ECLI:NL:RBGEL:2026:954

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
11861844
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:5 lid 1 BWArt. 7:17 lid 2 BWArt. 7:18 lid 2 BWArt. 7:23 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Consumentenkoop paard met gebits- en gedragsproblemen; bewijsopdracht non-conformiteit gedragsproblemen

De zaak betreft een consumentenkoop van een paard genaamd 'On Top B' dat door eiseres is gekocht van gedaagde. Eiseres stelt dat het paard ernstige gebits- en gedragsproblemen vertoont waardoor het niet geschikt is als sportpaard, hetgeen niet overeenkomt met de koopovereenkomst en de voorafgaande mededelingen van de verkoper.

Na aankoop en een klinisch onderzoek werd het paard geleverd, maar kort daarna ontstonden problemen met het gedrag van het paard, wat leidde tot een val van de dochter van eiseres en een knieblessure. Eiseres heeft tijdig geklaagd over de gedragsproblemen en ontbinding van de koopovereenkomst geëist, met terugbetaling van de koopsom en schadevergoeding.

Gedaagde betwist de ernst van de gebitsproblemen en het bestaan van gedragsproblemen ten tijde van levering. De rechter oordeelt dat eiseres onvoldoende bewijs heeft geleverd voor ernstige gebitsproblemen, maar dat de gedragsproblemen binnen het eerste jaar na levering vermoed worden. Daarom wordt eiseres opgedragen bewijs te leveren dat het paard binnen dat jaar gedragsproblemen vertoonde, terwijl gedaagde bewijs mag leveren van het tegendeel.

De zaak wordt verwezen naar een rolzitting voor het uitwisselen van bewijsstukken en het eventueel horen van getuigen, waarna verdere beslissing volgt.

Uitkomst: Bewijsopdracht toegewezen voor gedragsproblemen binnen eerste jaar na levering; zaak aangehouden voor verdere bewijslevering.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Apeldoorn
Zaaknummer: 11861844 \ CV EXPL 25-2691
Vonnis van 11 februari 2026
in de zaak van
[eiseres],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. F. Kolkman,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. H.G. Ruis.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 17 september 2025,
- de voorafgaand aan de mondelinge behandeling door beide partijen toegezonden aanvullende producties,
- de mondelinge behandeling van 8 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde] exploiteert een eenmanszaak die zich onder meer bezig houdt met het verkopen van (jonge) paarden.
2.2.
[gedaagde] heeft het paard genaamd ‘On Top B’, een springruin geboren op 29 maart 2019, (hierna: het paard) te koop aangeboden. In de advertentie is onder meer vermeld dat het paard wedstrijdervaring heeft op 1.00m-niveau (B-niveau). In de advertentie is [naam 1] (hierna: [naam 1] ) als contactpersoon aangewezen. Zijn partner, [naam 2] (hierna: [naam 2] ) trainde op dat moment het paard.
2.3.
[eiseres] en haar destijds 18-jarige dochter [naam 3] hebben het paard twee keer bezichtigd. Hierbij waren [naam 1] en [naam 2] aanwezig. Bij de tweede bezichtiging was ook de trainer van [naam 3] , [naam 4] , aanwezig. [naam 3] heeft tijdens de bezichtigingen op het paard gereden. [naam 1] en [naam 2] hebben tijdens één van de bezichtigingen aangegeven dat het paard super braaf is en geen stap verkeerd zet.
2.4.
Op 10 juni 2024 heeft [eiseres] het paard klinisch en röntgenologisch laten onderzoeken door een dierenarts van [bedrijf 1] . Daarin is onder meer het volgende vermeld:
“(…)
Tijdens het onderzoek was het paardgemakkelijkte onderzoeken.
Tijdens het onderzoek bestond ergeenverdenking op het bestaan van ondeugden.
(…)”
Conclusie van het klinisch onderzoek
Geen aanmerkingen ✔
(…)
Conclusie van het radiologisch onderzoek
Voldoende ✔
(…)
Eindconclusie
Het paard loopt een normaal medisch risico.
