk tekortgeschoten in de naleving van voorwaarden, ondanks intensieve begeleiding, concrete afspraken, waarschuwingen en meerdere hersteltermijnen. [gedaagde] heeft vanaf de aanvang van zijn zorgovereenkomst teveel spullen op zijn kamer en in de schuur laten staan (waaronder ook bedorven eten) en hij is concrete afspraken om die spullen te verwijderen niet nagekomen. Dit heeft geleid tot toenemende hygiëneproblemen en overlast voor andere bewoners die daarover hebben geklaagd. Vanaf medio september 2025 is [gedaagde] tegen de regels in ook de gemeenschappelijke ruimtes gaan gebruiken voor de opslag van zijn spullen. Hierdoor is de brandveiligheid en hygiëne in het gedrang gekomen. [gedaagde] is meermaals aangesproken op zijn gedrag en heeft meerdere keren de kans gekregen spullen alsnog weg te halen, maar dit heeft niet tot verbetering geleid. Ook is [gedaagde] structureel in discussie gegaan over de regels en het beleid en heeft hij zich moeilijk begeleidbaar getoond of zelfs begeleiding en hulp geweigerd. Ook heeft [gedaagde] zich niet gehouden aan de afspraak om te reageren op alle beschikbare woonruimtes.
2.9.
Op 16 september 2025 heeft Stichting Ontmoeting [gedaagde] (mondeling) laten weten dat samenwerking niet meer mogelijk is. Op 23 september 2025 is aan [gedaagde] nogmaals bevestigd dat de zorgovereenkomst en de beschikbare woonruimte wordt beëindigd per 16 oktober 2025. Met een brief van 30 september 2025, die aan [gedaagde] in persoon is overhandigd en die diezelfde dag ook nog per e-mail en aangetekende post aan [gedaagde] is verzonden, heeft Stichting Ontmoeting aan [gedaagde] laten weten dat de met hem gesloten zorgovereenkomst zou worden beëindigd per 16 oktober 2025. In die brief staat onder meer het volgende:
“Op 16 oktober 2025 eindigt de zorgovereenkomst. Dat heb je al in de overeenkomst kunnen lezen waar bij artikel 4 staat Pro: "Deze zorgovereenkomst gaat in op de datum van start zorg: 16-4-2025 en is geldig tot 16-10-2025.”. Op grond van bovenstaand gedrag dat in strijd is met de afspraken zoals omschreven in de zorgovereenkomst, huurzorgovereenkomst, huisregels van [adres woonruimte] en alle bijbehorende regels en afspraken zullen wij de overeenkomst niet voorzetten. Voor de beëindiging van de zorgovereenkomst ís geen opzegging nodig. Voor zover dat wel zo zou zijn, moet je deze brief als opzegging van de zorgovereenkomst zien.
De huurzorgovereenkomst tussen Ontmoeting als zorgaanbieder en jij als cliënt wordt eveneens beëindigd per 16 oktober 2025. Wij vinden dat wij ook de terbeschikkingstelling
in het kader van zorg per die datum kunnen beëindigen conform artikel 4.3 van het op 16 april 2025 getekende huurcontract. Daar staat dat wij kunnen stoppen als de duur de zorgovereenkomst verstrijkt. De duur van de zorgovereenkomst verstrijkt per 16 oktober 2025 zoals we je in deze brief hebben laten weten.
Voor zover er nog een opzegging nodig zou zijn, laten we je weten dat je deze brief als díe
opzegging moet zien. Wij zeggen de terbeschikkingstelling van woonruimte met jou op per eerstvolgend moment. (…)”.
2.10.
[gedaagde] heeft de woonruimte niet voor 16 oktober 2025 ontruimd. Met een brief van 28 oktober 2025 heeft Stichting Ontmoeting nogmaals aan [gedaagde] bevestigd dat zij geen andere mogelijkheid ziet dan om de gesloten zorgovereenkomst niet te verlengen en dat zij dat [gedaagde] op 30 september 2025 heeft laten weten en dat de overeenkomst is opgezegd per 16 oktober 2025 of anders in ieder geval per 1 november 2025. Verder wordt in die brief bevestigd dat voor zover dat onverhoopt nog nodig zou zijn als de overeenkomst nog niet rechtsgeldig beëindigd blijkt te zijn per 1 november 2025, de met [gedaagde] gesloten zorgovereenkomst
en de in dat kader ter beschikking gestelde woonruimte wordt opgezegd per 1 december 2025.
