ECLI:NL:RBGRO:2007:BA7146
Rechtbank Groningen
- Eerste aanleg - meervoudig
- T.G. de Vries
- E.W. van Weringh
- R.J. Meijer
- Rechtspraak.nl
Schadevergoeding wegens disproportionele duur voorlopige hechtenis ondanks rechtmatige toepassing dwangmiddelen
Eiser werd op 3 februari 2003 in verzekering gesteld op verdenking van meerdere ernstige feiten, waaronder bezit van kinderpornografie. Na diverse verlengingen van voorlopige hechtenis werd hij op 20 september 2004 door het gerechtshof veroordeeld tot 120 dagen detentie, terwijl hij in totaal 593 dagen gedetineerd was geweest.
Eiser vorderde schadevergoeding voor het verschil tussen de ondergane en opgelegde detentie, teruggave van in beslag genomen goederen, vergoeding van buitengerechtelijke kosten en proceskosten. De Staat voerde verweer dat de voorlopige hechtenis rechtmatig was, omdat de bevelen niet in strijd waren met de wet of fundamentele vereisten.
De rechtbank oordeelde dat hoewel de voorlopige hechtenis rechtmatig was, het grote verschil tussen de duur van de detentie en de opgelegde straf een schending van het gelijkheidsbeginsel vormde. Hierdoor was sprake van een onrechtmatige daad die een schadevergoeding rechtvaardigde. De vergoeding werd ex aequo et bono vastgesteld op €10.000, inclusief vergoeding voor vernietigde in beslag genomen goederen.
Andere vorderingen, zoals vergoeding voor publicaties en buitengerechtelijke kosten, werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De Staat werd veroordeeld tot betaling van de schadevergoeding en proceskosten. Het vonnis werd uitgesproken op 6 juni 2007 door de rechtbank Groningen.
Uitkomst: De Staat wordt veroordeeld tot betaling van €10.000 schadevergoeding wegens disproportionele voorlopige hechtenis ondanks rechtmatige toepassing van dwangmiddelen.