(…)”
2.5.
Na afronding van het klinisch en röntgenologisch onderzoek heeft [gedaagde] op 10 juni 2024 het paard verkocht aan [eiseres] voor een koopsom van € 19.000,00. Op dezelfde dag heeft [gedaagde] het bedrag van € 19.000,00 aan [eiseres] betaald, waarna zij het paard bij [naam 1] heeft opgehaald.
2.6.
Eind augustus 2024 is [naam 3] van het paard gevallen. Hierna heeft [naam 4] het paard twee maanden getraind.
2.7.
Op 17 november 2024 heeft [naam 5] , de echtgenoot van [eiseres] (hierna: [naam 5] ), aan [naam 1] via WhatsApp bericht:
“Even een update over On Top en [naam 3] de ruiter.
(…) We hebben alleen een probleem met rijden. On top is niet te rijden door [naam 3] . [naam 3] is heel hard van On top gevallen ze heeft nu al 2 1/2 maand al niet meer gereden op On top [naam 3] had een hersenschudding en een scheur in de knie kom opgelopen daar door. We moesten een oplossing zoeken om On top niet stil te laten staan. En die hadden we door de gene die [naam 3] les gaf. Die zij zet hem op stal in Amsterdam en dan rij ik hem elke dag tot [naam 3] weer kan rijden. Maar daar kwam uit dat On top geen geschikt paard is voor [naam 3] On top is onverspelbaar in het rijden. Schikt van alles en kan niet alles verwerken. Door zijn levertijd. En On top heeft ook nog een ruis in ze hard bleek. En dat kunnen we niet gebruiken in de sport. Als die een wedstrijd intensief doet dan kan die er zo bij neer vallen.
Dus onze vraag is of we on top terug kunnen brengen.
2.8.
Bij e-mail van 19 november 2024 heeft [gedaagde] aan [naam 5] bericht:
“Op het moment van aflevering en betaling voldeed het paard aan de overeenkomst. Dit werd bevestigd door de aankoopkeuring die jullie hebben laten uitvoeren. Daarom is er geen reden de overeenkomst te ontbinden.”
2.9.
Op 3 januari 2025 en 12 februari 2025 is het gebit van het paard geïnspecteerd bij [bedrijf 2] . In het door [bedrijf 2] overgelegde medisch dossier van het paard is onder meer het volgende vermeld:
“(…)
Datum Beschrijving
03-01-2025 Gebitsinspectie
(…) Diepe diastase aanwezig tussen 310-311, veel voerophoping. Stinkt en gaat een beetje bloeden bij schoonmaken.
(…) Diepe diastase aanwezig tussen 410-411, veel voerophoping. Stinkt en gaat een beetje bloeden bij schoonmaken.
Bijgevuld en diastases grondig uitgespoten. Advies geen kuil geven en 3 dagen Metacam voor 500 kg. Bij problemen aan de bel trekken.
12-02-2025 (…)
Gebitsinspectie MV
Anamnese
Doet het eigenlijk heel goed, maakt wel weer wat beginnende proppen.
(…) Diastase tussen 410-411 al veel minder diep, wel nog wat voer in pocket maar geen ontsteking, ziet er heel rustig uit.
Therapie
Iets schoongemaakt.
PLAN
In principe geen controle meer nodig tenzij erge klachten. Over 6 maanden weer gebit laten doen.
(…)”
2.10.
Bij brief van 13 januari 2025 heeft de gemachtigde van [eiseres] aan [gedaagde] bericht dat het paard niet voldoet aan de koopovereenkomst en dat [eiseres] daarom de koopovereenkomst ontbindt. [gedaagde] is in de brief gesommeerd tot terugbetaling van de koopsom ad € 19.000,00 en betaling van een schadevergoeding van € 8.129,55, alsmede tot terugneming van het paard.
2.11.
[gedaagde] heeft geen gevolg gegeven aan de sommatie.

3.Het geschil

3.1.
