ECLI:NL:RBGRO:2010:BO7134

Rechtbank Groningen

Datum uitspraak
1 december 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
471547 CB VERZ 10-167
Instantie
Rechtbank Groningen
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizenArt. 2 Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizenArt. 38c Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizenArt. 1:378 BWArt. 7:446 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek ondercuratelestelling ter omzeiling dwangbehandeling BOPZ

De rechtbank Groningen behandelde een verzoek tot ondercuratelestelling van een vrouw met chronische schizofrenie, waarbij de verzoekende partij wilde worden benoemd tot curator. Het verzoek had als doel om via de curator vervangende toestemming te verkrijgen voor het verhogen van medicatie, terwijl een eerder verzoek tot rechterlijke machtiging voor dwangbehandeling op grond van de wet BOPZ was afgewezen.

De rechtbank stelde vast dat de gezondheidssituatie van de rechthebbende niet was verslechterd sinds de afwijzing van het BOPZ-verzoek en dat de ondercuratelestelling feitelijk werd ingezet om de zware wettelijke toets van de wet BOPZ te omzeilen. De rechtbank benadrukte dat dwangbehandeling alleen onder de strikte voorwaarden van de wet BOPZ kan worden toegepast, waarbij uitgebreide rechtsbescherming voor de patiënt geldt.

Verder oordeelde de rechtbank dat het toedienen van medicatie zonder toestemming van de patiënt een ingrijpende verrichting is en dat vervangende toestemming door een curator alleen mogelijk is indien de verrichting kennelijk nodig is om ernstig nadeel te voorkomen. De rechtbank wees het verzoek af en verwees naar de mogelijkheid van een hernieuwd BOPZ-verzoek bij verslechtering van de situatie.

Uitkomst: Het verzoek tot ondercuratelestelling wordt afgewezen omdat het bedoeld is om de wettelijke toets van de wet BOPZ te omzeilen.

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN
Sector kanton
Locatie Winschoten
Zaak\rolnummer: 471547 CB VERZ 10-167
beschikking d.d. 1 december 2010
inzake
Q.,
wonende te [adres],
hierna te noemen de verzoekende partij.
PROCESGANG:
Op 6 september 2010 heeft de verzoekende partij een verzoekschrift met bijlagen ter griffie ingediend waarin zij verzoekt haar zus:
R., geboren te [plaatsnaam] op 10 april 1946,
wonende [adres](ouderen-zorginstelling X.),
hierna te noemen de rechthebbende,
onder curatele te stellen met benoeming van verzoekende partij voornoemd tot haar curator.
Het verzoek is behandeld ter terechtzitting.
RECHTSOVERWEGINGEN:
Uit de stukken en behandeling ter terechtzitting is enerzijds vast komen te staan dat de rechthebbende wegens een geestelijke stoornis niet in staat is haar belangen zelf behoorlijk waar te nemen. Rechthebbende lijdt aan chronische schizofrenie. Anderzijds komt daaruit naar voren dat het verzoek tot ondercuratelestelling louter tot doel heeft de door de behandelaars geconstateerde negatieve ontwikkeling te doorbreken door middel van het ophogen van de bestaande medicatie van rechthebbende. Daarbij is gesteld dat rechthebbende zelf daaraan niet wil meewerken en tevens is gemeld dat een verzoek tot dwangbehandeling middels een rechterlijke machtiging door de rechtbank op een eerder moment is afgewezen.
De kantonrechter stelt voorop dat als uitgangspunt heeft te gelden dat dwangbehandeling slechts kan worden toegepast als maatregel in het kader van de Wet Bijzondere opneming in psychiatrische ziekenhuizen (hierna: wet BOPZ). Vast staat dat een verzoek tot verlening van een rechterlijke machtiging om rechthebbende in dat kader te doen opnemen en verblijven in een psychiatrisch ziekenhuis op 22 april 2010 is geweigerd. Ter zitting is toegelicht dat dat verzoek eveneens, althans mede tot doel had rechthebbende een hogere dosis medicatie toe te dienen. Een en ander met het oog op het welzijn van rechthebbende.
De vraag die zich voordoet is of er gelet op voornoemd uitgangspunt nog plaats is voor een ondercuratelestelling om hetzelfde doel te bereiken. De kantonrechter is van oordeel dat dit niet het geval is en overweegt daartoe als volgt.
Tussen rechthebbende en de instelling waar zij verblijft bestaat een behandelovereenkomst als bedoeld in artikel 7:446 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). Het toedienen van medicatie zonder de toestemming van de patiënt kan niet worden gezien als een niet-ingrijpende verrichting als bedoeld in artikel 7:450 in Pro samenhang met artikel 7:466 lid 2 BW Pro. Krachtens artikel 7:465 BW Pro kan een curator vervangende toestemming geven voor een verrichting, indien deze door de hulpverlener(s) nodig worden geacht. Gaat het evenwel om een verrichting van ingrijpende aard, dan kan bij verzet van de patiënt daartegen gelet op het bepaalde in lid 6 van artikel 7:465 BW Pro, de verrichting slechts worden uitgevoerd indien zij kennelijk nodig is ten einde ernstig nadeel voor de patiënt te voorkomen.
Betrokkene heeft ter zitting desgevraagd te kennen gegeven dat zij geen andere c.q. hogere medicatie wil. Gesteld noch gebleken is dat de (gezondheids)situatie van rechthebbende sinds de afwijzende beschikking van de BOPZ-rechter verslechterd is. Afwijzing heeft toen (kennelijk) plaatsgevonden, omdat onvoldoende gevaar aanwezig werd geacht voor (de gezondheid van) betrokkene in de zin van artikel 2 van Pro de wet BOPZ. Duidelijk is dat met de ondercuratelestelling in feite een dwangbehandeling beoogd wordt. Daarvoor is nu juist de zware toets van de wet BOPZ bedoeld, met de daarin gegeven waarborgen en de in hoofdstuk III van de wet BOPZ geregelde rechtsbescherming van de patiënt.
Nu in dit geval, gezien de motivering van het verzoek, op voorhand duidelijk is dat de beoogd curatrice de vervangende toestemming gaat geven, betekent dit dat de toets van de wet BOPZ in wezen zal worden omzeild. Dit zou betekenen dat iemand die vrijwillig in een zorginstelling verblijft, slechter af is dan iemand die in het kader van een BOPZ-maatregel is opgenomen. Dit nu kan niet de bedoeling van de wetgever zijn (geweest).
Tot slot wordt overwogen dat indien wel sprake mocht zijn van een verslechterde situatie, dan vanzelfsprekend de weg van een hernieuwd verzoek in het kader van de wet BOPZ openstaat.
BESLISSING:
De kantonrechter:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. F. de Jong, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 1 december 2010 in aanwezigheid van de griffier.
typ: FdJ
Beschikking verzonden op:
Tegen deze eindbeschikking is hoger beroep mogelijk. Door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet worden ingesteld door een advocaat bij het gerechtshof te Leeuwarden.