ECLI:NL:RBGRO:2007:BC3180
Rechtbank Groningen
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ROA-uitkering wegens onvoldoende medewerking aan terugkeer naar land van herkomst
Eiser maakte bezwaar tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Delfzijl om zijn ROA-uitkering te beëindigen omdat hij onvoldoende had meegewerkt aan zijn uitzetting naar China. De rechtbank oordeelde dat eiser vóór het terugkeergesprek van 19 maart 2003 onvoldoende actie had ondernomen om de benodigde reisdocumenten te verkrijgen. Hoewel eiser stelde dat hij de Chinese ambassade had bezocht en pogingen had gedaan, kon hij dit niet met bewijs onderbouwen.
De rechtbank stelde vast dat het terugkeergesprek het peilmoment is voor de beoordeling van de inspanningsverplichting en dat inspanningen na dat moment niet meer worden meegewogen. Verweerder mocht afgaan op de mededeling van de IND dat eiser onvoldoende meewerkte. Er was geen aanleiding om aan de juistheid van deze mededeling te twijfelen.
Het beroep werd ongegrond verklaard en de beëindiging van de ROA-uitkering gehandhaafd. De rechtbank wees ook het verzoek van eiser om vergoeding van proceskosten af. Partijen konden binnen zes weken hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van de ROA-uitkering wegens onvoldoende medewerking aan terugkeer is ongegrond verklaard.