ECLI:NL:RBGRO:2010:BM9429

Rechtbank Groningen

Datum uitspraak
6 mei 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
116786 / JE RK 10-183
Instantie
Rechtbank Groningen
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing van een minderjarige

In deze zaak heeft de Rechtbank Groningen op 6 mei 2010 uitspraak gedaan over de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige. De rechtbank heeft vastgesteld dat de moeder, vanwege psychische problematiek, niet in staat is om voor het kind te zorgen. De vader heeft wel opvoedingsvaardigheden, maar heeft geen eigen woonruimte en moet hulp accepteren bij de opvoeding. De relatie tussen de vader en de pleegouders is verslechterd, wat complicaties met zich meebrengt voor de omgang en mogelijke terugplaatsing van het kind. De rechtbank heeft de verzoeken van de betrokken partijen gehoord, waaronder de ouders, pleegouders en vertegenwoordigers van de jeugdzorg. De rechtbank heeft geconcludeerd dat de ondertoezichtstelling met een jaar moet worden verlengd, omdat de gronden hiervoor nog steeds aanwezig zijn. Ook is de machtiging tot uithuisplaatsing in een pleegzorgvoorziening voor een jaar verlengd. De rechtbank heeft benadrukt dat er absolute duidelijkheid moet komen over het perspectief van het kind, of dit bij de vader of in het pleeggezin ligt. De vader heeft aangegeven dat hij op korte termijn een nieuwe woning kan betrekken, maar er zijn nog voorwaarden waaraan hij moet voldoen voordat het kind bij hem kan worden geplaatst. De rechtbank heeft het verzoek van de vader om de machtiging tot uithuisplaatsing voor een half jaar te verlenen afgewezen, omdat dit te kort werd geacht. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, en er kan binnen drie maanden hoger beroep worden ingesteld.

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN
Sector Civielrecht
zaaknr.: 116786 / JE RK 10-183
beschikking meervoudige familiekamer d.d. 6 mei 2010
inzake
* [minderjarige], geboren in de gemeente [***] op
[geboortedatum],
kind van:
[vader],
wonende te [adres]
en
[moeder],
wonende te [adres] ,
verblijvende bij Lentis.
De ouders zijn belast met het gezag over voornoemde minderjarige.
PROCESGANG
Op 9 maart 2010 heeft het bureau jeugdzorg Groningen (bjz) een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing ingediend, gedateerd 26 februari 2010.
Daarbij is overgelegd het hulpverleningsplan en een verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing, alsmede een indicatiebesluit.
In verband met de geestelijke toestand van moeder heeft de rechtbank aan moeder ambtshalve een advocaat toegevoegd, te weten mr. T.H.G. Schuringa te Groningen.
Op 23 april 2010 heeft de kinderrechter de zaak ter terechtzitting met gesloten deuren behandeld.
Gehoord zijn daarbij: de vader, bijgestaan door zijn advocaat mr. A.M. Crouwel, de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. T.H.G. Schuringa en begeleid door de heren R. Dontje en W. Helder, werkzaam bij Lentis, de heer en mevrouw [naam pleegouders], pleegouders en mevrouw B. Mulder namens bjz.
Mevrouw Mulder heeft ter zitting een verslag overgelegd van de bespreking van het MDV-overleg van bjz d.d. 16 april 2010, aangevuld bij brief van bjz d.d. 26 april 2010, ingekomen ter griffie op 27 april 2010.
Ter zitting is door de kinderrechter meegedeeld dat de zaak meervoudig, in dezelfde samenstelling als op 19 november 2009, zal worden afgedaan.
OVERWEGINGEN
Bij beschikking d.d. 6 mei 2009 is de ondertoezichtstelling verlengd voor de tijd van 1 jaar, ingaande 7 mei 2009.
Voorts is bij beschikking d.d. 19 november 2009 de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg verlengd met ingang van 20 november 2009, voor de duur van de ondertoezichtstelling.
