ECLI:NL:RBGRO:2006:AZ2005
Rechtbank Groningen
- Eerste aanleg - meervoudig
- J.P. Evenhuis
- M.J.B. Holsink
- M. Griffioen
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs bij berovingen in Winschoten en omgeving
De rechtbank Groningen behandelde een zaak tegen een verdachte die werd verdacht van acht berovingen gepleegd in december 2005 in Winschoten en omliggende gemeenten. De tenlasteleggingen betroffen onder meer diefstal met geweld of bedreiging met geweld van mobiele telefoons, een bril, een portemonnee en geld, alsmede opzettelijke mishandeling met een bijtende stof.
De bewijsvoering bestond voornamelijk uit verklaringen van slachtoffers en getuigen, waarbij de herkenning van de verdachte als dader telkens plaatsvond via enkelvoudige spiegelconfrontaties. De rechtbank oordeelde dat deze confrontaties onvoldoende betrouwbaar waren, mede vanwege het opvallende uiterlijk van de verdachte en het feit dat de politie voorafgaand aan de confrontaties de aangevers had geïnformeerd over de identiteit van de verdachte. Daarnaast week het signalement van de verdachte sterk af tussen de verschillende verklaringen en ontbrak ondersteunend bewijs zoals DNA-onderzoek.
De rechtbank concludeerde dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs was om tot een veroordeling te komen. De modus operandi van de berovingen was niet eenduidig en specifiek genoeg om als aanvullend bewijs te dienen. De vorderingen van de benadeelde partijen werden daarom niet-ontvankelijk verklaard, wat betekent dat deze vorderingen buiten het strafproces om bij de burgerlijke rechter moeten worden behandeld.
De verdachte werd vrijgesproken van alle tenlastegelegde feiten en het bevel tot voorlopige hechtenis werd opgeheven. De rechtbank bepaalde dat iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.