ECLI:NL:RBGRO:2009:BK6968

Rechtbank Groningen

Datum uitspraak
17 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
630364-09
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 420bis lid 1 Wetboek van StrafrechtArt. 420ter Wetboek van StrafrechtArt. 420quater lid 1 Wetboek van Strafrecht
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs witwassen geldbedragen naar Antillen

De rechtbank Groningen behandelde een zaak waarin drie verdachten werden beschuldigd van het witwassen van ongeveer €18.402,24 door het verrichten van meerdere verdachte transacties naar rekeningen op de Nederlandse Antillen.

De officier van justitie stelde dat de verdachten wisten dat het geld uit misdrijven afkomstig was, onder meer gebaseerd op verdachte omstandigheden zoals het ontbreken van legale economische verklaringen, disproportionele transacties ten opzichte van inkomsten, en het gebruik van money-transfers om meldgrenzen te omzeilen.

De rechtbank oordeelde echter dat deze omstandigheden slechts algemene vermoedens opriepen en niet werden ondersteund door concrete bewijzen of onderzoek naar de herkomst van het geld. Er was geen wettig en overtuigend bewijs dat het geld daadwerkelijk uit enig misdrijf afkomstig was.

Daarom sprak de rechtbank de verdachten vrij van alle tenlastegelegde feiten. Het vonnis werd gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken op 17 december 2009.

Uitkomst: Verdachten worden vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs dat het geld afkomstig was uit enig misdrijf.