Standpunt van bjz
Op verzoek van de rechtbank te Groningen heeft het NIFP een psychologisch en psychiatrisch onderzoek verricht naar ouders. Uit dit onderzoek is gebleken dat de vader in staat wordt geacht voor [minderjarige] te zorgen. Dit kan echter niet worden gerealiseerd, omdat hij geen eigen woonruimte heeft. Daarnaast dient de vader hulp bij de opvoeding van [minderjarige] te accepteren en moet hij een oplossing hebben voor de dagen dat hij werkt.
De relatie tussen pleegouders en de vader is de afgelopen maanden verslechterd. Pleegouders willen hem niet meer thuis ontvangen. De vader ziet [minderjarige] één keer in de drie weken op het kantoor van bjz. Hij komt de afspraken betreffende [minderjarige] goed na, maar vindt het moeilijk om vertrouwen te hebben in bjz. Als hij een eigen huis heeft kan de omgang worden uitgebreid. De moeder ziet [minderjarige] één keer in de maand bij de pleegouders. Soms zegt zij af omdat zij zich niet goed voelt.
[minderjarige] hecht zich aan haar pleegouders en haar pleegzussen. Naarmate deze situatie langer duurt, wordt het moeilijker om [minderjarige] op termijn bij haar vader te plaatsen. Het is van belang dat duidelijk wordt of het perspectief van [minderjarige] bij haar vader of in het pleeggezin ligt. Ook voor de pleegouders. Zij hebben er veel moeite mee dat [minderjarige] bij haar vader geplaatst zou worden. Pleegzorg heeft aangegeven dat zij het traject naar vader niet kunnen begeleiden. Bij een terugplaatsing van [minderjarige] naar haar vader zal er een uitgebreid en zorgvuldig traject ingezet moeten worden. [minderjarige] zal dan veel verlieservaring hebben. Een intensivering van het contact tussen vader en pleegouders zal voor [minderjarige] betekenen dat zij blootgesteld wordt aan spanningen.
Bjz blijft bij het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en van de machtiging tot uithuisplaatsing en verzoekt daarbij de kinderrechter duidelijkheid te geven over het perspectief van [minderjarige], of dit bij haar vader of in het pleeggezin ligt.
Standpunt van moeder
Moeder is het eens met het verzochte. Ze wil graag dat [minderjarige] op de lange termijn bij haar opgroeit maar realiseert zich dat ze op dit moment niet voor [minderjarige] kan zorgen. Nu dat het geval is, heeft het haar voorkeur dat [minderjarige] bij haar vader geplaatst wordt.
Standpunt van vader
De vader kan op maandag 26 april 2010 een nieuwe woning betrekken. Aan het eerste vereiste van bjz is dus voldaan. Vader verzoekt daarom te gaan werken aan het traject van de terugplaatsing van [minderjarige] bij hem en de verzochte machtiging tot uithuisplaatsing slechts voor een half jaar te verlenen. In die periode dient de omgangsregeling tussen hem en [minderjarige] opgebouwd te worden. Wat vader betreft kan de ondertoezichtstelling wel voor een jaar verlengd worden.
Ook heeft vader werk via WeerWerk. Hij kan opvang voor [minderjarige] pas regelen als duidelijk is of en wanneer [minderjarige] bij hem komt wonen.
Dat pleegzorg niet zou willen meewerken aan een terugplaatsing bij vader is niet relevant, nu bjz als gezinsvoogdijinstelling hiervoor verantwoordelijk is. Dat aan de pleegouders verkeerde informatie is gegeven, namelijk dat zij een perspectief biedend pleeggezin zouden zijn, mag geen consequenties geven voor de vader. Dat is geen reden om niet tot een terugplaatsing over te gaan. Evenmin mag de communicatiestoornis tussen vader en pleegouders aan de terugplaatsing in de weg staan. De samenwerking zal misschien moeilijk verlopen maar het zal wel lukken. De relatie tussen vader en bjz is wel goed.
