ECLI:NL:RBGEL:2026:989

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
05/280778-25
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 Wet wapens en munitieArt. 13 Wet wapens en munitieArt. 55 Wet wapens en munitieArt. 77a SrArt. 77g Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Jeugddetentie en werkstraf wegens vuurwapenbezit en ontploffing met zwaar vuurwerk

Verdachte, geboren in 2009, heeft zich schuldig gemaakt aan drie feiten: het voorhanden hebben van een vuurwapen van categorie III, het voorhanden hebben van een alarmpistool en het opzettelijk veroorzaken van een ontploffing met zwaar vuurwerk (Cobra 6) nabij een portiekdeur in Utrecht. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan deze feiten, ondanks zijn ontkenning van het bezit van het alarmpistool.

De rechtbank weegt mee dat verdachte een normoverschrijdende gedragsstoornis heeft met verminderde toerekeningsvatbaarheid, wat betekent dat zijn gedragskeuzes mede onder invloed van stress en sociale druk zijn gemaakt. Verdachte heeft meerdere ernstige feiten gepleegd, waaronder het meenemen van een geladen vuurwapen naar school en het veroorzaken van materiële schade door de explosie.

De rechtbank legt een jeugddetentie van 177 dagen op, waarvan 100 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, gekoppeld aan intensieve begeleiding en behandeling. Daarnaast wordt een onvoorwaardelijke werkstraf van 70 uur opgelegd. De bijzondere voorwaarden omvatten onder meer toezicht door de jeugdreclassering, dagbesteding, verblijf in een beschermde woonlocatie en locatieverbod. De rechtbank verklaart het vonnis dadelijk uitvoerbaar en heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Uitkomst: Verdachte wordt veroordeeld tot 177 dagen jeugddetentie (waarvan 100 voorwaardelijk) en 70 uur werkstraf met intensieve begeleiding en bijzondere voorwaarden.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/280778-25
Datum uitspraak : 10 februari 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats] (Aruba),
wonende aan [adres] ,
hierna: verdachte.
Raadsvrouw: mr. M.J.R. Roethof, advocaat in Arnhem.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een achter gesloten deuren gehouden terechtzitting.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 20 oktober 2025 te Arnhem, in elk geval in Nederland een vuurwapen van categorie III, onder 1, van de Wet wapens en munitie, te weten een getransformeerd gaspistool van het merk Blow, type TR 17, kaliber 9x17 mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool en/of munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 4 kogelpatronen, kaliber 9x17 mm, voorhanden heeft gehad;
2.
hij op of omstreeks 20 oktober 2025 te Arnhem, in elk geval in Nederland een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en/of dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een alarmpistool, merk Swiss Arms, model P1911, voorhanden heeft gehad;
3.
hij op of omstreeks 14 juni 2025 te Utrecht, in elk geval in Nederland opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht, door op korte afstand van een portiekdeur, behorende bij meerdere woningen gelegen aan [adres] , zwaar vuurwerk (Cobra 6) te plaatsen en/of aan te steken en/of tot ontploffing te brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer goederen te duchten was, te weten een portiekdeur en/of een of meerdere ramen en/of die nabij gelegen woningen en/of de zich daarin bevindende goederen, in elk geval gemeen gevaar voor enig goed.

