ECLI:NL:RBGEL:2026:993

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
460347
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:303 BWArt. 254 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering gebiedsverbod bungalowpark wegens gebrek aan spoedeisend belang

Eiser, beheerder en eigenaar van de infrastructuur van bungalowpark De Cantecleer, vordert in kort geding een gebiedsverbod tegen gedaagden die op het park verblijven. Hij stelt dat gedaagden onrechtmatig handelen en wil hen verbieden het park te betreden gedurende een jaar.

De rechtbank overweegt dat het bungalowpark juridisch geen entiteit vormt, maar een verzameling recreatiewoningen met verschillende eigenaren. Eiser is slechts eigenaar van de wegen en onderhoudt deze, maar heeft geen exploitatiebevoegdheid over het park als geheel. Het beperkte beheer geeft hem geen bevoegdheid om namens het park of de eigenaren op te treden. Ook heeft hij geen belang bij het verbod omdat het hem niet rechtens te respecteren belang dient.

Daarnaast is het onrechtmatig handelen onvoldoende onderbouwd. De door eiser overgelegde aangiftes zijn deels onvolledig en door de politie vroegtijdig beëindigd. De overige meldingen zijn niet concreet onderbouwd. Gelet op de ingrijpende aard van een gebiedsverbod en het ontbreken van concreet gevaar voor herhaling, wijst de rechtbank de vordering af. Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vordering tot oplegging van een gebiedsverbod wordt afgewezen wegens gebrek aan een rechtens te respecteren belang en onvoldoende onderbouwing van onrechtmatig handelen.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/460347 / KG ZA 25-447
Vonnis in kort geding van 11 februari 2026
in de zaak van
[eiser], handelend onder de naam,
Cantecleer Exploitatie en Verhuur,
kantoorhoudende in Groesbeek,
eisende partij,
hierna te noemen: “ [eiser] ”,
advocaat: mr. J.R. Gal en mr. N. Molenaar,
tegen