2.11.
[gedaagde] heeft de woonruimte ook tot op heden niet ontruimd.

3.Het geschil

3.1.
Stichting Ontmoeting vordert – samengevat – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: 3.1.1. [gedaagde] te veroordelen de woonruimte binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis te verlaten en te ontruimen met al wie of wat zich daarin of daarop van(wege) [gedaagde] mocht bevinden en ontruimd te houden en daarin niet weer te keren alsmede schoon en in goede staat onder afgifte van alle sleutels en met achterlating van de eigendommen van Stichting Ontmoeting ter vrije en algehele beschikking te stellen van Stichting Ontmoeting, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
3.1.2.
[gedaagde] te veroordelen in de kosten van ontruiming als hij daar niet vrijwillig aan voldoet;
3.1.3.
[gedaagde] te veroordelen om aan Stichting Ontmoeting te betalen een bedrag van € 458,35 per maand vanaf 1 januari 2026 tot aan de dag waarop de woonruimte feitelijk is ontruimd door [gedaagde] of de deurwaarder, te vermeerderen met de wettelijke rente;
3.1.4.
[gedaagde] te veroordelen in de proceskosten en de nakosten.
3.2.
Stichting Ontmoeting legt aan de vordering – kort weergegeven – ten grondslag dat zij de zorgovereenkomst en de bijbehorende huurovereenkomst met [gedaagde] rechtsgeldig heeft beëindigd, waardoor [gedaagde] momenteel onrechtmatig in de woonruimte verblijft. Stichting Ontmoeting heeft een spoedeisend belang bij beëindiging van dit onrechtmatig voortgezette verblijf.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Stichting Ontmoeting, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Stichting Ontmoeting.
3.4.
[gedaagde] voert daartoe – kort weergegeven – aan dat er geen sprake is van een spoedeisend belang, dat deze kwestie zich naar zijn aard niet leent en daarmee niet geschikt is voor een behandeling in kort geding, dat de zorgovereenkomst niet is geëindigd dan wel dat deze is verlengd en dat de huurovereenkomst is afgesloten voor onbepaalde tijd en niet, althans niet correct, is opgezegd.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat Stichting Ontmoeting daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
Spoedeisend belang
4.2.
Stichting Ontmoeting heeft een voldoende spoedeisend belang bij haar vorderingen. Uit de aard van de vordering (ontruiming vanwege verblijf zonder recht of titel) volgt al een spoedeisend belang. Maar ook daarnaast heeft Stichting Ontmoeting een spoedeisend belang bij ontruiming omdat [gedaagde] zich structureel niet houdt aan de door Stichting Ontmoeting gestelde voorwaarden waarmee hij een veiligheidsrisico vormt voor medewerkers en andere cliënten van Stichting Ontmoeting. Ook wil Stichting Ontmoeting de woonruimte graag zo snel mogelijk ter beschikking stellen aan een cliënt die wel open staat voor begeleiding en zorg en is sprake van een wachtlijst. Bovendien ontvangt Stichting Ontmoeting geen financiering meer voor [gedaagde] vanuit de gemeente of de GGD. Stichting Ontmoeting is dan ook ontvankelijk in haar vorderingen.
Is sprake van een gemengde overeenkomst?
4.3.
De voorzieningenrechter volgt Stichting Ontmoeting in haar stelling dat sprake is van een gemengde overeenkomst in de zin van artikel 6:215 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). De met [gedaagde] gesloten overeenkomst strekt enerzijds tot het verlenen van zorg en begeleiding aan hem en anderzijds tot het verschaffen van woonruimte aan [gedaagde] . Duidelijk is dat de huur van de woonruimte onlosmakelijk verbonden is aan de zorg vanuit Stichting Ontmoeting.
4.4.