2.Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte wordt vrijgesproken van feit 2. Verdachte heeft direct verklaard dat het aangetroffen wapen niet van hem is. Er is geen sprake van voorwaardelijk opzet of beschikkingsmacht. De raadsvrouw heeft ten aanzien van de feiten 1 en 3 geen bewijsverweer gevoerd.
Beoordeling door de rechtbank
Feiten 1 en 2 [1]
Feit 1
Verdachte heeft dit feit bekend en er is door of namens hem geen vrijspraak bepleit. Daarom zal de rechtbank volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die de rechtbank heeft gebruikt (ex artikel 359, derde lid, Wetboek van Strafvordering).
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] , p. 9 en 10;
- het aanvullend proces-verbaal van het onderzoek aan het wapen, p. 1 en 2 (het proces-verbaal maakt geen deel uit van het doorgenummerde dossier);
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 27 januari 2026.
Feit 2
Op 20 oktober 2025 heeft een doorzoeking plaatsgevonden in de slaapkamer van verdachte bij de zorginstelling [plaats] in Arnhem. De toegang tot deze kamer is mogelijk via een tag. Alleen verdachte en zijn begeleider zijn in het bezit van zo’n tag. In de slaapkamer van verdachte is in de kledingkast, op de tweede plank van boven tussen deels gevouwen en deels ongevouwen kleding, een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aangetroffen. [2] Het voorwerp betreft een alarmpistool van het merk Swiss Arms, model P1911, een wapen van categorie I sub 7 van de Wet wapens en munitie. Het wapen is door het gewicht en uiterlijk geschikt voor bedreiging en afdreiging. [3]
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of kan worden bewezen dat verdachte het aangetroffen alarmpistool opzettelijk voorhanden heeft gehad. Verdachte heeft dit ontkend. Volgens vaste jurisprudentie mag een eigenaar/bewoner van een woning bekend worden verondersteld met (en dus opzet hebben op) alles wat zich in de woning - en dan met name in veelgebruikte en bij uitstek privégedeelten daarvan - bevindt, tenzij uit feiten en omstandigheden het tegendeel blijkt.
De rechtbank stelt vast dat het alarmpistool is aangetroffen in de slaapkamer van verdachte. Het alarmpistool lag in de kledingkast van verdachte, tussen de kleding van verdachte, een plek die in het algemeen frequent, zo niet dagelijks wordt gebruikt. Behalve verdachte zelf en zijn begeleider had niemand toegang tot de slaapkamer van verdachte. Van verdachte mag daarom een redelijke verklaring voor het aantreffen van het alarmpistool worden verlangd. Naar eigen zeggen wist verdachte niet dat het wapen in zijn kast lag. Het moet volgens hem zo zijn geweest dat (een) ander(en) zonder zijn medeweten het wapen in zijn kast heeft/hebben gelegd. In de week van de doorzoeking heeft verdachte veel bezoek gehad en was zijn kamer een rommeltje, aldus verdachte.
Deze verklaring vindt de rechtbank niet zonder meer geloofwaardig. De verklaring is te weinig concreet en niet verifieerbaar. Verdachte heeft bijvoorbeeld niet gezegd welke personen wanneer op bezoek zijn geweest. Dat een derde, die niet zelfstandig toegang tot de kamer van verdachte heeft, zonder medeweten van verdachte een alarmpistool tussen de kleding van verdachte legt, is niet direct aannemelijk. De verklaring dat een ander het alarmpistool in de kast moet hebben gelegd, sluit ook niet uit dat de verdachte hiervan wetenschap heeft gekregen, en die situatie dan in stand heeft gelaten. De rechtbank is, al met al, van oordeel dat het niet anders kan dan dat verdachte zich (in meer of mindere mate) bewust moet zijn geweest dat het wapen in zijn kast lag. Daarmee had verdachte de feitelijke macht over het wapen en kon hij over het wapen beschikken.
De rechtbank concludeert dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van een alarmpistool, zoals ten laste is gelegd onder feit 2.
Feit 3 [4]
Verdachte heeft dit feit bekend en er is door of namens hem geen vrijspraak bepleit. Daarom zal de rechtbank volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die de rechtbank heeft gebruikt (ex artikel 359, derde lid, Wetboek van Strafvordering).
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte, p. 24 en 25;
- de vakbijlage van het NFI Gevaarzetting Super Cobra 6 en vergelijkbare artikelen, p. 119 t/m 125;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 27 januari 2026.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde onder de feiten 1, 2 en 3 heeft begaan, te weten dat:
1.
hij op
of omstreeks20 oktober 2025 te Arnhem,
in elk geval in Nederlandeen vuurwapen van categorie III, onder 1, van de Wet wapens en munitie, te weten een getransformeerd gaspistool van het merk Blow, type TR 17, kaliber 9x17 mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een
geweer, revolver en/ofpistool en
/ofmunitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 4 kogelpatronen, kaliber 9x17 mm, voorhanden heeft gehad;
2.
hij op
of omstreeks20 oktober 2025 te Arnhem,
in elk geval in Nederlandeen wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en
/ofdat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een alarmpistool, merk Swiss Arms, model P1911, voorhanden heeft gehad;
3.
hij op
of omstreeks14 juni 2025 te Utrecht,
in elk geval in Nederlandopzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht, door op korte afstand van een portiekdeur, behorende bij meerdere woningen gelegen aan [adres] , zwaar vuurwerk (Cobra 6) te plaatsen en
/ofaan te steken en
/oftot ontploffing te brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor
een of meergoederen te duchten was, te weten een portiekdeur en
/of een ofmeerdere ramen en
/of dienabij gelegen woningen en
/ofde zich daarin bevindende goederen
, in elk geval gemeen gevaar voor enig goed.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaat met een vuurwapen van categorie III
feit 2:
handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie
feit 3:
opzettelijk een ontploffing teweegbrengen terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

