ECLI:NL:RBGRO:2007:AZ9787
Rechtbank Groningen
- Kort geding
- J.H. Praktijk
- Rechtspraak.nl
Ontruiming woning in faillissement ondanks echtscheidingsconvenant en vermeende huurovereenkomst
De curator in het faillissement van partij A vordert ontruiming van een woning die onderdeel is van de faillissementsboedel en wordt bewoond door de ex-vrouw van partij A en haar ouders. De ex-vrouw beroept zich op het echtscheidingsconvenant waarin is bepaald dat zij de woning mag blijven bewonen zonder vergoeding te betalen. De ouders stellen een huurovereenkomst te hebben met partij A.
De rechtbank oordeelt dat het faillissement het echtscheidingsconvenant niet ongedaan maakt, maar dat de ex-vrouw haar rechten uit het convenant niet kan uitoefenen alsof het faillissement niet bestaat. Dit zou het beginsel van gelijkheid van crediteuren schenden en is niet toegestaan binnen het systeem van de Faillissementswet. De ouders kunnen het bestaan van een huurovereenkomst onvoldoende aannemelijk maken; er is geen schriftelijke overeenkomst en er is geen bewijs van betaling van huur na het vertrek van partij A.
De vordering tot ontruiming wordt daarom toegewezen, met een termijn van vier maanden om vervangende woonruimte te vinden. De vordering van de ex-vrouw tot nakoming van een koopovereenkomst wordt afgewezen, omdat levering van de woning niet heeft plaatsgevonden en de curator deze overeenkomst vernietigt wegens benadeling van de crediteuren. De ex-vrouw en haar ouders worden veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot ontruiming van de woning wordt toegewezen met een termijn van vier maanden.