ECLI:NL:RBGRO:1999:AF0371
Rechtbank Groningen
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Praktijk
- Rechtspraak.nl
Beëindiging schuldsaneringsregeling wegens niet te goeder trouw handelen van schuldenaar
De rechtbank Groningen heeft op 5 oktober 1999 uitspraak gedaan in een zaak waarbij de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling werd beëindigd. De schuldenaar was eerder toegelaten tot de regeling, maar werd beschuldigd van het niet te goeder trouw handelen door het verzwijgen van fraudeschulden bij de aanvraag en tijdens de regeling.
De bewindvoerder stelde dat de Sociale Diensten van de gemeenten Veendam en Groningen fraudeschulden hadden geconstateerd respectievelijk ter hoogte van fl 8.954,57 en fl 1.347,09, welke niet waren opgegeven door de schuldenaar. De schuldenaar erkende deels deze stellingen en stuurde een schriftelijke verklaring aan de bewindvoerder, maar stelde dat hij alles had uitgelegd en dat de curator in zijn faillissement op de hoogte was van deze schulden.
De rechtbank oordeelde dat de schuldenaar voorafgaand aan de toelating tot de schuldsaneringsregeling op de hoogte was van zijn verplichtingen en dat het niet tijdig informeren van de bewindvoerder over de fraudeschulden in strijd was met artikel 350, lid 3, onderdeel c van de Faillissementswet. Daarom werd de toepassing van de schuldsaneringsregeling beëindigd en de schuldenaar verkeert van rechtswege in staat van faillissement. Tevens werd het salaris van de bewindvoerder vastgesteld en werd bepaald dat de publicatiekosten ten laste van de Staat komen.
Uitkomst: De rechtbank beëindigt de schuldsaneringsregeling wegens niet te goeder trouw handelen van de schuldenaar, die daardoor in staat van faillissement verkeert.