ECLI:NL:RBGRO:2010:BL3624

Rechtbank Groningen

Datum uitspraak
11 februari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
18-641093-09
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 310 SrArt. 311 lid 1 sub 4 SrArt. 311 lid 1 sub 5 SrArt. 416 lid 1 sub a SrArt. 63 Sr
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onvoorwaardelijke jeugddetentie voor diefstal scootmobiel door minderjarige

Op 7 juni 2009 heeft de minderjarige verdachte samen met een mededader een scootmobiel gestolen uit een schuurtje bij een woning in Veendam. De toegang tot het schuurtje werd verkregen door middel van braak. De scootmobiel behoorde toe aan een ander dan de verdachte en zijn mededader.

De rechtbank baseerde haar oordeel op onder meer de deels bekennende verklaring van de verdachte, proces-verbalen van aangifte en verhoren van mededaders. De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal in vereniging met braak.

De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, de kwetsbaarheid van de slachtoffers die doorgaans beperkt mobiel zijn, en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals weergegeven in het voorlichtingsrapport van de Verslavingszorg Noord Nederland. Gezien deze factoren en de straf die de verdachte eerder heeft gekregen, legde de rechtbank een onvoorwaardelijke jeugddetentie van vijf weken op.

De rechtbank sprak verdachte vrij van overige tenlastegelegde feiten die niet wettig en overtuigend bewezen konden worden. De tijd die de verdachte voorafgaand aan de uitspraak in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, wordt in mindering gebracht op de opgelegde straf.

Uitkomst: Vijf weken onvoorwaardelijke jeugddetentie voor diefstal van een scootmobiel met braak.

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN
Sector Strafrecht
parketnummer: 18-641093-09 (promis)
datum uitspraak: 11 februari 2010
op tegenspraak
raadsvrouw: mr. A.M. Crouwel
V O N N I S
van de rechtbank Groningen, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:
[Verdachhte],
geboren te [geboorteplaats en -datum],
wonende te [woonplaats],
thans verblijvende in Het Poortje, Jeugdinrichting Veenhuizen te Veenhuizen.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren van 28 januari 2010.
Tenlastelegging
hij op of omstreeks 7 juni 2009, te Veendam,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het
oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een (bij de woning
[pleegplaats]) staand schuurtje heeft weggenomen een scootmobiel, in elk
geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval
aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),
waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des
misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder
zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of
inklimming;
art 310 Wetboek Pro van Strafrecht
art 311 lid 1 ahf Pro/sub 4 Wetboek van Strafrecht
art 311 lid 1 ahf Pro/sub 5 Wetboek van Strafrecht
althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat
hij op of omstreeks 07 juni 2009 te Veendam, in elk geval in Nederland,
een scootmobiel heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft
overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden
krijgen van die scootmobiel wist dat het (een) door misdrijf verkregen
goed(eren) betrof;
art 416 lid 1 ahf Pro/ond a Wetboek van Strafrecht
Bewijsvraag
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft aangevoerd dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan diefstal in vereniging van een scootmobiel.
Standpunt van de verdediging
Verdachte heeft het tenlastegelegde bekend.
Beoordeling
De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.
- de (deels) bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;
- het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte nr. 2009055910-1 d.d. 7 juni 2009;
- het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van [mededader], nr. 2009055910-6 d.d. 26 november 2009;
- het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van [mededader], nr. 2009055910-8 d.d. 26 november 2009.
De rechtbank acht op grond van voormelde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 7 juni 2009, te Veendam, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een bij de woning [pleegplaats] staand schuurtje heeft weggenomen een scootmobiel, toebehorende aan [slachtoffer], waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak;
De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen primair meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het feit
Hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard levert de volgende strafbare feiten op:
Primair: Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige
zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu ten aanzien van verdachte geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.
Strafoplegging
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde wordt veroordeeld tot 3 maanden jeugddetentie, met aftrek van voorarrest.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft gepleit voor een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf gelijk aan het voorarrest, met aftrek.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en het aangaande zijn persoon opgemaakte voorlichtingsrapport van de Verslavingszorg Noord Nederland d.d. 21 januari 2010 en het uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d. 24 september 2009, alsmede de vordering van de officier van justitie.
Vrijheidsstraf
Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf moet worden opgelegd.
De rechtbank neemt daarbij het volgende in aanmerking.
Verdachte heeft zich, samen met zijn mededader, schuldig gemaakt aan diefstal van een scootmobiel. De rechtbank rekent dit verdachte ernstig aan, nu het als een feit van algemene bekendheid mag worden geacht dat gebruikers van een scootmobiel doorgaans in hun mobiliteit gehinderd zijn.
De rechtbank acht dan ook na te noemen vrijheidsstraf passend en geboden, waarbij de rechtbank rekening houdt met de straf die aan verdachte in de zaak onder parketnummer
18-670535-09 is opgelegd.
Tevens heeft de rechtbank bij de strafoplegging rekening gehouden met het ad informandum gevoegde feit, dat door verdachte ter terechtzitting is erkend.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 63, 77a, 77g, 77i, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
De rechtbank:
- verklaart het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hierboven is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.
- verklaart verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.
- verklaart het primair meer of anders tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
- veroordeelt verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot:
jeugddetentie voor de duur van VIJF WEKEN.
Beveelt dat bij de tenuitvoerlegging van deze straf de tijd die veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht tenzij die tijd op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. L.M.E. Kiezebrink, voorzitter, kinderrechter, M.J.B. Holsink en K.R. Bosker, kinderrechters, in tegenwoordigheid van D. van der Ploeg, als griffier en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2010.
Mr. Holsink is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.