In artikel 6:215 BW Pro is bepaald dat als een overeenkomst voldoet aan de omschrijving van twee of meer door de wet geregelde bijzondere soorten van overeenkomsten, dan de voor elk van die soorten gegeven bepalingen naast elkaar op de overeenkomst van toepassing zijn, behoudens voor zover deze bepalingen niet wel verenigbaar zijn of de strekking daarvan in verband met de aard van de overeenkomst zich tegen toepassing verzet. Voor zover bepalingen, geldend voor de onderscheiden soorten overeenkomsten, niet met elkaar te verenigen zijn, dient door uitleg van de gemengde overeenkomst te worden beoordeeld welke bepaling (of bepalingen) in het concrete geval dient (dienen) te prevaleren. In voorkomend geval kan dit ertoe leiden dat bepalingen van dwingend recht buiten toepassing moeten worden gelaten. [1]
Welk element overheerst?
4.5.
Gelet op de bepalingen in de zorgovereenkomst en de huurovereenkomst voor bepaalde tijd is de voorzieningenrechter voorlopig van oordeel dat het zorgelement (de begeleiding) het overheersende element is in de tussen partijen gesloten gemengde overeenkomst. Zo staat onder meer in de considerans van de huurovereenkomst dat het verblijf van cliënt (in dit geval [gedaagde] ) tijdelijk van aard is overeenkomstig de doelstelling van Stichting Ontmoeting en de positie van cliënt en dat cliënt de woonruimte dan ook niet huurt als reguliere woonconsument, maar uitsluitend als cliënt van de zorgorganisatie en uitsluitend in het kader van woonbegeleiding. Verder is in artikel 4.1. van de huurovereenkomst de duur van de huurovereenkomst gekoppeld aan de duur van de zorgovereenkomst en in artikel 10.1 van de huurovereenkomst staat dat Stichting Ontmoeting het gehuurde aan [gedaagde] verhuurt in het kader van tijdelijke verhuur met zorg/begeleiding die Stichting Ontmoeting verzorgt en die plaatsvindt middels een door partijen separaat opgestelde zorgovereenkomst of begeleidingsplan. In de zorgovereenkomst zijn ook (huis)regels opgenomen waar [gedaagde] zich aan moet houden en tot slot is niet in geschil dat [gedaagde] ook daadwerkelijk begeleiding ontving van Stichting Ontmoeting. Nu het zorgelement als overheersend moet worden beschouwd zijn de wettelijke huurbeschermingsbepalingen dus niet van toepassing.
Beëindiging zorgovereenkomst
4.6.
De ontruimingsvordering is gebaseerd op het feit dat de zorgovereenkomst met [gedaagde] is beëindigd, waardoor ook de huurovereenkomst is geëindigd. [gedaagde] betwist dat de zorgovereenkomst is geëindigd omdat hij ook na 16 oktober 2025 nog begeleiding vanuit Stichting Ontmoeting heeft ontvangen. Dit duidt er volgens hem op dat de zorgovereenkomst stilzwijgend is verlengd. Stichting Ontmoeting heeft echter onweersproken gesteld dat de begeleiding van [gedaagde] na 16 oktober 2025 voortvloeit de op haar rustende zorgplicht en niet (langer) uit de zorgovereenkomst die mondeling op 16 september en nadien bij (aangetekende) brief van 30 september 2025 is opgezegd. Deze beëindiging van de zorgovereenkomst is naar het oordeel van de voorzieningenrechter gerechtvaardigd, gelet op het feit dat de zorgovereenkomst in beginsel van rechtswege afliep op 16 oktober 2025 en [gedaagde] tot die tijd de voorwaarden en verplichtingen uit de zorgovereenkomst structureel niet is nagekomen, ondanks intensieve begeleiding, herhaalde waarschuwingen en meerdere herkansingen. Daarmee heeft [gedaagde] niet voldaan aan de voorwaarden voor verlenging van de zorgovereenkomst en mocht Stichting Ontmoeting overgaan tot opzegging daarvan.
Beëindiging huurovereenkomst en belangenafweging
4.7.
Gelet op de artikelen 4.1. en 4.3.1. van de huurovereenkomst betekent beëindiging van de zorgovereenkomst ook het einde van de huurovereenkomst.
4.8.