[eiseres] vordert, samengevat, dat de kantonrechter bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. voor recht zal verklaren dat de koopovereenkomst rechtsgeldig buitengerechtelijk is ontbonden, althans deze koopovereenkomst alsnog zal ontbinden,
2. [gedaagde] zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 19.000,00 aan restitutie koopsom, € 10.927,66 aan schadevergoeding en € 1.074,28 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met wettelijke rente,
3. [gedaagde] zal veroordelen tot betaling van de vanaf heden te maken kosten voor stalling en onderhoud van het paard vanaf de datum van buitengerechtelijke ontbinding tot het moment waarop [gedaagde] het paard daadwerkelijk heeft teruggenomen, in de loop van de procedure nader te onderbouwen, op het moment dat bekend is wanneer [gedaagde] het paard terugneemt,
en [gedaagde] zal veroordelen in de proceskosten en nakosten, vermeerderd met wettelijke rente.
3.2.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] , met veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
[gedaagde] voert als meest verstrekkende verweer aan dat [eiseres] niet-ontvankelijk moet worden verklaard, dan wel dat haar vorderingen moeten worden afgewezen omdat zij volgens [gedaagde] niet heeft voldaan aan de substantiëringsplicht. Dit verweer slaagt niet. Nog daargelaten de vraag of [eiseres] in dit geval de substantiëringsplicht heeft nageleefd, verbindt de wet geen consequenties aan het niet voldoen aan de substantiëringsplicht. Bovendien heeft [gedaagde] zijn stellingen en verweren in deze procedure naar voren kunnen brengen zodat, zou er al sprake zijn van het niet naleven van de substantiëringsplicht, hij hierdoor niet is benadeeld.
4.2.
[eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat zij de koopovereenkomst tussen partijen buitengerechtelijk heeft ontbonden, dan wel dat de koopovereenkomst in rechte moet worden ontbonden omdat het paard bij aflevering niet aan de koopovereenkomst beantwoordde.
4.3.
Vooropgesteld wordt dat de overeenkomst tussen partijen een consumentenkoop als bedoeld in artikel 7:5 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) betreft, zodat in dit geval de consumentenbeschermende bepalingen van titel 7.1 BW van toepassing zijn.
4.4.
Op grond van artikel 7:17 lid 2 BW Pro beantwoordt het afgeleverde (in dit geval het paard) niet aan de koopovereenkomst als mede gelet op de aard daarvan en de mededelingen die de verkoper daarover heeft gedaan, niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. De koper mag in elk geval verwachten dat het afgeleverde de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan hij of zij de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen, alsmede de eigenschappen die nodig zijn voor een bijzonder gebruik dat bij de overeenkomst is voorzien.
4.5.
Tussen partijen is niet in geschil dat [eiseres] het paard heeft gekocht met het doel om het paard door [naam 3] als sportpaard (op amateurniveau) te laten gebruiken. Als onweersproken staat voorts vast dat [naam 1] en [naam 2] voorafgaand aan het sluiten van de koopovereenkomst aan [eiseres] hebben verklaard dat het paard super braaf was en geen stap verkeerd zette. Dit betekent dat wanneer vast komt te staan dat het paard ten tijde van de levering was behept met een gebrek waardoor het paard niet kon worden gebruikt als braaf sportpaard, het paard niet de eigenschappen bezit die [eiseres] op grond van de koopovereenkomst en de gedane mededelingen mocht verwachten. In dat geval beantwoordt het paard dus niet aan de koopovereenkomst.
4.6.
Volgens [eiseres] beantwoordt het paard niet aan de koopovereenkomst omdat het ernstige gebitsproblemen en gedragsproblemen heeft. Deze gestelde gebreken zullen hierna afzonderlijk aan de orde komen.
Gebitsproblemen
4.7.