1.[gedaagde sub 1] ,

wonende in [woonplaats] ,
2.
[gedaagde sub 2],
wonende in [woonplaats] ,
3.
[gedaagde sub 3],
wonende in [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: “ [gedaagden] ”,
advocaat: mr. P.F.M. Verstegen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 8;
- de aanvullende producties 10 tot en met 16 van [eiser] ;
- de producties 1 tot en met 9 van [gedaagden] ;
- de aanvullende producties 10 en 11 van [gedaagden] ;
- de mondelinge behandeling van 28 januari 2026;
- de pleitnota van [eiser] ;
- de pleitnota van [gedaagden]
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Bungalowpark en Camping De Cantecleer B.V. (hierna: de B.V.) was in het verleden eigenaar van een groot stuk grond gelegen nabij Groesbeek. Daarop exploiteerde de B.V. een bungalowpark onder de naam “De Cantecleer” (hierna: De Cantecleer). [eiser] is op enig moment door de B.V. als beheerder van De Cantecleer in dienst genomen. Sindsdien woont hij in een (bedrijfs)woning op De Cantecleer.
2.2.
In de loop der jaren heeft de B.V. De Cantecleer verkaveld en het overgrote deel van die kavels verkocht aan verschillende eigenaren, waarna de B.V., naast enkele restpercelen, alleen nog eigenaar was van de infrastructuur op De Cantecleer, zijnde onder andere de wegen, beplanting en straatverlichting. Uiteindelijk heeft de B.V. de eigendom van de infrastructuur en voorzieningen overgedragen aan [eiser] . [eiser] onderhoudt de infrastructuur van het bungalowpark tegen een door de eigenaren van de percelen op De Cantecleer te betalen vergoeding ter hoogte van € 450,00 per half jaar.
2.3.
[naam 1] , [naam 2] en [naam 3] hebben vier door de B.V. aangeboden percelen op De Cantecleer gekocht, later bekend als de percelen [perceelnummer A] , [perceelnummer B] , [perceelnummer C] en [perceelnummer D] . [naam 4] was voornemens om tevens deel te nemen aan deze koop, maar heeft daar uiteindelijk van afgezien. [naam 2] , [naam 1] en [naam 3] hebben respectievelijk de percelen [perceelnummer A] , [perceelnummer C] en [perceelnummer D] in gebruik genomen. Uiteindelijk heeft [naam 4] een huurwoning op De Cantecleer betrokken.
2.4.
[naam 5] (hierna: [naam 5] ) is de partner van [naam 1] en woont samen met hem op perceel [perceelnummer C] .
2.5.
[gedaagden] verblijven sinds eind 2022 op perceel [perceelnummer B] . Bij akte van 7 april 2023 heeft [naam 1] perceel [perceelnummer B] geleverd aan [gedaagde sub 1] tegen een koopprijs van € 151.250,00. Daarbij zijn zij overeengekomen dat de koopprijs als lening wordt verstrekt door [naam 1] aan [gedaagde sub 1] . De geldlening is uiteindelijk door [naam 1] kwijtgescholden.
2.6.
Eind 2024 is de vereniging Eigenaarsvereniging Cantecleer (hierna: de vereniging) opgericht met als doel de gemeenschappelijke belangen van de eigenaren van de woningen op De Cantecleer te behartigen. Een aantal van eigenaren van bungalows op De Cantecleer is lid geworden van de vereniging. [gedaagde sub 1] is geen lid van de vereniging.
2.7.
In september 2025 zijn meerdere artikelen in De Gelderlander verschenen over het vermeende bestaan van een sekte op De Cantecleer met als sekteleider [gedaagde sub 1] , en als deelnemers [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] .
2.8.
Op 7 oktober 2025 heeft [naam 1] aangifte gedaan tegen [gedaagde sub 1] wegens oplichting.
2.9.
Bij brief van 15 oktober 2025 heeft de advocaat van [eiser] [gedaagden] gesommeerd binnen drie dagen te bevestigen dat zij per direct tot nader order De Cantecleer niet meer zullen betreden. [gedaagden] hebben geen gehoor gegeven aan de sommatie.
2.10.
Op 23 oktober 2025 heeft [naam 5] aangifte gedaan wegens mensenhandel en schuldverkrachting.
2.11.
Op 26 november 2025 heeft [naam 4] aangifte gedaan tegen [gedaagde sub 1] wegens fraude.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert, samengevat, nadat hij zijn eis ter zitting heeft verminderd, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
( a) [gedaagden] te verbieden het Bungalowpark te betreden, gedurende één jaar na dit vonnis, dan wel zoveel eerder als [gedaagden] aantonen dat:
a. zij definitief niet (verder) strafrechtelijk worden vervolgd, of,
b. bij in kracht van gewijsde gegaan strafvonnis zijn vrijgesproken van de hen verweten gedragingen;
  • b) het voorgaande op straffe van een dwangsom;
