ECLI:NL:RBGRO:2004:AQ5168
Rechtbank Groningen
- Verzet
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ontvankelijkheid beroep zonder tijdige machtiging in bestuursrechtelijke procedure
Opposante heeft beroep ingesteld tegen een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, maar werd door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard omdat zij niet binnen de gestelde termijn een machtiging had overgelegd. Opposante stelde dat de eis tot overlegging van een machtiging niet op artikel 6:5 Awb Pro is gebaseerd en dat het onjuist was om die te verlangen, vooral omdat een professionele rechtshulpverlener namens haar optrad.
De rechtbank oordeelde dat artikel 6:6 Awb Pro en artikel 8:24 Awb Pro van toepassing zijn en dat het niet overleggen van een machtiging een verzuim is dat kan leiden tot niet-ontvankelijkheid. De rechtbank vond de handelwijze conform de wet en jurisprudentie, ook al wijkt dit af van de procesregeling van de Centrale Raad van Beroep.
Opposante voerde aan dat de rechtbank een discretionaire bevoegdheid had om het verzuim te laten herstellen, maar de rechtbank stelde dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk was in de zin van artikel 8:54 Awb Pro. Daarom kon het onderzoek worden gesloten en werd het verzet ongegrond verklaard. De uitspraak bleef daarmee in stand.
Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep blijft in stand.