ECLI:NL:RBGRO:2008:BJ4451

Rechtbank Groningen

Datum uitspraak
15 oktober 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
343356 CV EXPL 07-12787
Instantie
Rechtbank Groningen
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • R.Tj. Terpstra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:660a BWArt. 150 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling omvang arbeidsduur en loonbetaling bedrijfsleider horecagelegenheid

De werknemer trad op 1 juli 2004 in dienst als bedrijfsleider bij een horecagelegenheid met een contractuele minimale werktijd van 4 uur per week. De arbeidsovereenkomst werd verlengd, maar de omvang van de daadwerkelijk gewerkte uren was onderwerp van geschil. De werkgever betwistte dat de werknemer meer dan vier uur per week werkte en stelde dat de werknemer op 12 juli 2005 ontslag had genomen.

De kantonrechter oordeelde dat de werknemer zich op 12 juli 2005 ziek had gemeld, ondanks dat dit niet expliciet was gedaan, en dat de werkgever onvoldoende bewijs had geleverd voor het tegendeel. De ontbinding van de arbeidsovereenkomst per 1 mei 2006 werd bevestigd, maar het contract eindigde formeel op 31 december 2005.

De kantonrechter liet de werknemer toe tot bewijslevering omtrent de omvang van het dienstverband, waarbij getuigenverklaringen konden worden gehoord. De zaak werd verwezen naar een rolzitting voor nadere uitlatingen en bewijsvoering, met verdere beslissingen aangehouden.

Uitkomst: De kantonrechter laat werknemer toe tot bewijslevering over arbeidsduur en houdt verdere beslissing aan.