5.De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie van 177 dagen, waarvan 100 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Als bijzondere voorwaarden moeten de voorwaarden worden opgelegd, die door de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad) in het rapport van 20 januari 2026 zijn geadviseerd, met een proeftijd van twee jaar. De bijzondere voorwaarden moeten dadelijk uitvoerbaar worden verklaard. Daarnaast moet aan verdachte een werkstraf van 70 uur worden opgelegd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat, bij vrijspraak van feit 2, de door de officier van justitie geëiste werkstraf niet aan verdachte wordt opgelegd. Verder heeft de raadsvrouw gewezen op de verminderde toerekeningsvatbaarheid.
De beoordeling door de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, betrekt de rechtbank de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan. Ook houdt de rechtbank rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte en met de inhoud van de volgende stukken:
  • het uittreksel Justitiële Documentatie van 2 januari 2026 (het strafblad),
  • het Pro Justitia-onderzoek (psychologisch) door drs. R.C. Norp van 5 januari 2026;
  • het rapport van de Raad van 20 januari 2026.
In het bijzonder neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.
Strafblad
Verdachte is niet eerder veroordeeld voor strafbare feiten.
De ernst van het feit
Verdachte heeft meerdere ernstige strafbare feiten gepleegd. Hij heeft in opdracht van een ander een Cobra tot ontploffing gebracht bij een appartementencomplex. Hierbij is materiële schade ontstaan aan de portiekdeur en enkele ramen. Het is een gelukkig toeval dat het ‘slechts’ bij deze schade is gebleven. De rechtbank constateert dat de samenleving de afgelopen tijd wordt geteisterd door dergelijke aanslagen met explosieven, waarbij zwaar - en op zichzelf al illegaal - vuurwerk wordt gebruikt. De explosies worden met regelmaat ingezet als drukmiddel, bijvoorbeeld om een ruzie af te handelen of iemand te intimideren. Het zorgt voor gevoelens van onrust, angst en onveiligheid bij omwonenden en in de samenleving. Daarnaast veroorzaken de explosies vaak grote schade en risico’s voor omwonenden of voorbijgangers. De rechtbank beseft dat voor het uitvoeren van deze explosies (via sociale media) vaak kwetsbare en beïnvloedbare jongeren worden geronseld, terwijl de opdrachtgevers zelf buiten het zicht van politie en justitie blijven. Desondanks rekent de rechtbank het verdachte zwaar aan dat hij heeft bijgedragen aan deze intimiderende vorm van geweld en dat hij niet stil heeft gestaan bij de impact en gevolgen hiervan voor anderen.
Verdachte heeft zich verder schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een geladen vuurwapen en een alarmpistool. Dit zijn ernstige feiten, die de maatschappij onveiliger maken. Verdachte zegt het vuurwapen uit zelfverdediging te hebben aangeschaft, maar vergroot daarmee juist de kans op escalaties. De rechtbank vindt het daarbij extra zorgwekkend dat verdachte het vuurwapen met daarin 4 scherpe patronen heeft meegenomen naar school en dit wapen, inclusief munitie vervolgens enige tijd onbeheerd in zijn jas heeft achtergelaten.
Rapportages
Pro Justitia-rapport van 5 januari 2026
Verdachte is gediagnosticeerd met een normoverschrijdende gedragsstoornis, begin in de kindertijd met beperkte prosociale emotie, gekenmerkt door structureel agressief en grensoverschrijdend gedrag, beperkte emotieregulatie, externaliserende coping en een zorgelijke ontwikkeling van het geweten.
Concreet betekent dit dat verdachte een beperkt handelingsrepertoire heeft. Het is voor hem moeilijk om in spanningsvolle of conflicterende situaties te reflecteren, alternatieven te bedenken en emoties te reguleren. Vaardigheden zoals hulp vragen, afstemmen en vooruitdenken zijn onvoldoende ontwikkeld, mede doordat verdachte vroeg heeft geleerd vooral op zichzelf aangewezen te zijn. Vanuit deze overlevingsgerichte autonomie is verdachte sterk beïnvloedbaar. Zijn sterke behoefte om zelfstandig te functioneren en zich staande te houden maakt hem kwetsbaar voor externe bevestiging en groepsdruk, met name in contexten die status, bescherming of erkenning bieden. Gedrag en keuzes worden daarbij vooral gestuurd door direct eigen belang, terwijl interne morele toetsing en empathische afwegingen beperkt lijken te zijn ontwikkeld. Er is sprake van toenemende ontregeling in de adolescentie.
In beginsel is het inzicht in de strafbaarheid van het handelen intact. Echter, door verminderde gedragsregulatie en oordeelsvorming onder stress en sociale druk zijn de gedragskeuzes in de ten laste gelegde situaties (van feit 1 en feit 3) mede beïnvloed. Geadviseerd wordt om het tenlastegelegde onder feit 1 en feit 3 in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.
