ECLI:NL:RBGRO:2000:AA9505
Rechtbank Groningen
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- A.H.J. Lennaerts
- Rechtspraak.nl
Weigering kwijtschelding terugvordering onverschuldigde werkloosheidsuitkering
Eiser verzocht het Landelijk instituut sociale verzekeringen (GAK) om kwijtschelding van een schuld voortvloeiend uit onverschuldigde werkloosheidsuitkeringen die in de periode van 30 augustus 1993 tot 6 februari 1995 zijn betaald. Verweerder weigerde dit verzoek bij besluit van 27 mei 1999, waarop eiser beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank stelde vast dat het besluit van verweerder was gebaseerd op artikel 36 van Pro de Werkloosheidswet, dat de voorwaarden voor terugvordering en kwijtschelding regelt. Eiser voerde aan dat op zijn situatie de regels van vóór 6 februari 1995 van toepassing waren, zoals bepaald in artikel XVI van de Wet Boeten, en dat verweerder het verkeerde afwegingskader had gehanteerd.
De rechtbank oordeelde dat verweerder het juiste wettelijke regime toepaste en dat eiser niet voldeed aan de voorwaarden voor kwijtschelding, zoals het voldoen aan betalingsverplichtingen gedurende een bepaalde termijn of het aantonen van dringende redenen. De omstandigheden die eiser aanvoerde werden niet als uitzonderlijk of dringend beschouwd. Hoewel verweerder het besluit niet volledig juist had gemotiveerd, was de weigering terecht.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees erop dat tegen deze uitspraak hoger beroep mogelijk is bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de weigering van kwijtschelding van de terugvordering wordt ongegrond verklaard.