Ook als de voorzieningenrechter rekening houdt met de kwetsbaarheid van [gedaagde] leidt een belangenafweging hier niet tot een ander oordeel. [gedaagde] is al op 16 september 2025 op de hoogte gesteld van de beëindiging van de zorgovereenkomst en daarmee samenhangend zijn huurovereenkomst. Ook na die tijd heeft [gedaagde] geen verbetering in gedrag of begeleidbaarheid laten zien en is hij overlast blijven veroorzaken door de gemeenschappelijke ruimtes, waaronder de koelkast en de CV-ruimte, vol te blijven zetten met spullen en (bedorven) eten. Daarbij heeft [gedaagde] er bij aanvang van de zorgovereenkomst rekening mee kunnen houden dat de zorg- en daarmee de huurovereenkomst van rechtswege zou aflopen op 16 oktober 2025. Stichting Ontmoeting heeft [gedaagde] vervolgens nog een extra termijn gegund tot 1 december 2025 en heeft na opzegging onderzocht of er alternatieve woonmogelijkheden voor [gedaagde] beschikbaar waren. Stichting Ontmoeting had een geschikte mogelijkheid gevonden in een woonvoorziening in Hierden, waarbij 24 uurs-zorg aan [gedaagde] kon worden geboden, en waarbij [gedaagde] een eigen slaapkamer tot zijn beschikking zou krijgen en een gemeenschappelijke woonruimte die hij moest delen met één andere bewoner. [gedaagde] heeft echter aangegeven dat hij de financiële bijdrage die hij daar moest gaan betalen te hoog vond, ook nadat Stichting Ontmoeting had geregeld dat die financiële bijdrage met € 150,- kon worden verminderd. [gedaagde] heeft Stichting Ontmoeting daarbij tegenstrijdige verklaringen gegeven over zijn financiële situatie. Verder heeft [gedaagde] de door Stichting Ontmoeting gevonden mogelijkheid om per januari 2026 op een locatie in Zwolle te worden behandeld voor zijn hordingsproblematiek laten voorbijgaan zodat hij daar nu pas vanaf september 2026 terecht kan. Stichting Ontmoeting heeft zich dan ook voldoende ingespannen om vervangende woonruimte te regelen en daarin passende opties geboden. Dat [gedaagde] op dit moment niet over vervangende woonruimte beschikt, kan dan ook niet aan Stichting Ontmoeting worden tegengeworpen.
Conclusie
4.9.
Het voorgaande leidt ertoe dat [gedaagde] geen aanspraak meer kan maken op de woonruimte van Stichting Ontmoeting en dat de vordering tot ontruiming zal worden toegewezen. De voorzieningenrechter zal de termijn van ontruiming wel iets ruimer stellen, namelijk op 14 dagen. Ook de vordering tot betaling van de huur vanaf 1 januari 2026 tot aan de dag van ontruiming zal worden toegewezen.
4.10.
De gevorderde dwangsom zal eveneens worden toegewezen.
De proceskosten
4.11.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Stichting ontmoeting worden begroot op:
- kosten dagvaarding € 151,94
- griffierecht
735,00
- salaris advocaat
1.107,00
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.171,94
4.12.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis de woonruimte aan [adres woonruimte] te verlaten en te ontruimen met al wie of wat zich daarin of daarop van(wege) [gedaagde] mocht bevinden en ontruimd te houden en daarin niet weer te keren alsmede schoon en in goede staat onder afgifte van alle sleutels en met achterlating van de eigendommen van Stichting Ontmoeting ter vrije en algehele beschikking te stellen van Stichting Ontmoeting, op straffe van een dwangsom van € 100,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan deze veroordeling voldoet, tot een maximum van € 1.500,00 is bereikt,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de ontruiming als hij daar niet vrijwillig aan voldoet, te voldoen op vertoning van en conform de specificatie van die kosten in het proces-verbaal van ontruiming van de deurwaarder,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan Stichting Ontmoeting te betalen een bedrag van € 458,35 per maand, vanaf 1 januari 2026 tot aan de dag waarop de woonruimte aan [adres woonruimte] feitelijk is ontruimd door [gedaagde] of door de deurwaarder, vermeerderd met de wettelijke rente op grond van artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag vanaf de vervaldatum van iedere maand (zijnde de 1° dag van iedere maand) tot de dag van volledige betaling,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.171,94, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
veroordeelt Stichting Ontmoeting tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.J.M. Weijnen en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2026.

Voetnoten

1.Zie Hoge Raad 10 maart 2017, ECLIU:NL:HR:2017:405