  • c) [gedaagden] te veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
3.2.
[gedaagden] voeren verweer. [gedaagden] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Het (spoedeisend) belang bij de vorderingen
4.1.
Een vordering in kort geding kan slechts worden toegewezen als degene die de vordering instelt bij toewijzing daarvan voldoende (spoedeisend) belang heeft. [1] Met betrekking tot de vraag of [eiser] voldoende (spoedeisend) belang heeft, is tussen partijen in geschil wat de juridische status van De Cantecleer is en welke rol [eiser] daarin vervult.
4.2.
[eiser] heeft gevorderd ‘
gedaagden te verbieden het Bungalowpark te betreden’. Daarbij heeft [eiser] toegelicht dat hij met ‘het Bungalowpark’ bedoelt bungalowpark De Cantecleer in Groesbeek. Volgens [eiser] staan op het Bungalowpark 110 recreatiewoningen, twee bedrijfswoningen en één groepsaccommodatie voor 24 personen. De recreatiewoningen inclusief bijbehorende grond zijn in eigendom van ongeveer 85 verschillende particuliere eigenaren. Deze eigenaren betalen jaarlijks parklasten aan [eiser] , waar onder andere het onderhoud van de gezamenlijke wegen, beplanting en straatverlichting van wordt betaald.
4.3.
Tijdens de mondelinge behandeling is duidelijk geworden dat [eiser] uitsluitend eigenaar is van de wegen op het bungalowpark – gedaagden betwisten overigens het bestaan van het bungalowpark als zodanig –, dat De Cantecleer voor het overige is verkaveld en dat de eigenaren van de recreatiewoningen de desbetreffende kavels in eigendom hebben, met dien verstande dat ook de B.V. nog enkele percelen in eigendom heeft. Er zijn verder geen gemeenschappelijke voorzieningen op De Cantecleer, zoals een receptie, speeltuin, zwembad, restaurant of iets dergelijks. [gedaagden] hebben voorts onweersproken aangevoerd dat De Cantecleer geen telefoonnummer, website of e-mailadres heeft. Vooralsnog heeft het er dan naar oordeel van de voorzieningenrechter dan ook alle schijn van dat “De Cantecleer” bestaat uit een verzameling recreatiewoningen en dit vormt in juridisch opzicht als zodanig geen entiteit, zoals gedaagden ook aanvoeren.
4.4.
De hiervoor weergegeven vordering van [eiser] om gedaagden te verbieden het bungalowpark te betreden heeft de strekking dat het [gedaagden] wordt verboden de percelen van de eigenaren van de recreatiewoningen én de wegen te betreden. [eiser] stelt dat hij als beheerder van De Cantecleer de bevoegdheid heeft een dergelijke vordering ten behoeve van het bungalowpark in te stellen. Daarbij stelt [eiser] dat hij verantwoordelijk is voor de exploitatie en beheer van het bungalowpark en daarmee een zorgplicht heeft tegenover de gebruikers en bezoekers van en op het bungalowpark als een geheel. [gedaagden] hebben echter betwist dat er sprake is van exploitatie en beheer door [eiser] .
4.5.
Daaromtrent wordt het volgende overwogen. [eiser] heeft niet toegelicht wat hij verstaat onder de exploitatie van De Cantecleer, hoewel dat gezien de betwisting door [gedaagden] wel op zijn weg lag. Naar de voorzieningenrechter begrijpt, is van exploitatie door [eiser] geen sprake: het bungalowpark bestaat uit recreatiewoningen met een groot aantal verschillende eigenaren en van enige vorm van exploitatie (bijvoorbeeld door verhuur van bungalows) door [eiser] ten behoeve van die eigenaren is geen sprake. Wat betreft het beheer geldt dat De Cantecleer geen gemeenschappelijke voorzieningen heeft en het beheer door [eiser] zich kennelijk, naar hij zelf ter zitting heeft verklaard, beperkt tot onderhoud van de wegen en de slagboom. Volgens gedaagden is [eiser] niet meer dan een huismeester.
4.6.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter geeft deze beperkte vorm van beheer [eiser] niet de bevoegdheid namens De Cantecleer en/of de eigenaren van de recreatiewoningen op te treden in rechte. Voor zover de vordering aldus moet worden begrepen dat [eiser] (mede) optreedt voor zichzelf, geldt dat hij als eigenaar van de wegen geen belang heeft bij het gevorderde verbod. Dat belang kan niet erin zijn gelegen dat gedaagden langs deze (om)weg de toegang tot de percelen wordt ontzegd. Dat is namelijk geen rechtens te respecteren belang van [eiser] .
4.7.
Als [eiser] in onderhavige procedure wordt gesteund door een groot aantal eigenaren en bewoners, zoals hij tijdens de mondelinge behandeling heeft aangevoerd, maakt dat het voorgaande niet anders.
