3.5 Volgens vaste jurisprudentie, onder meer Hoge Raad 23 februari 2000, nr. 34 900 (Belastingblad 2000/251) moet aan de verplichte afname van een servicepakket met de daarbij horende betaling van de servicekosten, ongeacht of deze zien op kosten ten behoeve van de onroerende zaak of ten behoeve van de bewoner, geen waardedrukkende factor worden toegerekend, omdat sprake is van persoonlijke rechten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder om die reden terecht eiseres' appartement vergeleken met een onroerende zaak, waarbij geen sprake is van betaling van servicekosten. Eiseres' stelling dat appartementen uit de [serviceflat] ter vergelijking zouden moeten dienen faalt om die reden. Datzelfde geldt voor de stelling dat sprake zou zijn van zakelijke rechten, omdat het merendeel van de kosten ten behoeve van de onroerende zaak wordt gemaakt.
3.6 De rechtbank oordeelt voorts dat nu eiseres de door verweerder gestelde waarde betwist, op verweerder de bewijslast rust aannemelijk te maken dat voldoende rekening is gehouden met de verschillen tussen de vergelijkingsobjecten en wat de omvang van de invloed van de servicekosten bedraagt. De rechtbank oordeelt dat verweerder hierin niet is geslaagd. De enkele verwijzing naar verkoopprijzen van vergelijkingsobjecten, waarbij geen of in mindere mate sprake is van de verplichting tot betaling van servicekosten verklaart naar het oordeel van de rechtbank niet het verschil van de door verweerder gestelde waarde van € 97.000,-- en de verkoopprijzen van de twee-kamer-appartementen uit de [serviceflat], die gemiddeld € 50.000,-- bedragen. Ook verweerders conclusie op pagina 11 van het taxatierapport: "De servicekosten voor een 2-kamer appartement in de [serviceflat] zijn € 540,- per maand. Aan de [adres] waren de servicekosten in 2004 € 586,- per kwartaal, dit is € 195,33 per maand. Het effect van de servicekosten op de koopprijzen is dus heel duidelijk.", ziet de rechtbank niet door feiten of omstandigheden onderbouwd.
3.7 Eiseres onderbouwt evenmin de door haar voorgestane waarde van € 50.000,--, door slechts naar de verkoopprijzen van de appartementen uit de [serviceflat] te verwijzen.
3.8 Ter zitting is komen vast te staan dat sommige bewoners van de appartementen in de [serviceflat] de beschikking hebben over een berging en anderen niet. Er is een tekort aan bergingen en bij de overdracht van appartementsrechten krijgt een verkrijger van een appartementsrecht niet automatisch de beschikking over een berging, ook niet wanneer de vorige bewoner van het appartement wel de beschikking kon hebben over een berging. Omgekeerd geldt ook dat een verkrijger van een appartementsrecht, waarvan de vorige bewoner geen berging tot zijn beschikking had, soms wel de beschikking over een berging kan krijgen. De rechtbank oordeelt dat in een dergelijke situatie bij de waardering van de onroerende zaak hiermee rekening moet worden gehouden. Uit het taxatierapport en overige stukken van verweerder is niet duidelijk in welke mate verweerder hiermee rekening heeft gehouden.
3.9 Van eiseres' stelling dat er ballotagenormen gelden (leeftijd en gezondheid) kan bezwaarlijk worden gezegd dat deze de groep van gegadigden voor de onroerende zaak dermate klein maakt dat de waarde daarvan in betekenende mate invloed zal ondervinden.
3.10 Nu geen der partijen zijn stellingen voldoende aannemelijk heeft gemaakt stelt de rechtbank de waarde zoals bedoeld in de Wet WOZ van eiseres' appartement in goede justitie vast op € 70.000,--, waarbij € 5.000,-- wordt toegerekend aan de hiervoor vermelde (kans op de beschikking over een) berging.
3.11 Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.