[eiseres] stelt dat het paard diepe diastates, ontstoken tandvlees en verbrede alveolaire ruimtes heeft. Daardoor vormt het paard voedselproppen tijdens het eten. Ook heeft de tandarts van de voormalige eigenaar van het paard volgens [eiseres] de tanden van het paard te kort gevijld. De gebitsproblemen kunnen, zo stelt [eiseres] , niet op korte termijn worden opgelost en vereisen een langdurig behandeltraject met aanzienlijke kosten. Deze gebitsproblemen maken het paard ongeschikt als rij- en sportpaard, aldus [eiseres] .
4.8.
[gedaagde] betwist dat sprake is van ernstige gebitsproblemen. [gedaagde] voert daartoe aan dat uit het door [eiseres] overgelegde medisch dossier van paard blijkt dat de diastates zijn behandeld en in februari 2025 vrijwel geheel zijn verdwenen. Er is daarom medisch geen sprake van enig structureel gebrek dat de geschiktheid van het paard beïnvloedt, aldus [gedaagde] .
4.9.
Waar het [eiseres] is die stelt dat het paard ernstige gebitsproblemen heeft waardoor het paard ongeschikt is om te worden gebruikt als sportpaard, lag het, gelet op de gemotiveerde betwisting van die stelling door [gedaagde] , op de weg van [eiseres] om het bestaan van de gestelde ernstige gebitsproblemen verder onderbouwen. [eiseres] heeft dat niet gedaan. Uit het overgelegde medisch dossier van het paard (zie hiervoor 2.9.) blijkt dit in elk geval niet. Weliswaar is in dat dossier vermeld dat tijdens een gebitsinspectie op 3 januari 2025 bij het paard twee diepe diastates zijn geconstateerd maar niet dat deze diastates zodanig ernstig zijn dat voor de behandeling daarvan een langdurig behandeltraject met aanzienlijke kosten vereist is. Integendeel, tijdens de gebitsinspectie op 12 februari 2025 is juist geconstateerd dat het kennelijk weer zo goed ging met het gebit van het paard dat – afgezien van de gebruikelijke (half)jaarlijkse gebitscontrole – geen controle meer nodig was, tenzij er erge klachten zouden optreden. Niet gesteld of gebleken is dat vervolgens erge klachten zijn opgetreden. [eiseres] heeft het bestaan van de gestelde ernstige gebitsproblemen ook niet met andere stukken onderbouwd. Niet gebleken is dan ook dat het paard ernstige gebitsproblemen heeft die het paard ongeschikt maken om het te gebruiken als sportpaard.
Gedragsproblemen
4.10.
Eerst wordt ingegaan op het verweer van [gedaagde] dat [eiseres] de op haar rustende klachtplicht in verband met het gestelde gedragsprobleem heeft geschonden. Wanneer dit verweer slaagt, kan [eiseres] namelijk geen beroep meer doen op de gestelde non-conformiteit van het paard.
4.11.
Op grond van artikel 7:23 lid 1 BW Pro kan een koper er geen beroep meer op doen dat het afgeleverde niet aan de overeenkomst beantwoordt als hij de verkoper daarvan niet binnen bekwame tijd nadat hij dit ontdekt of redelijkerwijs had behoren te ontdekken, kennis heeft gegeven. Bij een consumentenkoop – zoals in dit geval – begint de termijn waarbinnen geklaagd moet worden vanaf het moment van ontdekking (en niet eventueel het moment waarop de koper het gebrek had kunnen ontdekken) en wordt een kennisgeving binnen een termijn van twee maanden na de ontdekking als tijdig beschouwd.
4.12.
