ECLI:NL:RBGRO:2006:AZ5337
Rechtbank Groningen
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging dienstbetrekking met wederzijds goedvinden vereist ondubbelzinnige wilsuiting werknemer
De werknemer trad op 1 april 2005 in dienst voor bepaalde tijd tot 1 april 2006. Op 26 oktober 2005 spraken partijen over beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 31 december 2005. De werknemer stuurde op 27 oktober 2005 een e-mail aan collega’s waarin hij aangaf per direct afscheid te hebben genomen, maar stelde later dat hij niet akkoord was met de beëindiging en dat er nog onderhandelingen liepen.
De werkgever stelde dat er overeenstemming was bereikt en dat de werknemer een correcte eindafrekening had ontvangen. De werknemer vorderde loon over januari 2006 en compensatie voor het gemis van een leaseauto. De kantonrechter overwoog dat niet lichtvaardig aangenomen mag worden dat een werknemer instemt met beëindiging, maar dat in dit geval de e-mail van de werknemer een ondubbelzinnige wilsuiting bevat die wijst op beëindiging.
Omdat partijen van mening verschillen, rust de bewijslast op de werkgever, die voorshands slaagt in haar bewijs. De werknemer krijgt echter de mogelijkheid tot het leveren van tegenbewijs en het opgeven van getuigen. De zaak wordt verwezen naar de rol voor verdere behandeling en verdere beslissingen worden aangehouden.
Uitkomst: De kantonrechter oordeelt dat sprake is van een ondubbelzinnige wilsuiting van de werknemer, maar staat hem toe tegenbewijs te leveren; verdere beslissing wordt aangehouden.