ECLI:NL:RBGRO:2002:AD9380
Rechtbank Groningen
- Kort geding
- W. Duitemeijer
- Rechtspraak.nl
Niet toewijzen van verbod op werkzaamheden en handhaving concurrentiebeding in arbeidsgeschil
In deze zaak staat een geschil centraal over de afdwingbaarheid van een concurrentiebeding en een verbod op werkzaamheden na beëindiging van een arbeidsovereenkomst. De arbeidsovereenkomst tussen partijen was aanvankelijk voor bepaalde tijd en werd stilzwijgend voortgezet voor onbepaalde tijd. De werknemer trad daarna in dienst bij een concurrerend bedrijf.
De werkgever vorderde onder meer een verbod voor de werknemer om werkzaamheden te verrichten die in strijd zijn met het concurrentiebeding, en dwangsommen bij overtreding. De voorzieningenrechter overwoog dat het concurrentiebeding ernstige beperkingen oplevert, maar dat onvoldoende is aangetoond dat de werknemer daadwerkelijk aan het beding gebonden is. Ook was niet aannemelijk dat de werknemer de geheimhoudingsplicht had geschonden.
Daarom werden de vorderingen van de werkgever afgewezen en werd zij veroordeeld in de proceskosten. De vorderingen van de werknemer in reconventie, gericht op schorsing van het concurrentiebeding, werden eveneens afgewezen. De voorzieningenrechter oordeelde dat het niet voorshands vaststaat dat het concurrentiebeding gehandhaafd kan worden, mede gezien de beperkte investering van de werkgever in de werknemer.
Uitkomst: De voorzieningenrechter wijst het verbod op werkzaamheden en de handhaving van het concurrentiebeding af en veroordeelt de werkgever in de proceskosten.