[eiseres] stelt dat het paard zeer korte tijd na de aankoop gedragsproblemen vertoonde. Volgens [eiseres] leidde dit gedrag ertoe dat [naam 3] eind augustus 2024 hard ten val kwam en een ernstige knieblessure opliep. [eiseres] was dus volgens haar eigen stellingen kort na levering van het paard op de hoogte van de door haar gestelde gedragsproblemen. Aan [eiseres] kan echter worden nagegeven dat zij enige tijd mocht nemen om onderzoek te verrichten naar het gestelde afwijkende gedrag van het paard om te kunnen beoordelen of dit gedrag wellicht werd veroorzaakt door gewijzigde omstandigheden na de koop, zoals een verandering van omgeving en/of training. Tijdens het proefrijden vertoonde het paard immers het door [eiseres] beschreven gedrag niet en werd juist door [naam 1] en [naam 2] verklaard dat het paard super braaf was en geen stap verkeerd zette. [eiseres] heeft na de val eind augustus 2024 het paard twee maanden door [naam 4] – een volgens [eiseres] zeer ervaren ruiter – laten trainen. [naam 4] heeft in de door [eiseres] als productie 3 overgelegde schriftelijke verklaring verklaard dat hij in deze periode het gedrag van het paard heeft proberen te corrigeren maar dat het onvoorspelbare gedrag aanhield en dat het paard niet te trainen was. Het paard is na de periode van twee maanden, dus eind oktober 2024, weer teruggekeerd naar [eiseres] . In de loop van die trainingsperiode moet het [eiseres] duidelijk zijn geworden dat de training niet het gewenste effect had en de gestelde gedragsproblemen aanhielden. Uitgangspunt is dan ook dat [eiseres] de gestelde non-conformiteit van het paard eind september of in oktober 2024 heeft ontdekt.
4.13.
Op 17 november 2024 heeft [naam 5] (via een WhatsApp-bericht aan [naam 1] ) aan [gedaagde] onder meer bericht dat het paard van alles schrikt en niet alles kan verwerken, dat [naam 3] heel hard van het paard is gevallen en dat na de training van het paard door [naam 4] is gebleken dat het paard geen geschikt paard is voor [naam 3] omdat hij onvoorspelbaar is in het rijden. Hiermee is sprake van een voldoende concrete kennisgeving van de gestelde gedragsproblemen van het paard. [eiseres] heeft dus op 17 november 2024 bij [gedaagde] geklaagd als bedoeld in artikel 7:23 BW Pro. Dit is binnen een termijn van twee maanden na de ontdekking van de gestelde non-conformiteit van het paard.
4.14.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [eiseres] tijdig bij [gedaagde] heeft geklaagd over de gestelde gedragsproblemen. Het verweer van [gedaagde] op dit punt faalt.
Non-conformiteit wegens gedragsproblemen?
4.15.
Beoordeeld moet worden of het paard in verband met de door [eiseres] gestelde gedragsproblemen aan de koopovereenkomst beantwoordt.
4.16.
[eiseres] omschrijft de gestelde gedragsproblemen van het paard als volgt. Het paard vertoont tijdens het rijden onverwacht explosief gedrag waarbij het paard zonder aanwijsbare aanleiding ‘ontploft’. Daarbij pakt het paard het bit vast, draaft het weg en springt het in de lucht of begint het te bokken of draait het plotseling om. Het paard is hierdoor niet in redelijkheid te rijden en zelfs (zeer) gevaarlijk. Dit maakt het paard volledig ongeschikt als rij- en sportpaard, aldus [eiseres] .
4.17.
[gedaagde] betwist dat het paard ten tijde van de levering en in de periode hierna het door [eiseres] gestelde gedragsproblemen vertoonde.
4.18.
Wanneer in deze procedure vast komt te staan dat het paard ten tijde van de levering het door [eiseres] beschreven gedrag vertoonde, staat daarmee tevens vast dat het paard zodanige gedragsproblemen heeft dat het paard niet als braaf sportpaard kan worden gebruikt. In dat geval beantwoordt het paard dus niet aan de koopovereenkomst.
4.19.
Allereerst moet worden vastgesteld of het paard de gedragsproblemen in het eerste jaar na de levering vertoonde, zoals [eiseres] stelt en [gedaagde] betwist. Op grond van artikel 7:18 lid 2 BW Pro wordt namelijk bij een consumentenkoop vermoed dat de zaak (het paard) niet aan de overeenkomst beantwoordt indien de afwijking van hetgeen is overeengekomen (het gedragsprobleem) zich binnen één jaar na aflevering openbaart, tenzij de verkoper anders aantoont of de aard van de zaak of de aard van de afwijking zich daartegen verzet.
