ECLI:NL:RBGRO:2000:AA9071
Rechtbank Groningen
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- A.H.J. Lennaerts
- Rechtspraak.nl
Vernietiging aansprakelijkstelling bestuurder wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur en disproportionaliteit
Eiser was bestuurder van een BV die failliet werd verklaard met een aanzienlijke premieschuld aan het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). Verweerder stelde eiser hoofdelijk aansprakelijk op grond van artikel 16d CSV wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur, waarbij een aantal gedragingen werden aangemerkt als aan eiser te wijten. Eiser voerde aan dat deze gedragingen deels door een medebestuurder waren gepleegd, niet binnen de referteperiode vielen, en dat er geen causaal verband was met de premieschuld.
De rechtbank oordeelde dat bestuurders collectief verantwoordelijk zijn en dat gedragingen van de medebestuurder ook aan eiser kunnen worden toegerekend. Echter, verweerder had onvoldoende gemotiveerd dat onttrekkingen door de medebestuurder binnen de referteperiode en voor privédoeleinden hadden plaatsgevonden. Ook was het niet voeren van een kasadministratie onjuist vastgesteld. Daarnaast werd de redelijke termijn in de bezwaarprocedure niet overschreden gezien de complexiteit van de zaak.
De rechtbank concludeerde dat het besluit van 11 november 1999 strijdig is met de wet en vernietigde dit samen met het besluit van 15 april 1999. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten. Partijen kunnen binnen zes weken beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de besluiten tot hoofdelijke aansprakelijkstelling worden vernietigd.