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN
Sector Strafrecht
parketnummer: 18/630364-09 (promis)
datum uitspraak: 17 december 2009
bij verstek
V O N N I S
van de rechtbank Groningen, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:
[Verdachte],
geboren te [geboorteplaats & -datum],
wonende te [woonplaats.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 december 2009.
Tenlastelegging
hij in of omstreeks de periode van 15 augustus 2002 tot en met 20 februari
2007, in de gemeente Groningen, althans in Nederland,
van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij,
toen en daar op verschillende tijdstippen (telkens) een of meer voorwerpen, te
weten een of meer geldbedragen - tot een totaal van ongeveer 18.402,24 euro -,
althans een of meer geldbedragen, verworven, voorhanden gehad, overgedragen
en/of omgezet, althans van een of meer voorwerpen, te weten een of meer
geldbedragen - tot een totaal van ongeveer 18.402,24 euro -, althans een of
meer geldbedragen, gebruik gemaakt, terwijl hij wist dat bovenomschreven
voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren/was uit enig
misdrijf;
art 420ter Wetboek van Strafrecht
art 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht
althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat
hij in of omstreeks de periode van 15 augustus 2002 tot en met 20 februari
2007, in de gemeente Groningen, althans in Nederland,
meermalen, althans eenmaal, (telkens) een of meer voorwerpen, te weten een of
meer geldbedragen - tot een totaal van ongeveer 18.402,24 euro -, althans een
of meer geldbedragen, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft
overgedragen en/of omgezet, althans van een of meer voorwerpen, te weten een
of meer geldbedragen - tot een totaal van ongeveer 18.402,24 euro -, althans
een of meer geldbedragen, gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat
bovenomschreven voorwerp(en) (telkens) - onmiddellijk of middellijk -
afkomstig waren/was uit enig misdrijf;
art 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht
althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat
hij in of omstreeks de periode van 15 augustus 2002 tot en met 20 februari
2007, in de gemeente Groningen, althans in Nederland,
meermalen, althans eenmaal, (telkens) een of meer voorwerpen, te weten een of
meer geldbedragen - tot een totaal van ongeveer 18.402,24 euro -, althans een
of meer geldbedragen, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft
overgedragen en/of omgezet, althans van een of meer voorwerpen, te weten een
of meer geldbedragen - tot een totaal van ongeveer 18.402,24 euro -, althans
een of meer geldbedragen, gebruik heeft gemaakt, terwijl hij redelijkerwijs
moest vermoeden dat bovenomschreven voorwerp(en) (telkens) - onmiddellijk of
middellijk - afkomstig waren/was uit enig misdrijf;
art 420quatr lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht
Bewijsvraag
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. Zij verwijst daartoe naar het proces-verbaal inzake verdachte transacties, waarin onder meer is geconstateerd dat verdachte voor een bedrag van
€ 18.402,24 aan verdachte transacties heeft verricht. Verdachte heeft regelmatig naar voor hem onbekende personen grote bedragen overgemaakt naar rekeningen van onbekende personen op de Nederlandse Antillen. De transacties vonden soms meerdere keren op een dag plaats. De grens, zoals vastgesteld in de Wet Melding Ongebruikelijke Transacties, werd niet overschreden. Verdachte ontving voor elke transactie een beloning van € 50,-. In het proces-verbaal zijn voldoende aanknopingspunten aanwezig voor het vermoeden dat het geld afkomstig was uit misdrijven. Verdachte heeft geen vragen gesteld over de herkomst van het geld omdat hij dat niet wilde weten. De officier van justitie is van mening dat kan worden bewezen dat verdachte wist dat het geld afkomstig was uit misdrijf.
Beoordeling
Ter beoordeling aan de rechtbank ligt voor de vraag of verdachte schuldig is aan witwassen doordat hij geldbedragen heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen, omgezet, dan wel daarvan gebruik gemaakt, terwijl hij wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden dat die geldbedragen afkomstig zijn uit enig misdrijf .
Voor een bewezenverklaring van het aan verdachte tenlastegelegde feit, in welke variant dan ook, moet bewezen worden dat het voorwerp in kwestie (in dit geval het geld dat werd overgemaakt) uit misdrijf afkomstig is. Het misdrijf behoeft niet nader te worden aangeduid of omschreven; volstaan kan worden met de vermelding dat de geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig waren. Daarvan moet uit de bewijsmiddelen blijken.
Volgens vaste jurisprudentie is niet vereist dat kan worden bewezen door wie, wanneer en waar dat misdrijf is gepleegd. Eveneens volgens vaste jurisprudentie kan soms uit een feit van algemene bekendheid worden afgeleid dat het voorwerp uit misdrijf afkomstig is. In deze zaak is een omschrijving opgenomen van een aantal verdachte omstandigheden die een aanknopingspunt zouden bieden voor het vermoeden dat de door verdachte overgemaakte geldbedragen afkomstig zijn uit enig misdrijf. Die aanknopingspunten zijn de volgende:
- er is geen legale economische verklaring voor het wisselen cq versturen van grote
geldbedragen via money-transfers;
- de transacties staan niet in verhouding tot de inkomsten;
- er is geen economische activiteit van verdachte bekend in het land waarmee transacties werden verricht;
- het is een feit van algemene bekendheid dat diverse vormen van criminaliteit gepaard gaan met grote hoeveelheden contant geld in diverse valuta;
- medeverdachte [medeverdachte 1] onderhoudt vermoedelijk contacten met verdachte en gebleken is dat verdachte in verband kan worden gebracht met het plegen van misdrijven (waaronder de Opiumwet) en verdachte transacties;
- medeverdachte [medeverdachte 1] kan in verband worden gebracht met het plegen van misdrijven;
- het verrichten van vele money-transfers vanuit Nederland naar verschillende personen in het Caribische gebied gaat dikwijls gepaard met de smokkel van cocaïne van het Caribische gebied naar Nederland;
- er is veelvuldig gebruik gemaakt van money-transfers terwijl het een feit van algemene bekendheid is dat dit aanmerkelijk duurder is dan girale transacties;
- het was kennelijk de bedoeling om de meldgrens te ontduiken.
Wat er ook zij van de opsomming van bovengenoemde aanknopingspunten, naar het oordeel van de rechtbank leveren die aanknopingspunten geen wettig bewijs op op grond waarvan kan worden afgeleid dat de desbetreffende geldbedragen middellijk of onmiddellijk uit enig misdrijf afkomstig waren als bedoeld in artikel 420bis lid 1 sub b Wetboek van Strafrecht. Die aanknopingspunten, die hoogstens een vermoeden opleveren dat het geld uit enig misdrijf afkomstig zou zijn, zijn immers van algemene aard en worden in het strafdossier op geen enkele wijze bevestigd door concrete gegevens over mogelijke misdrijven. Er is geen enkel onderzoek ingesteld naar de achtergrond van de door verdachte en medeverdachten genoemde verstrekkers van de geldbedragen, terwijl in de verklaring die door één van de medeverdachten bij de politie is afgelegd, aanwijzingen worden gegeven over de identiteit van de verstrekkers. Ook overigens kan uit het dossier op geen enkele wijze iets worden afgeleid over de relatie tussen de geldbedragen en delicten.
De rechtbank acht daarom niet bewezen dat de geldbedragen afkomstig zijn uit enig misdrijf.
Op grond van het voorgaande acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair, subsidiair dan wel meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.
Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het hem primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde.
BESLISSING
De rechtbank:
Verklaart het onder primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. S. Tempel, voorzitter, L.M.E. Kiezebrink en L.W. Janssen in tegenwoordigheid van mr. T.J. de Wind, griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 17 december 2009.