4.20.
De stelplicht en bewijslast van de stelling dat het paard in het eerste jaar na de levering de gestelde gedragsproblemen had, rusten op [eiseres] omdat zij zich op de rechtsgevolgen van die stelling beroept. Zij heeft daartoe twee schriftelijke verklaringen van [naam 4] en [naam 6] (het zusje van [naam 3] ) overgelegd waarin zij het door [eiseres] gestelde gedrag bevestigen. De juistheid van deze verklaringen is echter door [gedaagde] betwist en de verklaringen worden niet door andere stukken bevestigd. Het overleggen van de verklaringen is daarom onvoldoende om daarmee het bestaan van de gestelde gedragsproblemen aan te tonen. Omdat ook uit de door [eiseres] overgelegde andere stukken onvoldoende bewijs is te putten, zal [eiseres] conform het door haar gedane aanbod tot bewijslevering worden toegelaten van de stelling dat het paard in het eerste jaar na levering zodanige gedragsproblemen had dat het paard niet kon worden gebruikt als braaf sportpaard.
4.21.
Voor het geval [eiseres] slaagt in de aan haar opgedragen bewijsopdracht, wordt vermoed dat het paard bij levering zodanige gedragsproblemen had dat het paard niet kon worden gebruikt als braaf sportpaard. Dit is slechts anders als [gedaagde] bewijs van het tegendeel van dit vermoeden levert, dan wel als de aard van de zaak (paard) of de aard van de afwijking (de gedragsproblemen) zich tegen het bewijsvermoeden verzet. Niet gesteld of gebleken is dat deze laatste twee uitzonderingen zich hier voordoen. [gedaagde] heeft echter wel voldoende gesteld om tot bewijslevering van het tegendeel van het mogelijke bewijsvermoeden toegelaten te worden. Hoewel wellicht niet meer wordt toegekomen aan de waardering van deze bewijslevering – dat hangt namelijk af van de waardering van het mogelijk door [eiseres] geleverde bewijs – wordt uit proceseconomisch oogpunt aanleiding gezien om [gedaagde] wel alvast bewijs van het tegendeel van het mogelijke bewijsvermoeden te laten leveren.
4.22.
De zaak zal worden verwezen naar de in de beslissing vermelde rol voor het nemen van een akte door beide partijen. Partijen kunnen bij deze akte bewijsstukken in het geding brengen. Voorts moeten partijen bij deze akte aangeven of zij bewijs willen bijbrengen door het horen van getuigen en zo dit het geval is, hun verhinderdata en die van eventuele getuigen opgeven over de maanden april tot en met juni 2026. Hierna zal een datum voor een eventueel getuigenverhoor worden bepaald.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
draagt [eiseres] op te bewijzen dat het paard in het eerste jaar na levering zodanige gedragsproblemen vertoonde dat het paard niet kon worden gebruikt als braaf sportpaard.
5.2.
laat [gedaagde] toe tot het leveren van het bewijs van het tegendeel van het mogelijke bewijsvermoeden dat het paard ten tijde van de aflevering zodanige gedragsproblemen had dat het niet als braaf sportpaard kon worden gebruikt,
5.3.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
woensdag 11 maart 2026voor akte uitlating door beide partijen of zij bewijs willen leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,
5.4.
bepaalt dat als partijen geen bewijs door het horen van getuigen wil leveren maar wel
bewijsstukkenwillen overleggen, zij die stukken dan direct in het geding moeten brengen,
5.5.
bepaalt dat partijen
getuigenwillen laten horen, zij de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun gemachtigden in de maanden
apriltot en met
juni 2026dan direct moeten opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,
5.6.
bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de zitting van mr. M. Engelbert-Clarenbeek, in het gerechtsgebouw te Apeldoorn, Stationsstraat 104,
5.7.
bepaalt dat
alle partijenuiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor
alle beschikbare bewijsstukkenaan de kantonrechter en de wederpartij moeten toesturen,
5.8.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Engelbert-Clarenbeek en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026.
lt