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN
Sector kanton
Locatie Groningen
Zaak\rolnummer: 343356 \ CV EXPL 07-12787
Vonnis van 15 oktober 2008
inzake
[eiser],
wonende te [adres],
eiser, hierna [eiser] te noemen,
gemachtigde mr. G.W. Brouwer,
tegen
[gedaagde], h.o.d.n. Café Restaurant Huis de Beurs,
wonende te [adres],
gedaagde, hierna [gedaagde] te noemen,
gemachtigde mr. M. Schuring.
PROCESGANG
1. Op de bij dagvaarding met producties vermelde gronden heeft [eiser] gevorderd om [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 31.966,70 bruto aan loon, te verminderen met € 3.484,06 netto, € 21.628,49 bruto aan loon c.q. ziekengeld en € 4.049,58 bruto aan niet genoten vakantiedagen, met aanverwante vorderingen en met rente en kosten.
[gedaagde] heeft bij antwoord, onder overlegging van producties, de vordering betwist.
Na repliek (met producties) en dupliek (met producties) is vonnis bepaald op de stukken, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt.
OVERWEGINGEN
De feiten
2. Als gesteld en erkend, dan wel als niet of onvoldoende weersproken, alsmede op grond van de in zoverre onbetwiste inhoud der overgelegde producties staat het volgende vast.
2.1. [eiser] is op 1 juli 2004 bij [gedaagde] in dienst gekomen in de functie van bedrijfsleider voor De Beurs, voor de duur van zes maanden.
2.2. In artikel 3 van Pro de arbeidsovereenkomst staat:
De overeengekomen werktijd bedraagt minimaal 4 uur per week.
2.3. De arbeidsovereenkomst is verlengd. De laatste werkdag van [eiser] is geweest 12 juli 2005. Op die dag is in een gesprek tussen partijen aan de orde geweest dat [eiser] spanningen ervoer op het werk.
2.4. De kantonrechter te Groningen heeft bij beschikking van 8 maart 2006 de arbeidsovereenkomst ontbonden per 1 mei 2006.
De standpunten van partijen
3. [eiser] heeft zich gebaseerd op de vaststaande feiten en verder aangevoerd dat hij meer heeft gewerkt dan waarvoor hij betaald heeft gekregen. [eiser] heeft gemiddeld 28,5 uren per week gewerkt. De werkdag liep van 17.00 uur tot sluitingstijd. [eiser] heeft geen relatie gehad met de zuster van [gedaagde]. Dat [eiser] meer werkte dan de vier uren genoemd in het arbeidscontract, volgt ook uit het Plan van Aanpak van [gedaagde], waarin hij [eiser] te werk wil stellen voor acht uren per week. Op 12 juli 2005 heeft [eiser] geen ontslag genomen maar zich ziek gemeld. Na die dag is er regelmatig contact geweest tussen [eiser] en [gedaagde] en heeft [eiser] zich verder bemoeid met de gang van zaken bij De Beurs. [gedaagde] heeft salaris betaald over augustus 2005 en heeft een onvoorwaardelijk verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingediend.
4. Het verweer van [gedaagde] is dat [eiser] slechts bij uitzondering meer dan vier uren per week werkte. Wanneer hij vaker in De Beurs was, was dat in verband met zijn relatie met de zuster van [gedaagde]. De originele urenstaten zijn door [eiser] weggenomen uit De Beurs.
De arbeidsovereenkomst is verlengd op 1 januari 2005 en op 1 juli 2005. Deze is in ieder geval van rechtswege geëindigd op 31 december 2005, op grond van artikel 5 CAO Pro.
Primair geldt dat [eiser] op 12 juli 2005 ontslag heeft genomen. Subsidiair stelt [gedaagde] dat [eiser] zich op 12 juli 2005 niet heeft ziek gemeld. Meer subsidiair vindt [gedaagde] dat [eiser] geen loon toekomt na 31 december 2005 omdat hij niet de verplichtingen bedoeld in artikel 7:660a BW is nagekomen.
De beoordeling van het geschil
5. Wat partijen verdeeld houdt zijn de volgende punten:
* de omvang van de arbeidsovereenkomst vanaf 1 juli 2004
* het al of niet ontslag nemen op 12 juli 2005
* het al of niet ziek melden op 12 juli 2005
* het einde van de arbeidsovereenkomst op 31 december 2005
* het al of niet meewerken aan de verplichtingen bedoeld in artikel 7:660a BW.
6. De kantonrechter is van oordeel dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst volgens de beschikking van 8 maart 2006 opgevat dient te worden als voorzover vereist. Uit het verzoekschrift tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst is duidelijk op te maken dat dit verzoek wordt gedaan onder voorwaarde van het (nog) bestaan van de arbeidsovereenkomst. Dat een en ander niet met zoveel woorden in de beschikking staat, zal te maken hebben met het gegeven dat de ontbinding uiteindelijk door partijen geregeld is. Niet gesteld of anderszins gebleken is dat die regeling ook betrekking had op een wijziging van het voorwaardelijke karakter van het verzoek.
7. De arbeidsovereenkomst is schriftelijk aangegaan. Wanneer die vervolgens ongewijzigd wordt verlengd zonder dat een nieuw geschrift wordt opgemaakt, blijft deze naar het oordeel van de kantonrechter schriftelijk. Er is dan ook niet een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ontstaan. Dit betekent dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd op 31 december 2005. Hieruit volgt dat een beslissing over het al of niet nakomen door [eiser] van de verplichtingen bedoeld in artikel 7:660a BW niet langer relevant is.
8. Beide partijen hebben aangeven dat op 12 juli 2005 een gesprek tussen hen heeft plaatsgevonden. In dat gesprek is besproken dat [eiser] last heeft van spanningen op het werk. Na het gesprek is [eiser] naar huis gegaan en niet meer op het werk verschenen. Deze gang van zaken is naar het oordeel van de kantonrechter bezwaarlijk anders te zien dan een ziekmelding, ook wanneer die ziekmelding niet expliciet is gedaan door [eiser]. Bij twijfel had het op de weg van [gedaagde] gelegen daarover duidelijkheid te krijgen bij [eiser]. Omdat zowel salaris voor de maand juli als voor de maand augustus vervolgens door [gedaagde] is betaald aan [eiser], is die twijfel er niet geweest.
In ieder geval heeft [gedaagde] onvoldoende gesteld voor een ontslagname door [eiser], gelet op de hiervoor omschreven gang van zaken. Aan bewijsvoering op dit punt wordt dan ook niet toegekomen, nog daargelaten dat [gedaagde] niet een voldoende bewijsaanbod heeft gedaan.
9. Na de overwegingen van de kantonrechter hiervoor blijft over een beslissing over de omvang van de arbeidsovereenkomst, over de periode 1 juli 2004 tot en met 12 juli 2005.
Omdat [gedaagde] de stelling van [eiser] dat deze gemiddeld 28,5 uren per week heeft gewerkt, gemotiveerd heeft weersproken, rust de bewijslast daarvan overeenkomstig de hoofdregel van artikel 150 Rv Pro op [eiser]. Hij zal tot het bewijs worden toegelaten zoals hierna bij de beslissing nader omschreven.
10. De zaak zal naar de rolzitting worden verwezen, opdat [eiser] te kennen kan geven of en hoe hij aan de bewijsopdracht wenst te voldoen. Uiteraard kan deze uitlating schriftelijk worden gedaan. Voor het geval [eiser] getuigen wenst te laten horen, moet hij de namen van de te horen getuigen op geven en de verhinderdata in de periode van twee maanden volgende op die rolzitting. Ook [gedaagde] dient op deze rolzitting (schriftelijk) verhinderdata in deze periode op te geven. Indien een getuigenverhoor dient plaats te vinden, zal op die zitting een datum voor het verhoor worden vastgesteld.
11. Iedere verdere beslissing, waaronder die over de omvang van de loondoorbetalingverplichting over de periode van 12 juli 2005 tot en met 31 december 2005, zal worden aangehouden.
BESLISSING
De kantonrechter:
laat [eiser] toe tot het bewijs van feiten en omstandigheden op grond waarvan de omvang van het dienstverband kan worden vastgesteld;
verwijst de zaak naar de rolzitting van 29 oktober 2008 voor uitlating door partijen als bedoeld in overweging 10;
bepaalt dat voor de uitlating door partijen en het mogelijk te houden getuigenverhoor in beginsel geen uitstel zal worden verleend;
houdt elke verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.Tj. Terpstra, kantonrechter, en op 15 oktober 2008 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.
typ: RTjT