ECLI:NL:RBGRO:1999:AF0371

Rechtbank Groningen

Datum uitspraak
5 oktober 1999
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
99/77 R
Instantie
Rechtbank Groningen
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • Praktijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 350 lid 3 FaillissementswetArt. 350 lid 5 Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging schuldsaneringsregeling wegens niet te goeder trouw handelen van schuldenaar

De rechtbank Groningen heeft op 5 oktober 1999 uitspraak gedaan in een zaak waarbij de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling werd beëindigd. De schuldenaar was eerder toegelaten tot de regeling, maar werd beschuldigd van het niet te goeder trouw handelen door het verzwijgen van fraudeschulden bij de aanvraag en tijdens de regeling.

De bewindvoerder stelde dat de Sociale Diensten van de gemeenten Veendam en Groningen fraudeschulden hadden geconstateerd respectievelijk ter hoogte van fl 8.954,57 en fl 1.347,09, welke niet waren opgegeven door de schuldenaar. De schuldenaar erkende deels deze stellingen en stuurde een schriftelijke verklaring aan de bewindvoerder, maar stelde dat hij alles had uitgelegd en dat de curator in zijn faillissement op de hoogte was van deze schulden.

De rechtbank oordeelde dat de schuldenaar voorafgaand aan de toelating tot de schuldsaneringsregeling op de hoogte was van zijn verplichtingen en dat het niet tijdig informeren van de bewindvoerder over de fraudeschulden in strijd was met artikel 350, lid 3, onderdeel c van de Faillissementswet. Daarom werd de toepassing van de schuldsaneringsregeling beëindigd en de schuldenaar verkeert van rechtswege in staat van faillissement. Tevens werd het salaris van de bewindvoerder vastgesteld en werd bepaald dat de publicatiekosten ten laste van de Staat komen.

Uitkomst: De rechtbank beëindigt de schuldsaneringsregeling wegens niet te goeder trouw handelen van de schuldenaar, die daardoor in staat van faillissement verkeert.

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te Groningen
Eerste enkelvoudige kamer
Bij vonnis van deze kamer van 13 juli 1999 is de definitieve schuldsanering uitgesproken ten aanzien van:
X.
geboren op... te...
wonende te P.
De rechter-commissaris heeft een voordracht gedaan om de toepassing van de schuldsanering te beëindigen De schuldenaar is opgeroepen ten einde te worden gehoord ter terechtzitting van 5 oktober 1999.
Als grond voor de beëindiging is aangevoerd:
dat de schuldenaar niet te goeder trouw is en zich niet aan de regels van de Wsnp houdt, terwijl hij deze regels kende, en hem verder door de bewindvoerder duidelijk is gemaakt wat de consequenties van overtreding van deze regels zouden kunnen zijn.
De schuldenaar is ter terechtzitting van 5 oktober 1999 verschenen, evenals de bewindvoerder. De bewindvoerder heeft onder meer verklaard dat de Sociale Dienst van de gemeente Veendam bij het indienen van haar vordering heeft meegedeeld dat de schuldenaar voor een bedrag van f. 8.954,57 aan ten onrechte uitkering heeft ontvangen. Tevens heeft de Sociale Dienst van de gemeente Groningen een fraudevordering op de schuldenaar ten bedrage van f. 1.347,09. betreffende niet opgegeven inkomsten. De schuldenaar heeft dit bij de behandeling tot de toelating tot de schuldsaneringsregeling verzwegen.
De schuldenaar heeft de stellingen van de bewindvoerder deels betwist en deels erkend. Voorzover hij die stellingen heeft erkend, heeft hij daarover een schriftelijke verklaring gedateerd 25 september 1999 aan de bewindvoerder gezonden. Hij is van mening dat hij alles heeft uitgelegd aan de bewindvoerder en dat de curator in zijn faillissement ook op de hoogte was van de onderhavige fraudeschulden.
De rechtbank is van oordeel, dat - ondanks de verklaring van de schuldenaar achteraf - het verzoek behoort te worden toegewezen. Naar moet worden aangenomen is de schuldenaar vooraf en bij de aanvraag tot toelating van de wettelijke schuldsanering meegedeeld welke de op de schuldenaar rustende verplichtingen zijn. Tot die mogelijkheden behoort een ongeclausuleerde informatie met betrekking tot de financiële en -maatschappelijke omstandigheden op grond van de door de bewindvoerder aangegeven omstandigheden moet de rechtbank constateren dat na het toelaten tot de schuldsanering de bewindvoerder werd geconfronteerd met twee fraudeschulden van de Sociale Diensten te Veendam en te Groningen voor de respectievelijke bedragen van f. 8.954,57 en f. 1.347,09. Het niet tijdig informeren van één en ander is in strijd met het bepaalde in artikel 350, lid 3 aanhef en onder c Faillissementswet. De rechtbank is van oordeel, dat er aanleiding is de toepassing van de schuldsaneringsregeling te beëindigen. Op grond van artikel 350, lid 5 van de Faillissementswet verkeert de schuldenaar van rechtswege in staat van faillissement.
De rechtbank zal het salaris van de bewindvoerder en de door deze gemaakte kosten vaststellen. De kosten van de in de schuldsaneringsregeling bevolen publicaties kunnen niet uit de boedel worden voldaan en komen dus ten laste van de Staat.
Beslissing
De rechtbank:
beëindigt de toepassing van de schuldsaneringsregeling en benoemt in het faillissement van de schuldenaar tot rechter-commissaris mr. J.P.. Evenhuis, en stelt tot curator aan mr. J. Hielkema, wonende/gevestigd te Lorentzpark 20 A, 9351 VJ Leek;
stelt het bedrag van het salaris van de bewindvoerder vast op fl 200,-- (exclusief de daarover verschuldigde omzetbelasting);
bepaalt dat de kosten van de in de Faillissementswet bevolen publicaties ten laste van de Staat komen;
geeft last aan voornoemde curator tot het openen van aan de gefailleerde gerichte brieven en telegrammen.
Gewezen door mr Praktiek, vice-president, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 oktober 1999 in tegenwoordigheid griffier.