Standpunt van de pleegouders
Het contact met de vader van [minderjarige] verloopt moeizaam. Hij is snel gepikeerd als de pleegouders hem zeggen dat hij iets beter niet kan doen. Zij zien grote risico's voor [minderjarige] als zij bij haar vader moet gaan wonen.
Beoordeling
Op grond van de verkregen informatie, zoals in opgemeld verzoek aangegeven, is de rechtbank van oordeel dat in het belang van [minderjarige] de termijn van de ondertoezichtstelling met een jaar dient te worden verlengd, nu de gronden voor de ondertoezichtstelling nog aanwezig zijn.
Voorts is de rechtbank van oordeel dat verlenging van de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg voor de periode van één jaar noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige]. Een termijn van een half jaar wordt te kort beoordeeld gezien hetgeen hieronder volgt. Het betreffende verzoek van de vader zal daarom worden afgewezen.
Binnen het kader van een ondertoezichtstelling kan de rechtbank geen beslissing geven over de vraag waar het perspectief van het kind voor de komende jaren dient te liggen. Een dergelijke toezegging voor wat betreft het perspectief bij een ondertoezichtstelling kan ook nimmer gegeven worden door een voorziening voor pleegzorg. Die duidelijkheid kan slechts ontstaan wanneer het gezag bij de ouder(s) wordt weggenomen door een verderstrekkende maatregel. De ondertoezichtstelling is een kinderbeschermende maatregel met een maximale duur van een jaar, waarbij een gezinsvoogd(ij-instelling) de ouders dient te ondersteunen om de bedreiging voor het kind weg te nemen.
Vaststaat dat de moeder vanwege haar psychische problematiek het kind niet kan opvoeden.
Door het NIFP is geconstateerd dat de vader opvoedingsvaardigheden bezit. Daarom is door de rechtbank bepaald dat er een uitbreiding van de omgangsregeling tussen de vader en het kind dient plaats te vinden. Ook diende de vader - binnen een bepaalde termijn - aan een aantal voorwaarden te voldoen. Gebleken is dat door de vader nog steeds niet aan die voorwaarden is voldaan. Hij heeft geen, met het oog op het kind, veilig ingericht huis. Evenmin heeft hij aangegeven welke werkzaamheden hij precies verricht en of er voor die dagen dat hij werkt, adequate opvang voor het kind is geregeld. Het had op de weg van de vader gelegen om een aanmelding bij een kinderopvang te regelen. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat men zeer vroegtijdig een kind kan/moet aanmelden om tijdig voor opvang in aanmerking te kunnen komen. Verder dient er naar het oordeel van de rechtbank absolute duidelijkheid te worden verkregen hoe (mogelijk via toekomstige aanwijzingen te geven door de gezinsvoogdijinstelling) vader staat tegenover omgang tussen de moeder en het kind, hoe hij die vorm denkt te geven en hoe hij daarbij de veiligheid van het kind kan garanderen.
Gebleken is dat de vader de Nederlandse taal (nog) niet goed beheerst; ook hier dient aandacht voor te komen. Via welke route, c.q. met welke begeleiding een eventuele plaatsing van het kind bij vader gerealiseerd gaat worden, is aan de gezinsvoogd(ij-instelling) om te bepalen.
BESLISSING
verlengt de termijn van de ondertoezichtstelling ten aanzien van de minderjarige [minderjarige] met een jaar, ingaande 7 mei 2010, met behoud van de opdracht van de ondertoezichtstelling aan het bureau jeugzorg Groningen (bjz) te Groningen, p/a Postbus 1203;
verlengt voorts de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing van voornoemde minderjarige in een voorziening voor pleegzorg, met ingang van 7 mei 2010 voor de duur van de ondertoezichtstelling;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beslissing is gegeven te Groningen door mrs. D.A. Flinterman, P.W.Th. Buijtenhuijs en L.C. Bosch, allen kinderrechter, in tegenwoordigheid van A. den Held als griffier en uitgesproken door mr. D.A. Flinterman ter openbare terechtzitting van 6 mei 2010.
Van deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van deze uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof te Leeuwarden.