Zonder verdere begeleiding en behandeling wordt het risico op herhaling van soortgelijke feiten ingeschat als matig tot hoog. Om dit risico te beteugelen en voor de verdere ontwikkeling van verdachte is het belangrijk dat wordt ingezet op een samenhangend traject, bestaande uit plaatsing in een 24-uurs begeleide woonvorm ( [plaats] ) met voldoende structuur en toezicht en voldoende afstand van zijn huidige risicovolle sociale omgeving. In combinatie met deze woonvorm wordt de inzet van intensieve forensische ambulante hulpverlening (door Rubix Zorg) gericht op het versterken van emotieregulatie, agressieregulatie en probleemoplossende vaardigheden en de inzet van individuele behandeling bij een forensisch psychiatrische ketenpartner (zoals Kairos) gericht op delictanalyse, het vergroten van inzicht in eigen gedragspatronen en het leren overzien van consequenties, passend geacht. Actieve betrokkenheid van moeder via systeemgerichte interventies, evenals voortgezette regie vanuit de jeugdreclassering gericht op schoolgang, dagbesteding en het opbouwen van een pro-sociaal netwerk, worden daarbij essentieel geacht.
Rapport van de Raad van 20 januari 2026
De Raad schat het recidiverisico in als laag tot midden. Geadviseerd wordt om aan verdachte een werkstraf op te leggen in combinatie met een geheel voorwaardelijke jeugddetentie. De Raad adviseert de volgende bijzondere voorwaarden.
- begeleiding door de jeugdreclassering, waarbij verdachte afspraken met de jeugdreclassering (inclusief huisbezoeken) nakomt, bereikbaar is voor de jeugdreclassering en initiatief neemt in het opnemen en beantwoorden van contactverzoeken;
- constructieve, gestructureerde dagbesteding bij het forensisch zorgprogramma van Rubix Zorg;
- dagbesteding in de vorm van werk en/of scholing voor minimaal 20 uur per week;
- verblijf op een beschermd wonen locatie als [plaats] of een soortgelijke setting en zich houden aan de afspraken die met de jeugdreclassering en/of de woonvoorziening worden gemaakt;
- openheid over en inzicht in sociale contacten en over andere onderwerpen die de jeugdreclassering noodzakelijk acht binnen de begeleiding;
- behandeling bij Kairos of een soortgelijke instelling;
- respecteren van de regels rondom huisarrest;
- locatieverbod voor [plaats] in ieder geval voor de duur van het schooljaar 2025/2026.
De straf
De rechtbank vindt gezien de ernst van de feiten een stevige straf passend. De rechtbank houdt rekening met de verminderde toerekenbaarheid van verdachte. Zij zal een straf opleggen conform de eis van de officier van justitie. De rechtbank maakt zich zorgen over het netwerk waarbinnen verdachte zich kennelijk begeeft. Het feit dat hij op deze jonge leeftijd ogenschijnlijk makkelijk over gaat tot het zich bewapenen en het toepassen van fors geweld door het in opdracht ontsteken van een Cobra, acht de rechtbank zorgwekkend. De rechtbank heeft ook oog voor het feit dat de periode waarin verdachte de feiten gepleegd heeft, als zestienjarige een kamertraining volgde, waarbij het in de praktijk neerkwam op een te grote mate van vrijheid en te weinig begrenzingen of begeleiding. In deze omstandigheden ziet de rechtbank dan ook de noodzaak voor een strak kader, waarbinnen verdachte intensieve begeleiding en behandeling krijgt, mede bestaande uit plaatsing in een 24-uurs begeleide woonvorm. Verdachte is sinds drie weken geschorst uit de voorlopige hechtenis. Hij heeft sindsdien stappen gezet en zijn goede wil getoond. De tijd die verdachte in schorsing heeft doorgebracht is echter te kort om te kunnen spreken van (een) bestendige verandering(en). Verdachte blijft kwetsbaar. Om ervoor te zorgen dat verdachte zich zo gunstig mogelijk kan blijven ontwikkelen en de weg die hij is ingeslagen voort kan zetten, en om het risico op herhaling te beperken (door begeleiding, behandeling en toezicht), zal de rechtbank een voorwaardelijke jeugddetentie opleggen van 100 dagen, met oplegging van de bijzondere voorwaarden die door de Raad zijn geadviseerd. Verdachte heeft zich ook bereid verklaard zich te willen houden aan deze voorwaarden. Daarnaast zorgt het opleggen van een onvoorwaardelijke werkstraf ervoor dat verdachte direct de consequenties van zijn handelen ervaart.
Dadelijke uitvoerbaarheid
Tot voor kort bevond verdachte zich in een (digitaal) netwerk waarin wapens, bedreigingen en daadwerkelijk gebruiken van geweld in de vorm van een explosief normaal leken te zijn. Verdachte heeft aangegeven dat hij afstand wil nemen van dit negatieve netwerk, maar de tijd is voor verdachte nog te kort geweest om te laten zien dat hem dit ook daadwerkelijk lukt. Daarbij komt dat het essentieel is dat verdachte ondersteund wordt bij de door hem ingezette positieve lijn en dat verdachte, ook na het eventuele instellen van een rechtsmiddel, niet zonder behandeling en begeleiding komt te zitten. De rechtbank zal daarom de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar verklaren, aangezien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam, van een of meer personen.
De rechtbank zal het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.

