Met het oog op artikel 4:21, eerste lid, Awb overweegt de rechtbank dat het sluiten van een overeenkomst in het kader van de PSO voor de uitvoerder een aanspraak op financiële middelen doet ontstaan. Voorts verstrekt verweerder als het bestuursorgaan in kwestie de gelden met het oog op bepaalde activiteiten van de uitvoerder.
Het geschil spitst zich naar het oordeel van de rechtbank aldus toe op de vraag of de verstrekking van financiële middelen gezien moet worden als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten.
Verweerder heeft in het verweerschrift en in het aanvullend verweerschrift gesteld dat de uitvoering en oplevering van het project de dienst is die in het kader van de opdracht aan hem wordt geleverd. Daarmee wordt uitvoering gegeven aan de internationale beleidsafspraken die zijn vastgelegd in het met de buitenlandse counterpart (tegenhanger) gesloten Memorandum of Understanding. Verweerder stelt er grote waarde aan te hechten dat de te behalen resultaten ook daadwerkelijk worden gerealiseerd. Om te waarborgen dat zulks ook gebeurt, sluit zij een privaatrechtelijke overeenkomst met de ondernemers. Indien projecten niet of niet voldoende worden uitgevoerd, levert dit verweerder zowel nationaal als internationaal gezien reputatieschade op, met alle politiek nadelige gevolgen van dien. Verweerder acht het daarom niet alleen in het belang van het ontvangende land en de uitvoerder dat de projecten worden uitgevoerd maar vooral ook in zijn eigen belang.
De rechtbank overweegt dat, naar verweerder tevens heeft toegelicht, in het kader van PSO pilot investeringen plaatsvinden in opkomende markten in Oost-Europa, waarbij Nederlandse ondernemers een duurzame samenwerking aangaan met een lokaal bedrijf. Hiermee wordt werkgelegenheid, inkomen en kennis gegeneerd en de lokale private sector versterkt. Op 25 mei 2004 is een Memorandum of Understanding met Turkije gesloten.
Hoewel verweerder inzichtelijk heeft gemaakt waarom hij belang heeft bij een succesvol verloop van de projecten, acht de rechtbank het onjuist om deze projecten aan te merken als aan verweerder geleverde goederen of diensten. De zinsnede 'geleverde goederen of diensten' zou daarmee te ruim worden geïnterpreteerd.
Voorts acht de rechtbank van belang dat, indien in het kader van de tenderinstructies in kwestie partijen tot een overeenkomst zouden zijn gekomen, dit tot een bijdrage van verweerder van 50% in de kosten van Hanseland zou leiden. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State van 12 september 2001, LJN: AD4005, oordeelt de rechtbank dat deze bijdrage niet strekt tot vergoeding van de werkelijke kosten maar slechts tot een tegemoetkoming in de kosten.
Aldus komt de rechtbank tot de conclusie dat geen sprake is van betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten. Daarmee wordt in de onderhavige kwestie aan de definitie in artikel 4:21, eerste lid, Awb van het begrip subsidie voldaan.