4.8.
Op grond van het bovenstaande concludeert de voorzieningenrechter dat het gevorderde moet worden afgewezen wegens een gebrek aan een rechtens te respecteren belang bij [eiser] .
De vermeende onrechtmatige handelingen
4.9.
Gelet op de aard van de door [eiser] gestelde onrechtmatige handelingen verricht door [gedaagden] en de ontstane ophef daarover binnen De Cantecleer, maar ook in de media, overweegt de voorzieningenrechter ten overvloede nog het volgende.
4.10.
Een gebiedsverbod zoals [eiser] vordert, is een zeer ingrijpende maatregel die inbreuk maakt op het recht op persoonlijke vrijheid, waaronder begrepen het recht dat iedereen heeft om zich vrij te verplaatsen, en in dit geval voor [gedaagden] om zich in hun recreatiewoning te bevinden. Een dergelijk verbod kan alleen worden toegewezen als sprake is van ernstig onrechtmatig handelen en van concreet gevaar voor herhaling daarvan. Het is aan [eiser] om het onrechtmatig handelen en het gevaar voor herhaling daarvan aannemelijk te maken.
4.11.
Ook indien [eiser] wel de bevoegdheid zou hebben om namens De Cantecleer en/of de eigenaren van de recreatiewoningen op te treden in rechte, zou de vordering zijn afgewezen. [eiser] baseert zijn vordering op gedragingen van [gedaagden] die hij als onrechtmatig kwalificeert. Hij verwijst ter onderbouwing daarvan naar drie aangiftes, een afspraakbevestiging om aangifte te doen en zeven meldingen bij, onder andere, de politie van derden. [gedaagden] betwisten onrechtmatig te hebben gehandeld.
4.12.
Met betrekking tot de in totaal drie door [eiser] in het geding gebrachte aangiftes stelt de voorzieningenrechter het volgende voorop. Een proces-verbaal van een aangifte is de verslaglegging door de politie van het perspectief van een aangever over een vermeend strafbaar handelen van een ander. Een aangifte op zichzelf maakt nog niet dat de daarin omschreven handeling ook is komen vast te staan. De vervolgstap na een aangifte is immers dat de politie over gaat op strafrechtelijk onderzoek om het strafbaar handelen al dan niet vast te stellen, waarop de verdachte(n) kan worden vervolgd.
In onderhavig geval heeft [eiser] drie aangiftes overgelegd van [naam 1] , [naam 5] en [naam 4] . Van de aangifte van [naam 1] is echter slechts de eerste bladzijde overgelegd en van de aangifte van [naam 5] is uitsluitend een bevestiging van de politie ingebracht. Uit die bevestiging valt verder niet op te maken of de aangifte zich richt tot [gedaagden]
[eiser] heeft ook nog als productie 10 een bevestiging van een afspraak om aangifte te doen in het geding gebracht, maar uit die afspraakbevestiging kan niet worden afgeleid door wie de aangifte wordt gedaan, jegens wie deze zich richt en op welke strafbare handeling de aangifte ziet.
Daartegenover heeft [gedaagden] een bericht van de politie overgelegd waaruit blijkt dat de aangiftes van [naam 1] en [naam 5] vroegtijdig zijn beëindigd en de politie hieraan dus verder geen gevolg zal geven. [eiser] heeft daarover nog gesteld dat vroegtijdig beëindigen ook het gevolg kan zijn van de capaciteitsproblemen bij de politie, maar dat staat niet vast en maakt het voorgaande niet anders.
4.13.
Verder heeft [eiser] nog gesteld dat er in totaal zeven meldingen zijn gedaan van verschillende personen bij onder andere de politie van seksueel misbruik, fraude, intimidatie en uitbuiting. Deze stelling heeft [eiser] echter niet onderbouwd en [gedaagden] hebben het bestaan van de meldingen, dan wel de inhoud daarvan, gemotiveerd betwist.
4.14.
Daarmee blijft ter onderbouwing van de stelling van [eiser] over de aangifte van [naam 4] en de eerste pagina van de aangifte van [naam 1] . Dit is onvoldoende om aan te nemen dat [gedaagden] de gestelde onrechtmatig handelingen hebben verricht en zeker om hen een vergaande maatregel als een gebiedsverbod op te leggen.
Proceskosten
4.15.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op:
- griffierecht
341,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.707,00

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.707,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. O. Nijhuis en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026.
1863

Voetnoten

1.Artikel 3:303 BW Pro in verbinding met artikel 254 Rv Pro.