ECLI:NL:RBGRO:2006:AZ5012
Rechtbank Groningen
- Eerste aanleg - meervoudig
- R.P. van Eerde
- P.H.M. Smeets
- R.L. Vucsán
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak verdachte wegens onvoldoende bewijs doodslag prostituee in Groningen
De rechtbank Groningen sprak verdachte vrij van de tenlastegelegde doodslag op een prostituee in Groningen in 1997. Hoewel er mitochondriaal DNA van verdachte op het slachtoffer werd aangetroffen, oordeelde de rechtbank dat deze enkele mt-DNA-match onvoldoende bewijs levert dat de haren daadwerkelijk van verdachte afkomstig zijn. Ook andere bewijsmiddelen, waaronder getuigenverklaringen en verklaringen van verdachte zelf, boden onvoldoende overtuiging.
De rechtbank onderzocht diverse verklaringen, waaronder die van een getuige die een ruzie tussen verdachte en het slachtoffer zag, maar deze verklaring was onvoldoende betrouwbaar en niet doorslaggevend. Verdachte had in 2000 een verklaring afgelegd waarin hij een moord op een andere prostituee bekende, maar deze verklaring was inconsistent en niet ondersteund door andere bewijzen.
Het mt-DNA-onderzoek toonde aan dat het profiel van verdachte op het slachtoffer aanwezig was, maar de beperkte bewijskracht van mt-DNA en het ontbreken van morfologische vergelijking maakten dat dit bewijs niet doorslaggevend was. Verder werden andere potentiële daders niet volledig uitgesloten, mede doordat de naam van verdachte pas in 2004 naar voren kwam.
Gezien het geheel van het bewijs vond de rechtbank dat het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen kon worden en sprak verdachte vrij.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor doodslag.