ECLI:NL:RBGRO:2006:AV4207

Rechtbank Groningen

Datum uitspraak
9 maart 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
18/051383-04
Instantie
Rechtbank Groningen
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 302 lid 1 SrArt. 287 SrArt. 45 lid 1 SrArt. 285 lid 1 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak voor poging doodslag wegens onvoldoende bewijs van steekincident

Op 11 september 2004 werd verdachte beschuldigd van poging tot doodslag op zijn neef door met een mes stekende bewegingen te maken. Daarnaast werd hem bedreiging ten laste gelegd. Tijdens het onderzoek verklaarden meerdere getuigen en de aangever, maar hun verklaringen liepen op cruciale punten uiteen. Verdachte ontkende de tenlastelegging.

De politie stelde een proces-verbaal van bevindingen op over een vechtpartij waarbij verdachte betrokken zou zijn, maar er werd geen nader onderzoek gedaan naar de identiteit van het slachtoffer dat op de grond lag. Door deze onduidelijkheden kon de rechtbank niet vaststellen dat verdachte daadwerkelijk de poging tot doodslag had gepleegd.

De benadeelde partij voegde zich schriftelijk in het strafproces, maar de rechtbank verklaarde haar vordering niet-ontvankelijk en verwees haar naar de burgerlijke rechter. De officier van justitie vorderde tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke veroordeling, maar deze vordering werd afgewezen. De rechtbank sprak verdachte vrij wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken van poging tot doodslag wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN
Sector Strafrecht
parketnummer: 18/051383-04
datum uitspraak: 9 maart 2006
op tegenspraak
raadsvrouw: mr. G.W. van der Zee
vonnis van de rechtbank te Groningen, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
wonende te [adres].
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 23 februari 2006.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd: dat
hij op of omstreeks 11 september 2004 in de gemeente Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, stekende bewegingen in de richting van die [slachtoffer] heeft gemaakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
art 302 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht
art 287 Wetboek Pro van Strafrecht
art 45 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht
althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat
hij op of omstreeks 11 september 2004 in de gemeente Groningen [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, stekende bewegingen in de richting van die [slachtoffer] gemaakt, althans die [slachtoffer] een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, getoond en/of (daarbij) deze dreigend de woorden toegevoegd: "Jij gaat er als eerste aan", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
art 285 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht
Vrijspraak
De rechtbank overweegt het volgende.
Zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris hebben een aantal getuigen en aangever verklaringen afgelegd. Verdachte zelf ontkent het tenlastegelegde. Verder is door de politie een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt, waarin gewag wordt gemaakt van een vechtpartij, waarbij verdachte zou zijn betrokken.
De door de getuigen afgelegde verklaringen lopen op diverse punten zodanig uiteen, dat in samenhang met de verklaring van aangever alsmede de verklaring van verdachte daaruit niet de conclusie kan worden getrokken dat het tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard. Daar komt bij dat door de politie weliswaar een proces-verbaal van bevindingen is opgemaakt, maar dat door haar geen nader onderzoek is ingesteld naar de identiteit van degene die op de grond lag, althans van een dergelijk onderzoek is niet gebleken.
De rechtbank acht daarom niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Vordering van de benadeelde partij
Als benadeelde partij heeft zich voor de terechtzitting schriftelijk in het strafproces gevoegd [slachtoffer], geboren [datum], wonende te [adres].
De verdachte is vrijgesproken van het ten laste gelegde.
De rechtbank zal daarom bepalen dat de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk is.
Vordering na voorwaardelijke veroordeling
onder parketnummer: 18/050126-03
De officier van justitie heeft op grond van het onherroepelijk geworden vonnis van de politierechter in bovengenoemde rechtbank d.d. 14 oktober 2003 gevorderd dat door deze rechtbank een last tot tenuitvoerlegging zal worden gegeven.
Veroordeelde is bij voormeld vonnis veroordeeld tot een geldboete van 600 euro subsidiair 12 dagen hechtenis, waarvan 350 euro subsidiair 7 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
Nu verdachte wordt vrijgesproken van het hem thans tenlastegelegde, hetgeen diende als basis voor de deze vordering, zal de rechtbank de vordering afwijzen.
Beslissing
De rechtbank:
Verklaart het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij
Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer], wonende te [adres], in haar vordering niet-ontvankelijk. Bepaalt dat de benadeelde partij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Bepaalt dat de benadeelde partij en de veroordeelde ieder de eigen kosten dragen.
Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling
Wijst af de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van het vonnis van de politierechter in bovengenoemde rechtbank d.d. 14 oktober 2003.
Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. L.M.E. Kiezebrink, voorzitter, M.J.B. Holsink en C.L.B. Kocken, rechters, in tegenwoordigheid van H. Kingma als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van donderdag 9 maart 2006.
Mr. Holsink en de griffier waren buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.