8.De beoordeling van het beslag

De rechtbank zal de teruggave van de iPhone 13 Pro (goednummer, PL0600-2025508832-3559286) aan verdachte gelasten omdat geen strafvorderlijk belang zich daartegen verzet.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:
- 77 a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa en 157 van het Wetboek van Strafrecht;
- 13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

10.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot
een jeugddetentie voor de duur van 177 dagen;
  • bepaalt dat
  • stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
  • stelt als
  • verdachte zich begeleidbaar opstelt en afspraken met de jeugdreclassering (inclusief huisbezoeken) nakomt;
  • verdachte zorgt dat hij bereikbaar is voor de jeugdreclassering en initiatief neemt in het opnemen en beantwoorden van contactverzoeken;
  • verdachte zich inzet voor de constructieve, gestructureerde dagbesteding bij het forensisch zorgprogramma van Rubix Zorg voor zolang de jeugdreclassering dit nodig acht;
  • verdachte zich, in navolging van het geboden traject of eerder indien de jeugdreclassering dat nodig acht, inzet voor een dagbesteding in de vorm van werk en/of scholing voor minimaal 20 uur per week;
  • verdachte verblijft op een beschermd wonen locatie als [plaats] of een soortgelijke setting en zich houdt aan de afspraken die met jeugdreclassering en de woonvoorziening worden gemaakt;
  • verdachte openheid en inzicht geeft aan de jeugdreclassering over zijn sociale contacten en over andere onderwerpen die de jeugdreclassering noodzakelijk acht binnen de begeleiding;
  • verdachte meewerkt aan behandeling bij Kairos of een soortgelijke instelling, wanneer en zolang de jeugdreclassering dit nodig acht;
  • verdachte zich houdt aan een huisarrest, indien en voor zolang de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht;
  • verdachte zich niet begeeft in [plaats] , in ieder geval voor de duur van het schooljaar 2025/2026;
 stelt als overige voorwaarden dat:
  • verdachte zijn medewerking zal verlenen aan het ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit afnemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;
  • verdachte zijn medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. De medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht zijn daaronder begrepen;
 geeft opdracht aan
Jeugdbescherming Gelderland, tot het houden van toezicht op de naleving van deze bijzondere voorwaarden en tot begeleiding van verdachte ten behoeve daarvan;
 beveelt dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht
dadelijk uitvoerbaarzijn;
 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;
 veroordeelt verdachte tot een taakstraf, te weten
een werkstraf van 70 uren, met bevel dat als deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 35 dagen;
 heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis;
 gelast de teruggave van de iPhone 13 Pro (goednummer, PL0600-2025508832-3559286) aan verdachte.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.W. Stoet (voorzitter en kinderrechter), mr. G.M.L. Tomassen en mr. E.M. van Poecke, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. H.J. Damen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 februari 2026.
mr. Stoet is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 1] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025509320, gesloten op 22 oktober 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal van bevindingen, p. 34.
3.Proces-verbaal van bevindingen, p. 40.
4.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 2] van de politie Midden-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0900-2025196903, gesloten op 24 november 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.