ECLI:NL:RBGRO:1999:AF0342

Rechtbank Groningen

Datum uitspraak
14 april 1999
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
37744 FT RK 99.41
Instantie
Rechtbank Groningen
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.P. Evenhuis
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-nakoming voorwaarden tijdens voorlopige schuldsaneringsregeling leidt tot faillissementsverklaring

Verzoeker diende op 10 maart 1999 een verzoekschrift in voor toepassing van de schuldsaneringsregeling. Bij vonnis van 30 maart 1999 werd dit verzoek voorlopig toegewezen met voorwaarden, waaronder het wekelijks opgeven van uren en inkomsten aan de bewindvoerder en het verbod om werkzaamheden buiten Nederland te verrichten zonder medeweten van de bewindvoerder.

Tijdens de behandeling op 14 april 1999 bleek dat verzoeker niet aan deze voorwaarden had voldaan. Tevens werd vastgesteld dat er in 1994 een faillissementsaanvraag tegen verzoeker in Duitsland was ingediend, maar deze was afgewezen. Verzoeker had geen bezittingen in Nederland en was aangewezen op gelegenheidswerk.

De rechtbank oordeelde dat de niet-nakoming van de voorwaarden en de financiële situatie van verzoeker aanleiding waren om hem failliet te verklaren. Mr. J.P. Evenhuis werd benoemd tot rechter-commissaris en mr. G.M. Tiddens tot curator, met de opdracht tot het openen van aan de gefailleerde gerichte correspondentie.

Uitkomst: Verzoeker wordt failliet verklaard wegens niet-nakoming van voorwaarden tijdens voorlopige schuldsaneringsregeling.

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te Groningen
Eerste enkelvoudige kamer
X., wonende te P.,
thans te P.
verzoeker,
heeft op 10 maart 1999 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Bij vonnis van deze kamer van 30 maart 1999 is op het verzoek voorlopig beslist.
Bij dat vonnis is tevens aangegeven aan welke bepalingen verzoeker zich diende te houden gedurende de voorlopige toepassing van de schuldsanering, te weten:
verzoeker dient wekelijks zijn bestede uren en inkomsten aan de bewindvoerder op te geven;
verzoeker mag geen werkzaamheden buiten Nederland verrichten zonder medeweten van de bewindvoerder.
Thans dient de rechtbank te beslissen op het verzoek tot definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Dienaangaande oordeelt de rechtbank als volgt:
tijdens de behandeling op 30 maart 1999 heeft verzoeker gegevens verschaft met betrekking tot een in Duitsland in het recente verleden jegens verzoeker ingediend verzoekschrift tot faillietverklaring. De rechtbank heeft mede op grond van die informatie besloten de voorlopig toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken, teneinde die informatie door de griffier te laten verifiëren. Uit dat onderzoek is gebleken dat er weliswaar in 1994 een faillissementsaanvrage tegen verzoeker is ingediend, doch dat het verzoek tot faillissement door het daarvoor verantwoordelijk gerecht in Duitsland is afgewezen;
aangezien verzoeker tijdens de behandeling voorts onder meer heeft meegedeeld dat hij geen uitkering in Nederland ontvangt en voor inkomsten is aangewezen op gelegenheidswerkzaamheden. Die informatie is voor de rechtbank met name aanleiding geweest om bovenvermelde bepalingen aan de voorlopige toepassing van de schuldsaneringsregeling te verbinden;
verzoeker heeft in Nederland geen bezittingen, zoals hij tijdens de behandeling heeft meegedeeld, hetgeen mede blijkt uit bescheiden van B. Ahlers, werkzaam bij de Gibo Accountants en Adviseurs te Winschoten, welke bescheiden door verzoeker zijn overgelegd;
verklaart de verzoeker voornoemd in staat van faillissement;
benoemt tot rechter-commissaris het lid van deze rechtbank mr. J.P. Evenhuis;
stelt aan tot curator mr. G.M. Tiddens, advocaat en procureur te Groningen;
geeft last aan voornoemde curator tot het openen van aan de gefailleerde gerichte brieven en telegrammen;
bepaalt dat de kosten van de in de Faillissementswet bevolen publicaties ten laste van de Staat komen.
Gewezen door mr J.P. Evenhuis, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 april 1999 in tegenwoordigheid van de griffier.